Sociologie
H1: WAT IS SOCIOLOGIE
1.1 HET SOCIOLOGISCH PERSPECTIEF
Sociologie = een systematisch onderzoek van de menselijke samenleving
DE SOCIOLOGISCHE BRIL & SOCIOLOGISCH PERSPECTIEF
Sociologisch perspectief = het specifieke gezichtspunt van sociologie waarmee i/h leven en gedrag
v individuen algemene maatschappelijke patronen zichtbaar worden
Sociologische bril = Een bril waarmee we kunnen zien hoe de maatschappij en de ordening daarvan
het leven en gedrag van mensen beïnvloedt
Zet je vanzelf op in het buitenland
Berger geeft ons 2 technieken om de bril op te zetten
1) Generalisatie = Het algemene in het bijzondere zien (vb: naar unif gaan is bijzonder maar in
onze maatschappij best normaal)
Durkheim: zelfs uiterst persoonlijke handeling zoals zelfdoding is o.i.v. sociale factoren
2) Defamiliarisatie = Het vreemde in het bekende zien (vb: notities nemen tijdens les komt
vanzelf, maar is best vreemd)
Sociologische verbeelding (C Wrights Mills): de gave onszelf en anderen te zien als knooppunt v sociale
bindingen en maatschappelijke structuren die ons denken, handelen en dus leven
vormgeeft
Onze persoonlijke problemen verbinden met maatschappelijke issues (vb:
armoede…)
(Samen)leven is…
Leven op het kruispunt v meerdere sociale bindingen, verbanden of netwerken die het eigen
denken en doen vormgeven
Samenleven is ook leven temidden van ’afhankelijkheidsverhoudingen’ of een ‘web aan
interdependenties’.
De maatschappij: het geheel van alle sociale relaties, sociale afhankelijkheden sociale verbanden,
of sociale netwerken (vb: wij afhankelijk v prof, kotbaas, alma,…)
1.2 HET BELANG VAN EEN MONDIALE VISIE
Ontwikkelingen na WOII zorgen voor een mondiaal/ globaal perspectief
Mondiaal of globaal perspectief = het bestuderen vd wereld in zijn geheel en de plaats die onze
samenleving daarin inneemt
Globaal bewustzijn: positie v. onze samenleving i/d wereld beïnvloedt alle leden v/d samenleving
Hoge-inkomenslanden: rijkste landen met de hoogste algemene levensstandaard
Midden-inkomenslanden: landen met een levensstandaard die we in het geheel gemiddeld
noemen, veel ongelijkheid
Lage-inkomenslanden: sommige extreem rijken en veel / meeste extreem arme
1.3 HET SOCIOLOGISCH PERSPECTIEF IN DE PRAKTIJK
1
, Sociologie
1.4 ONTSTAAN VAN DE SOCIOLOGIE
Sociale veranderingen en sociologie:
Industrialisering: verandering van tradities in leefomgeving
Groei v. steden: mensen die v. platteland naar steden verhuisde kwamen i/e compleet andere
wereld terecht
Politieke veranderingen: minder God, meer eigenbelangen
Aandacht werd steeds meer op samenleving gericht
Sociologie en wetenschap: 3 fases volgens Comtes
1) Theologische fase (tot einde middeleeuwen): samenleving bracht Gods wil tot uiting
2) Metafysische fase (renaissance): samenleving werd als natuurlijk en niet als bovennatuurlijk
verschijnsel beschouwd
3) Wetenschappelijke fase
Comtes gebruikt wetenschappelijk onderzoek om inzichten te krijgen in samenleving
Positivisme = Inzicht verwerven o.b.v. wetenschappelijk onderzoek
1.5 SOCIOLOGIE EN DE MODERNE SAMENLEVING
Eind 18de – 19de eeuw: industrialisatie komt opgang sociologie gevorm
Modernisering / moderniteit = sociale veranderingsproces dat in gang is gezet door industrialisering
4 kenmerken v modernisering (Berger):
1) Verdwijnen v. kleine, traditionele gemeenschappen
2) Uitbreiding v. persoonlijke keuzemogelijkheden: door verdwijnen v. tradities gaan mensen meer
individualiseren
3) Grotere sociale diversiteit: door keuzemogelijkheden, steeds meer diversiteit
4) Oriëntatie o/d toekomst & een groeiend tijdsbewustzijn: klok werd geïntroduceerd
Modernisering volgens verschillende denkers:
Tönnies: Gemeinschaft (kleine menselijke gemeenschap) verdwijnt, Gesellschaft (sociale
