Hoofdstuk 2
2.1/2.2 – De tien onderdelen van een onderzoeksplan
Onderzoeksplan:
1. Probleemstelling (inhoudelijk) wat wil je onderzoeken en waarom?
o Vraagstelling: wat wil je precies weten?
- Beschrijvend, verklarend, voorspellend.
o Doelstelling: waarom wil je dit weten?
o Een beter begrip krijgen van...
o Meer inzicht krijgen in…
o Theoretisch raamwerk/ conceptueel model: vanuit welk
perspectief of wetenschappelijke theorie wordt de vraagstelling
beantwoord?
o De volgorde van de probleemstelling verschilt per onderzoeker
o Onderzoekers die vooral fundamentele kennis willen ontwikkelen
starten vaak bij de vraagstelling.
o Onderzoekers die het belangrijk vinden dat hun onderzoek
kennis oplevert die relevant is voor het oplossen van een
probleem beginnen vaak bij
‘waarom’
2. Onderzoeksontwerp (methodologisch)
hoe ga je je onderzoek uitvoeren?
o De manier waarop je je onderzoek wilt
opzetten, welke gegevens je wilt
verzamelen, bij wie je die gegevens wilt
verzamelen, wanneer en waar.
o Plan voor de manier waarop je de
gegevens wilt analyseren en je
onderzoek wilt rapporteren.
o Hoe krijg je antwoord op je
vraagstelling.
o Beschrijf de zogenaamde methodologische beslissingen
o Een onderzoeksplan is nodig om goedkeuring te verkrijgen van
de Ethische Commissie om met het onderzoek te starten
o Een onderzoeksplan is handig te hebben doordat je
verantwoording kan afleggen wat betreft de beslissingen die je
hebt gemaakt tijdens het onderzoek.
o Twee vuistregels: Trek een derde van de beschikbare tijd uit
voor het maken van het onderzoeksplan. & Doe het niet alleen,
maar overleg met anderen.
,Paradigma: een bepaalde benadering; een stelsel van opvattingen over
wat de juiste of beste wetenschap is, waar een wetenschappelijke theorie
aan moet voldoen en de manier waarop je zo’n theorie zou moeten
ontwikkelen respectievelijk confronteren met de sociale werkelijkheid. En
vaak over hoe je onderzoek ontwerpt. Twee voorbeelden: de empirisch
analytische benadering en de empirisch-interpretatieve benadering.
Theoretisch raamwerk: de collectie van concepten en hun onderlinge
samenhang die je wilt gebruiken in je onderzoek. Abstract en niet direct
waarneembaar.
Dataverzamelingsplan:
o Je geeft antwoord op de vraag wat voor data jij wilt verzamelen om
de verschijnselen waarvoor jij belangstelling hebt te onderzoeken in
de sociale werkelijkheid.
o Operationaliseren: hoe je abstracte theoretische concepten
waarneembaar of bevraagbaar wilt maken.
o Je beschrijft de aard van de data of de variabelen in je onderzoek
(zijn ze kwantitatief/kwalitatief, welk meetniveau hebben ze?)
Steekproefplan:
o Beschrijft bij welke eenheden je data wilt verzamelen en hoe je deze
eenheden (bv. mensen) identificeert en benadert om deel te nemen
aan je onderzoek.
Kanssteekproef wanneer je generaliserende uitspraken wilt
doen
Niet-kanssteekproef wanneer je de heterogeniteit in een
specifieke subpopulatie zo volledig mogelijk wilt beschrijven
zonder te generaliseren.
Data-analyseplan:
o Beschrijft hoe je de verzamelde data wilt analyseren.
o Voor kwantitatieve data geef je aan of je naast beschrijvende ook
toetsende statistiek gaat gebruiken, of welk type statisch model.
Rapportageplan:
o Hoe wil je je onderzoek met anderen delen, van probleemstelling tot
en met jouw antwoorden op de vraagstelling.
2.3 – Literatuuronderzoek: voorbereiding op het onderzoeksplan
, Literatuuronderzoek
o Verkennen van wat er al bekend is over het onderwerp van je keuze.
o Het doel is om dat je je vraagstelling, doelstelling en theoretisch
raamwerk beter geïnformeerd kunt kiezen.
o Denk aan:
Wat hebben eerdere onderzoekers gedaan; wat was hun
doelstelling, wie waren er allemaal bij betrokken etc.
Welke kennis ontbreekt nog…
2.4 – De probleemstelling
Vraagstelling: een overkoepelende vraag die je wilt beantwoorden en die
weergeeft wat je precies wilt onderzoeken.
o Hoofd- en deelvragen: de antwoorden op de deelvragen leiden naar
het antwoord op de gehele vraagstelling
o Beschrijvende vraagstellingen: wie of wat voor, welke, wanneer en
hoe(veel)…?
Bijv. Wat is het percentage mensen dat op zondag graag uitgaat
naar een horecagelegenheid?
Beschrijvende trend vraagstelling: wanneer twee tijdstippen
vergeleken worden.
