Economie samenvatting Havo 4/5
Hoofdstuk 1: Schaarste en welvaart
Paragraaf 1.1
• Koopkracht is afhankelijk van het inkomen en de prijzen.
• RIC = NIC / PIC X 100
• Welvaart stijgt als je beter in je behoefte kunt voorzien. (Welvaart in ruime zin)
• Welvaart in enge zin wordt gemeten door de koopkracht.
• Schaarse goederen worden geproduceerd en hebben een prijs.
Paragraaf 1.2
• De behoefte zijn groter dan de middelen, dus keuzes maken en prioriteiten
stellen.
• Beschikbare middelen zijn op verschillende manieren
Te gebruiken, oftewel alternatief aanwendbaar.
Gedwongen olm keuzes te maken.
• Door keuzes krijg je ook te maken met
Opofferingskosten.
• Keuzes kunnen ook weergegeven worden door
Een budgetlijn.
Paragraaf 1.3
• Bijdrage aan de welvaart kan gedaan worden door arbeidsverdeling.
• Door mensen te laten specialiseren in een bepaalde taak zal de
arbeidsproductiviteit toenemen.
• Arbeidsverdeling maakt ruilen noodzakelijk.
• Bij ruil is er altijd sprake van transactiekosten.
Paragraaf 1.4
• Ruil wordt makkelijker wanneer geld gebruikt wordt.
Directe ruil: goederen – goederen
Indirecte ruil: goederen – geld – goederen
• Maatschappelijke geldhoeveelheid is al het geld in handen van het publiek.
− Chartaal geld is aan tastbaar en giraal niet.
− Geld heeft drie functies: Sparen, rekenen en ruilen.
, − Intrinsieke waarde is de waarde van het materiaal, extrinsieke waarde is de
waarde die erop geprint staat.
− Fiduciair geld, gebaseerd op vertrouwen.
Hoofdstuk 2: Consumentengedrag
Paragraaf 2.1
• Verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid, wordt weergegeven met de
vraagvergelijking ---> in een grafiek: de vraaglijn.
Vraaglijn toont de betalingsbereidheid van consumenten.
• Omzet = afzet x prijs
Paragraaf 2.2
• Verandering in consumentengedrag zorgt voor verandering in de vraaglijn
Prijsverandering zorgt voor verschuiving LANGS de lijn
Overige veranderingen (bijv inkomen) voor een verschuiving VAN de lijn.
• Verandering in consumentgedrag kan ook veroorzaakt worden door verandering
bij andere goederen.
Substitutie goederen vervangen elkaar (perziken en nectarines)
Complementaire goederen vullen elkaar aan (taart en slagroom)
Paragraaf 2.3
• Hoe sterk veranderd de gevraagde hoeveelheid als de prijzen veranderen?
Prijselasticiteit berekenen
Onderscheid maken in luxe, noodzakelijke en inferieure goederen
Volstrekt prijsinelastisch: veranderd de hoeveelheid niet bij een
prijsverandering.
• Ev = procentuele verandering vraag / procentuele verandering prijs
•
Paragraaf 2.4
, • De gevraagde hoeveelheid en het inkomen van consumenten hebben ook een
onderlinge relatie.
Inkomenselasticiteit van de vraag berekenen
• Ey = procentuele verandering van de vraag / procentuele verandering van het
inkomen
Hoofdstuk 3: producentengedrag
Paragraaf 3.1
• Afzet = hoeveelheid verkochte artikelen
• Omzet = totale geldbedrag, afzet x verkoopprijs
• Consumentenprijs = de verkoopprijs incl. BTW
Opbrenst
Afkorting Formule Betekenis
TO Pxq Totale omzet
GO TO : q Gemiddelde opbrengst
MO GO = MO = p Marginale opbrengst
Constante en variabele kosten
• Constante = veranderen nooit, heb je ook als je niet produceert. (Huur,
verzekering en vast personeel).
• Variabele = veranderen als er meer of minder geproduceerd wordt.
(Grondstoffen en flexpersoneel).
Afkorting Formule Betekenis
TK TCK + TVK, GTK x q Totale kosten
TCK TK –TVK, GCK x q Totale constante kosten
TVK TK – TVK, GVK x q Totale variabele kosten
GTK TK : q Gemiddelde totale kosten
GCK TCK : q Gemiddelde constante
kosten
GVK TVK : q Totale variabele kosten
MK GVK = MK Marginale kosten
Hoofdstuk 1: Schaarste en welvaart
Paragraaf 1.1
• Koopkracht is afhankelijk van het inkomen en de prijzen.