betrekkingen tussen mensen zijn op eigenbelang gebaseerd) doet intrede
Durkheim: arbeidsverdeling:
Van mechanische solidariteit (iedereen verricht dezelfde werkzaamheden & hoort bij elkaar)
naar organische solidariteit (wederzijdse afhankelijkheid v. mensen die gespecialiseerde arbeid
verrichten)
Moderne samenleving w bijeengehouden door verschillen (iedereen heeft eigen taak)
Max Weber: rationalisering
Traditioneel wereldbeeld w vervangen door rationelere denkwijze
Traditionele waarheid: hoe de dingen altijd al zijn geweest
Rationele waarheid: waarde v. efficiëntie & rationele processen
De wereld is ‘onttoverd’, mensen twijfelen over vaststaande waarheden & hebben afstandelijk
wereldbeeld (bv. God)
Karl Marx: kapitalisme
Hij beschouwt industriële revolutie als kapitalistische revolutie
Tönnies, Durkheim & Weber hebben gelijk maar hij beschouwt deze aspecten als voorwaarden
voor het ontwikkelen v. kapitalisme
Kapitalisme onttrekt mensen a/h platteland (Tönnies), voor continue uitbreiding; fabrieken die
efficiënt willen werken hebben specialisten nodig (Durkheim); rationaliteit (Weber) komt tot
uiting door winsstreving v/h kapitalisme
2
, Sociologie
Neg. beeld over kapitalisme, pos. toekomstbeeld: hij geloofde dat kapitalistische samenleving
zou leiden tot revolutionaire verandering & maatschappelijke gelijkheid
Nota bene: modernisering is een onophoudelijk, mondiaal veranderingsproces, geen universeel
ontwikkelingsproces, modernisering geen normatief begrip
(Multiple Modernities)
Modernisering geen normatief begrip; Europese modernisering geworteld in uitbuiting in Europa en
gewelddadig kolonialisme daarbuiten
1.6 4 BASISVRAGEN VD SOCIOLOGIE
1) Hoe is de samenleving geordend & georganiseerd?
2) Hoe w het individuele beïnvloed door het maatschappelijke?
3) Hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk?
4) Hoe onderzoeken we dat allemaal op een wetenschappelijke manier?
Met deze vier vragen, en Berger’s twee technieken (generalisering en vervreemding) zetten we de
sociologische bril op met een sociologisch perspectief en trainen we onze sociologische verbeelding
H2: SOCIOLOGISCHE THEORIEËN EN METHODEN
3
, Sociologie
2.1 SOCIOLOGISCHE THEORIE
Theoretische benadering/ perspectief of paradigma = fundamenteel beeld v/d samenleving
dat als richtlijn dient voor theorie & onderzoek
‘Sterkte’ vd sociologische bril: Actorcentrisch (agency) of sociocentrisch (structuur) (bv.
sociocentrisch zou dit vak bekijken door naar de structurering v/d cursus bekijken, actorcentrisch
zou kijken naar wat de studenten doen/ praten met de studenten)
3 THEORETISCHE BENADERINGEN
1) STRUCTUREEL-FUNCTIONALISME
Grondleggers: Émile Durkheim (bekende franse socioloog), Herbert Spencer
Opvolgers: Talcott Parsons en Robert K. Merton
Zeer invloedrijk to 1970 nu nimeer
Sleutelwoorden: sociale structuur, sociale feiten, manifeste functies, latente functies, sociale
disfunctie, sociocentrisme
DE WORTELS VAN FUNCTIONALISM: DURKHEIM EN SOCIALE FEITEN
Durkheim: sociologie is de studie van sociale feiten
“De 1ste en meest fundamentele regel is de sociale feiten te beschouwen als dingen” (in Les règles
de la méthode sociologique, 1895)
Sociale feiten = afspraken die we met elkaar hebben, dingen die buiten onszelf bestaan zonder het
fysieke, dingen die ons handelen beïnvloedt
Sociale feiten hebben 3 karakters:
(1) bovenindividueel = niet uit onszelf gekomen
(2) voorgegeven = bestonden al voor wij geboren waren
(3) dwingend en structureren ons samenleven = als je er niet aan houdt, ‘sancties’
Thomas Theorema: als mensen situatie als echt beschouwen zijn ze ook echt in hun consequenties
4 basisvragen sociologie op deze theorie:
HOE IS DE SAMENLEVING GEORDEND EN GEORGANISEERD (EN WAAROM IS DIE ZO STABIEL)?