2.1/2.2 – De tien onderdelen van een onderzoeksplan
Onderzoeksplan:
1. Probleemstelling (inhoudelijk) wat wil je onderzoeken en waarom?
o Vraagstelling: wat wil je precies weten?
- Beschrijvend, verklarend, voorspellend.
o Doelstelling: waarom wil je dit weten?
o Een beter begrip krijgen van...
o Meer inzicht krijgen in…
o Theoretisch raamwerk/ conceptueel model: vanuit welk
perspectief of wetenschappelijke theorie wordt de vraagstelling
beantwoord?
o De volgorde van de probleemstelling verschilt per onderzoeker
o Onderzoekers die vooral fundamentele kennis willen ontwikkelen
starten vaak bij de vraagstelling.
o Onderzoekers die het belangrijk vinden dat hun onderzoek
kennis oplevert die relevant is voor het oplossen van een
probleem beginnen vaak bij
‘waarom’
2. Onderzoeksontwerp (methodologisch)
hoe ga je je onderzoek uitvoeren?
o De manier waarop je je onderzoek wilt
opzetten, welke gegevens je wilt
verzamelen, bij wie je die gegevens wilt
verzamelen, wanneer en waar.
o Plan voor de manier waarop je de
gegevens wilt analyseren en je
onderzoek wilt rapporteren.
o Hoe krijg je antwoord op je
vraagstelling.
o Beschrijf de zogenaamde methodologische beslissingen
o Een onderzoeksplan is nodig om goedkeuring te verkrijgen van
de Ethische Commissie om met het onderzoek te starten
o Een onderzoeksplan is handig te hebben doordat je
verantwoording kan afleggen wat betreft de beslissingen die je
hebt gemaakt tijdens het onderzoek.
o Twee vuistregels: Trek een derde van de beschikbare tijd uit
voor het maken van het onderzoeksplan. & Doe het niet alleen,
maar overleg met anderen.
,Paradigma: een bepaalde benadering; een stelsel van opvattingen over
wat de juiste of beste wetenschap is, waar een wetenschappelijke theorie
aan moet voldoen en de manier waarop je zo’n theorie zou moeten
ontwikkelen respectievelijk confronteren met de sociale werkelijkheid. En
vaak over hoe je onderzoek ontwerpt. Twee voorbeelden: de empirisch
analytische benadering en de empirisch-interpretatieve benadering.
Theoretisch raamwerk: de collectie van concepten en hun onderlinge
samenhang die je wilt gebruiken in je onderzoek. Abstract en niet direct
waarneembaar.
Dataverzamelingsplan:
o Je geeft antwoord op de vraag wat voor data jij wilt verzamelen om
de verschijnselen waarvoor jij belangstelling hebt te onderzoeken in
de sociale werkelijkheid.
o Operationaliseren: hoe je abstracte theoretische concepten
waarneembaar of bevraagbaar wilt maken.
o Je beschrijft de aard van de data of de variabelen in je onderzoek
(zijn ze kwantitatief/kwalitatief, welk meetniveau hebben ze?)
Steekproefplan:
o Beschrijft bij welke eenheden je data wilt verzamelen en hoe je deze
eenheden (bv. mensen) identificeert en benadert om deel te nemen
aan je onderzoek.
Kanssteekproef wanneer je generaliserende uitspraken wilt
doen
Niet-kanssteekproef wanneer je de heterogeniteit in een
specifieke subpopulatie zo volledig mogelijk wilt beschrijven
zonder te generaliseren.
Data-analyseplan:
o Beschrijft hoe je de verzamelde data wilt analyseren.
o Voor kwantitatieve data geef je aan of je naast beschrijvende ook
toetsende statistiek gaat gebruiken, of welk type statisch model.
Rapportageplan:
o Hoe wil je je onderzoek met anderen delen, van probleemstelling tot
en met jouw antwoorden op de vraagstelling.
2.3 – Literatuuronderzoek: voorbereiding op het onderzoeksplan
, Literatuuronderzoek
o Verkennen van wat er al bekend is over het onderwerp van je keuze.
o Het doel is om dat je je vraagstelling, doelstelling en theoretisch
raamwerk beter geïnformeerd kunt kiezen.
o Denk aan:
Wat hebben eerdere onderzoekers gedaan; wat was hun
doelstelling, wie waren er allemaal bij betrokken etc.
Welke kennis ontbreekt nog…
2.4 – De probleemstelling
Vraagstelling: een overkoepelende vraag die je wilt beantwoorden en die
weergeeft wat je precies wilt onderzoeken.
o Hoofd- en deelvragen: de antwoorden op de deelvragen leiden naar
het antwoord op de gehele vraagstelling
o Beschrijvende vraagstellingen: wie of wat voor, welke, wanneer en
hoe(veel)…?
Bijv. Wat is het percentage mensen dat op zondag graag uitgaat
naar een horecagelegenheid?
Beschrijvende trend vraagstelling: wanneer twee tijdstippen
vergeleken worden.