Melissa Arissen
Hogeschool Rotterdam
,Inhoudsopgave
1. Een inleiding op praktijkonderzoek (21-57) ................................................................................. 2
2. Zorg- en welzijnsorganisaties als onderzoekscontext ................................................................ 5
3. Oriënteren (83-108) ........................................................................................................................ 7
4. Richten (109-128) ........................................................................................................................... 7
5.Plannen (131-169) ......................................................................................................................... 11
6.Verzamelen (171-220) ................................................................................................................... 15
7.Analyseren en concluderen (221-265) ........................................................................................ 19
8.Ontwerpen en innoveren (267-295) ............................................................................................. 21
9. Rapporteren en presenteren (297-321) ..................................................................................... 25
1
, 1. Een inleiding op praktijkonderzoek (21-57)
1.4.1 Validiteit (42-44)
Validiteit wil zeggen dat ik onderzoek wat ik wil onderzoeken. Streven naar een valide
onderzoek → invloeden die de uitkomsten van onderzoek bepalen zoveel mogelijk
herkennen en beschrijven.
Interne validiteit: verwijst naar kwaliteit van de planning en uitvoering onderzoek.
Anderson en Herr (1999)
Resultaatvaliditeit: de mate waarin gebeurtenissen optreden die leiden tot een oplossing van
het probleem dat de aanleiding vormde voor onderzoek. Validiteit wordt verhoogd als
onderzoek leidt tot een daadwerkelijke bruikbare oplossing v.h. praktijkprobleem.
Procesvaliditeit: mate waarin de aanpak en oplossing van problemen gebeurt op een wijze
die past bij het doorgaande leerproces van een werknemer/organisatie. Validiteit wordt
verhoogd als ik ervoor zorg dat de manier waarop ik mijn onderzoek aanpak, overeenkomt
met de wijze waarop werknemers in de organisatie normaliter ontwikkelingen in gang zetten.
Democratische validiteit: mate waarin het onderzoek is uitgevoerd in overleg met alle partijen
die een belang hebben in het te onderzoeken probleem. Validiteit verhoogd door in gesprek
te gaan met collega’s, cliënten etc.
Katalyserende validiteit: mate waarin het onderzoek erop gericht is professionals een beter
begrip te geven v.d. beroepspraktijk met het oog op verbetering in de toekomst. Validiteit
wordt verhoogd als betrokkenen het gevoel hebben beter zicht te hebben gekregen op de
processen die in de organisatie spelen.
Dialogische validiteit: mate waarin het onderzoek op systematische wijze kritisch gevolgd is
door collega’s of anderen. Validiteit wordt hoger als ik voldoende momenten van uitwisseling
heb met anderen (42-43).
Deze vijf vormen van validiteit bieden aanknopingspunten voor de vormgeving en evaluatie
zoekproces en onderzoeksresultaten.
Externe validiteit: geldigheid van de resultaten voor anderen buiten de context waarin
praktijkonderzoek is uitgevoerd.
Van belang bewustzijn reikwijdte uitspraken die ik doe in onderzoek.
1.4.2 Betrouwbaarheid (45-46)
Ernaar streven dat het onderzoek dezelfde onderzoeksresultaten oplevert als het wordt
herhaald of door iemand anders zou worden uitgevoerd. → Impliceert dat ik toevallige
verstoringen praktijkonderzoek zoveel mogelijk voorkom.
Bij verzamelen data invloed toevallige omstandigheden zoveel mogelijk beperken. Wanneer
samen met collega’s onderzoeksactiviteiten uitvoeren: alert zijn op dezelfde aspecten en dat
onderzoeksinstrumenten op dezelfde wijze worden gehanteerd.
2