Functionalisme is geïnteresseerd in sociale orde, cohesie & stabiliteit
Sociale feiten bieden lijm voor sociale cohesie & orde
Gedifferentieerde maatschappij: systemen met functies
4
H1: WAT IS SOCIOLOGIE
1.1 HET SOCIOLOGISCH PERSPECTIEF
Sociologie = een systematisch onderzoek van de menselijke samenleving
DE SOCIOLOGISCHE BRIL & SOCIOLOGISCH PERSPECTIEF
Sociologisch perspectief = het specifieke gezichtspunt van sociologie waarmee i/h leven en gedrag
v individuen algemene maatschappelijke patronen zichtbaar worden
Sociologische bril = Een bril waarmee we kunnen zien hoe de maatschappij en de ordening daarvan
het leven en gedrag van mensen beïnvloedt
Zet je vanzelf op in het buitenland
Berger geeft ons 2 technieken om de bril op te zetten
1) Generalisatie = Het algemene in het bijzondere zien (vb: naar unif gaan is bijzonder maar in
onze maatschappij best normaal)
Durkheim: zelfs uiterst persoonlijke handeling zoals zelfdoding is o.i.v. sociale factoren
2) Defamiliarisatie = Het vreemde in het bekende zien (vb: notities nemen tijdens les komt
vanzelf, maar is best vreemd)
Sociologische verbeelding (C Wrights Mills): de gave onszelf en anderen te zien als knooppunt v sociale
bindingen en maatschappelijke structuren die ons denken, handelen en dus leven
vormgeeft
Onze persoonlijke problemen verbinden met maatschappelijke issues (vb:
armoede…)
(Samen)leven is…
Leven op het kruispunt v meerdere sociale bindingen, verbanden of netwerken die het eigen
denken en doen vormgeven
Samenleven is ook leven temidden van ’afhankelijkheidsverhoudingen’ of een ‘web aan
interdependenties’.
De maatschappij: het geheel van alle sociale relaties, sociale afhankelijkheden sociale verbanden,
of sociale netwerken (vb: wij afhankelijk v prof, kotbaas, alma,…)
1.2 HET BELANG VAN EEN MONDIALE VISIE
Ontwikkelingen na WOII zorgen voor een mondiaal/ globaal perspectief
Mondiaal of globaal perspectief = het bestuderen vd wereld in zijn geheel en de plaats die onze
samenleving daarin inneemt
Globaal bewustzijn: positie v. onze samenleving i/d wereld beïnvloedt alle leden v/d samenleving
Hoge-inkomenslanden: rijkste landen met de hoogste algemene levensstandaard
Midden-inkomenslanden: landen met een levensstandaard die we in het geheel gemiddeld
noemen, veel ongelijkheid
Lage-inkomenslanden: sommige extreem rijken en veel / meeste extreem arme
1.3 HET SOCIOLOGISCH PERSPECTIEF IN DE PRAKTIJK
1
, Sociologie
1.4 ONTSTAAN VAN DE SOCIOLOGIE
Sociale veranderingen en sociologie:
Industrialisering: verandering van tradities in leefomgeving
Groei v. steden: mensen die v. platteland naar steden verhuisde kwamen i/e compleet andere
wereld terecht
Politieke veranderingen: minder God, meer eigenbelangen
Aandacht werd steeds meer op samenleving gericht
Sociologie en wetenschap: 3 fases volgens Comtes
1) Theologische fase (tot einde middeleeuwen): samenleving bracht Gods wil tot uiting
2) Metafysische fase (renaissance): samenleving werd als natuurlijk en niet als bovennatuurlijk
verschijnsel beschouwd
3) Wetenschappelijke fase
Comtes gebruikt wetenschappelijk onderzoek om inzichten te krijgen in samenleving
Positivisme = Inzicht verwerven o.b.v. wetenschappelijk onderzoek
1.5 SOCIOLOGIE EN DE MODERNE SAMENLEVING
Eind 18de – 19de eeuw: industrialisatie komt opgang sociologie gevorm
Modernisering / moderniteit = sociale veranderingsproces dat in gang is gezet door industrialisering
4 kenmerken v modernisering (Berger):
1) Verdwijnen v. kleine, traditionele gemeenschappen
2) Uitbreiding v. persoonlijke keuzemogelijkheden: door verdwijnen v. tradities gaan mensen meer
individualiseren
3) Grotere sociale diversiteit: door keuzemogelijkheden, steeds meer diversiteit
4) Oriëntatie o/d toekomst & een groeiend tijdsbewustzijn: klok werd geïntroduceerd
Modernisering volgens verschillende denkers:
Tönnies: Gemeinschaft (kleine menselijke gemeenschap) verdwijnt, Gesellschaft (sociale