• RIC = NIC / PIC X 100
• Welvaart stijgt als je beter in je behoefte kunt voorzien. (Welvaart in ruime zin)
• Welvaart in enge zin wordt gemeten door de koopkracht.
• Schaarse goederen worden geproduceerd en hebben een prijs.
Paragraaf 1.2
• De behoefte zijn groter dan de middelen, dus keuzes maken en prioriteiten
stellen.
• Beschikbare middelen zijn op verschillende manieren
Te gebruiken, oftewel alternatief aanwendbaar.
Gedwongen olm keuzes te maken.
• Door keuzes krijg je ook te maken met
Opofferingskosten.
• Keuzes kunnen ook weergegeven worden door
Een budgetlijn.
Paragraaf 1.3
• Bijdrage aan de welvaart kan gedaan worden door arbeidsverdeling.
• Door mensen te laten specialiseren in een bepaalde taak zal de
arbeidsproductiviteit toenemen.
• Arbeidsverdeling maakt ruilen noodzakelijk.
• Bij ruil is er altijd sprake van transactiekosten.
Paragraaf 1.4
• Ruil wordt makkelijker wanneer geld gebruikt wordt.
Directe ruil: goederen – goederen
Indirecte ruil: goederen – geld – goederen
• Maatschappelijke geldhoeveelheid is al het geld in handen van het publiek.
− Chartaal geld is aan tastbaar en giraal niet.
− Geld heeft drie functies: Sparen, rekenen en ruilen.
, − Intrinsieke waarde is de waarde van het materiaal, extrinsieke waarde is de
waarde die erop geprint staat.
− Fiduciair geld, gebaseerd op vertrouwen.
Hoofdstuk 2: Consumentengedrag
Paragraaf 2.1
• Verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid, wordt weergegeven met de
vraagvergelijking ---> in een grafiek: de vraaglijn.
Vraaglijn toont de betalingsbereidheid van consumenten.
• Omzet = afzet x prijs
Paragraaf 2.2
• Verandering in consumentengedrag zorgt voor verandering in de vraaglijn
Prijsverandering zorgt voor verschuiving LANGS de lijn
Overige veranderingen (bijv inkomen) voor een verschuiving VAN de lijn.
• Verandering in consumentgedrag kan ook veroorzaakt worden door verandering
bij andere goederen.
Substitutie goederen vervangen elkaar (perziken en nectarines)
Complementaire goederen vullen elkaar aan (taart en slagroom)
Paragraaf 2.3
• Hoe sterk veranderd de gevraagde hoeveelheid als de prijzen veranderen?
Prijselasticiteit berekenen
Onderscheid maken in luxe, noodzakelijke en inferieure goederen
Volstrekt prijsinelastisch: veranderd de hoeveelheid niet bij een
prijsverandering.
• Ev = procentuele verandering vraag / procentuele verandering prijs
•
Paragraaf 2.4
, • De gevraagde hoeveelheid en het inkomen van consumenten hebben ook een
onderlinge relatie.
Inkomenselasticiteit van de vraag berekenen
• Ey = procentuele verandering van de vraag / procentuele verandering van het
inkomen
Hoofdstuk 3: producentengedrag
Paragraaf 3.1
• Afzet = hoeveelheid verkochte artikelen
• Omzet = totale geldbedrag, afzet x verkoopprijs
• Consumentenprijs = de verkoopprijs incl. BTW
Opbrenst
Afkorting Formule Betekenis
TO Pxq Totale omzet
GO TO : q Gemiddelde opbrengst
MO GO = MO = p Marginale opbrengst
Constante en variabele kosten
• Constante = veranderen nooit, heb je ook als je niet produceert. (Huur,
verzekering en vast personeel).
• Variabele = veranderen als er meer of minder geproduceerd wordt.
(Grondstoffen en flexpersoneel).
Afkorting Formule Betekenis
TK TCK + TVK, GTK x q Totale kosten
TCK TK –TVK, GCK x q Totale constante kosten
TVK TK – TVK, GVK x q Totale variabele kosten
GTK TK : q Gemiddelde totale kosten
GCK TCK : q Gemiddelde constante
kosten
GVK TVK : q Totale variabele kosten
MK GVK = MK Marginale kosten