betrekkingen tussen mensen zijn op eigenbelang gebaseerd) doet intrede
Durkheim: arbeidsverdeling:
Van mechanische solidariteit (iedereen verricht dezelfde werkzaamheden & hoort bij elkaar)
naar organische solidariteit (wederzijdse afhankelijkheid v. mensen die gespecialiseerde arbeid
verrichten)
Moderne samenleving w bijeengehouden door verschillen (iedereen heeft eigen taak)
Max Weber: rationalisering
Traditioneel wereldbeeld w vervangen door rationelere denkwijze
Traditionele waarheid: hoe de dingen altijd al zijn geweest
Rationele waarheid: waarde v. efficiëntie & rationele processen
De wereld is ‘onttoverd’, mensen twijfelen over vaststaande waarheden & hebben afstandelijk
wereldbeeld (bv. God)
Karl Marx: kapitalisme
Hij beschouwt industriële revolutie als kapitalistische revolutie
Tönnies, Durkheim & Weber hebben gelijk maar hij beschouwt deze aspecten als voorwaarden
voor het ontwikkelen v. kapitalisme
Kapitalisme onttrekt mensen a/h platteland (Tönnies), voor continue uitbreiding; fabrieken die
efficiënt willen werken hebben specialisten nodig (Durkheim); rationaliteit (Weber) komt tot
uiting door winsstreving v/h kapitalisme
2
, Sociologie
Neg. beeld over kapitalisme, pos. toekomstbeeld: hij geloofde dat kapitalistische samenleving
zou leiden tot revolutionaire verandering & maatschappelijke gelijkheid
Nota bene: modernisering is een onophoudelijk, mondiaal veranderingsproces, geen universeel
ontwikkelingsproces, modernisering geen normatief begrip
(Multiple Modernities)
Modernisering geen normatief begrip; Europese modernisering geworteld in uitbuiting in Europa en
gewelddadig kolonialisme daarbuiten
1.6 4 BASISVRAGEN VD SOCIOLOGIE
1) Hoe is de samenleving geordend & georganiseerd?
2) Hoe w het individuele beïnvloed door het maatschappelijke?
3) Hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk?
4) Hoe onderzoeken we dat allemaal op een wetenschappelijke manier?
Met deze vier vragen, en Berger’s twee technieken (generalisering en vervreemding) zetten we de
sociologische bril op met een sociologisch perspectief en trainen we onze sociologische verbeelding
H2: SOCIOLOGISCHE THEORIEËN EN METHODEN
3
, Sociologie
2.1 SOCIOLOGISCHE THEORIE
Theoretische benadering/ perspectief of paradigma = fundamenteel beeld v/d samenleving
dat als richtlijn dient voor theorie & onderzoek
‘Sterkte’ vd sociologische bril: Actorcentrisch (agency) of sociocentrisch (structuur) (bv.
sociocentrisch zou dit vak bekijken door naar de structurering v/d cursus bekijken, actorcentrisch
zou kijken naar wat de studenten doen/ praten met de studenten)
3 THEORETISCHE BENADERINGEN
1) STRUCTUREEL-FUNCTIONALISME
Grondleggers: Émile Durkheim (bekende franse socioloog), Herbert Spencer
Opvolgers: Talcott Parsons en Robert K. Merton
Zeer invloedrijk to 1970 nu nimeer
Sleutelwoorden: sociale structuur, sociale feiten, manifeste functies, latente functies, sociale
disfunctie, sociocentrisme
DE WORTELS VAN FUNCTIONALISM: DURKHEIM EN SOCIALE FEITEN
Durkheim: sociologie is de studie van sociale feiten
“De 1ste en meest fundamentele regel is de sociale feiten te beschouwen als dingen” (in Les règles
de la méthode sociologique, 1895)
Sociale feiten = afspraken die we met elkaar hebben, dingen die buiten onszelf bestaan zonder het
fysieke, dingen die ons handelen beïnvloedt
Sociale feiten hebben 3 karakters:
(1) bovenindividueel = niet uit onszelf gekomen
(2) voorgegeven = bestonden al voor wij geboren waren
(3) dwingend en structureren ons samenleven = als je er niet aan houdt, ‘sancties’
Thomas Theorema: als mensen situatie als echt beschouwen zijn ze ook echt in hun consequenties
4 basisvragen sociologie op deze theorie:
HOE IS DE SAMENLEVING GEORDEND EN GEORGANISEERD (EN WAAROM IS DIE ZO STABIEL)?
Functionalisme is geïnteresseerd in sociale orde, cohesie & stabiliteit
Sociale feiten bieden lijm voor sociale cohesie & orde
Gedifferentieerde maatschappij: systemen met functies
4