Tentamen basiskennis > 4 maart 2021
Globale ontwikkelingsstadia
Lichamelijke ontwikkeling = ontwikkeling van het lichaam van foetus tot volwassenheid
(groei/spierkracht/zintuigen/motoriek)
Cognitieve ontwikkeling = het in toenemende mate in staat zijn tot het opnemen,
verwerken en weer opnieuw gebruiken van kennis
(waarnemen/denken/taal/bewustzijn/geheugen)
Seksuele ontwikkeling = ontwikkeling waarbij kinderen hun eigen lichaam leren
kennen en het ervaren van lichamelijk genot
(lichaam ontdekken/knuffelen/elkaar lief vinden)
Sociaal-emotionele ontwikkeling = de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid
(emoties/zelfbeeld/temperament/omgang met anderen)
Morele ontwikkeling = de ontwikkeling tussen goed en kwaad.
Gewetensontwikkeling. Interactie tussen opvoeder en kind
heeft grote rol.
Ontwikkelingstheoretische uitgangspunten
Bowlby = gehechtheidsgedrag
Gehechtheidsgedrag is volgens Bowlby instinctief, dus aangeboren. Wanneer een kind met 8 of 9
maanden nog geen gehechtheid heeft ontwikkeld, spreekt Bowlby van imprintfalen.
Hechtingsgedrag heeft vaste lijnen:
Sociaal reactief angst voor vreemden imprintproces en vormen van gehechtheidsnetwerk
Freud = psychoseksuele ontwikkeling
Fase 1: orale fase (0-1,5 jaar)
Auto-erotisch = plezierzuigen
Primair narcisme = kind is de eerste 6 maanden ‘objectloos’ en gericht op zichzelf
Fixatie = problemen met de lusten uit de betreffende fase. Ontstaat door
overmatige frustratie of bevrediging
Regressie = terugkeer naar een vroegere fase wensen
Fase 2: anale fase (1,5-3 jaar)
Anaal-expulsieve karakter = kinderen die zich doelbewust bevuilen als verzet tegen
“zindelijkheidstraining”
Anaal-compulsieve karakter = netheid, ordelijkheid, betrouwbaarheid als antwoord op de eisen
van ouders betreft “zindelijkheidstraining”
, Fase 3: fallische of oedipale fase (3-6 jaar)
Oedipale crisis = jongen verlangt seksueel naar de moeder, weet dat wensen onwenselijk zijn. Dit
conflict wordt opgelost door repressie = onderdrukken van seksuele gevoelens
Meisje is angstig voor het verlies van de liefde van ouders. Meisje onderdrukt haar gevoelens,
identificeert zich met de moeder en ontwikkelt een superego. Slaagt ze niet goed in het oplossen van
het oedipale conflict, dan ontstaat het mannelijkheidscomplex = het vermijden van mannen uit
angst.
Fase 4: latentiefase (6-11 jaar)
Agressieve/seksuele fantasieën zijn onderdrukt. Steeds meer kennis van seksualiteit.
Fase 5: puberteit (11 meisjes/13 jongens)
Belangrijkste levensopgave = zich vrij maken van de ouders
Ascetisme = afweren van fysiek genot
Intellectualisatie = de problemen van seksualiteit en agressie in abstracte, intellectuele
banen proberen te leiden door redenering.
Erikson = psychosociale ontwikkeling
Erikson werkte de stadia van Freud verder uit.
Jongvolwassenheid, volwassenheid en ouderdom werden toegevoegd.
Kinderen met een gebrek aan vertrouwen zullen bij moeilijkheden eerder regrediëren = het
teruggaan naar eerdere fasen.
Piaget = cognitieve ontwikkeling
Periode 1: sensomotorisch handelen = het zintuiglijk en motorisch handelen
egocentrisme (denken vanuit het eigen perspectief) is
belangrijk
Periode 2: pre operationeel denken = onsystematisch en onlogisch denken
animisme (levende en levenloze voorwerpen als
‘bezield’ zien) is belangrijk
Periode 3: concrete operaties = het systematisch en logisch denken
Periode 4: formele operaties = abstract en logisch-deductief denken
Niet iedereen bereikt het hoogste stadium.
De omgeving van het kind wordt vooral gezien als instrument voor de ontwikkeling. Ze voedt,
stimuleert en daagt het kind uit, maar kinderen bouwen zelf hun cognitieve structuren.
Globale ontwikkelingsstadia
Lichamelijke ontwikkeling = ontwikkeling van het lichaam van foetus tot volwassenheid
(groei/spierkracht/zintuigen/motoriek)
Cognitieve ontwikkeling = het in toenemende mate in staat zijn tot het opnemen,
verwerken en weer opnieuw gebruiken van kennis
(waarnemen/denken/taal/bewustzijn/geheugen)
Seksuele ontwikkeling = ontwikkeling waarbij kinderen hun eigen lichaam leren
kennen en het ervaren van lichamelijk genot
(lichaam ontdekken/knuffelen/elkaar lief vinden)
Sociaal-emotionele ontwikkeling = de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid
(emoties/zelfbeeld/temperament/omgang met anderen)
Morele ontwikkeling = de ontwikkeling tussen goed en kwaad.
Gewetensontwikkeling. Interactie tussen opvoeder en kind
heeft grote rol.
Ontwikkelingstheoretische uitgangspunten
Bowlby = gehechtheidsgedrag
Gehechtheidsgedrag is volgens Bowlby instinctief, dus aangeboren. Wanneer een kind met 8 of 9
maanden nog geen gehechtheid heeft ontwikkeld, spreekt Bowlby van imprintfalen.
Hechtingsgedrag heeft vaste lijnen:
Sociaal reactief angst voor vreemden imprintproces en vormen van gehechtheidsnetwerk
Freud = psychoseksuele ontwikkeling
Fase 1: orale fase (0-1,5 jaar)
Auto-erotisch = plezierzuigen
Primair narcisme = kind is de eerste 6 maanden ‘objectloos’ en gericht op zichzelf
Fixatie = problemen met de lusten uit de betreffende fase. Ontstaat door
overmatige frustratie of bevrediging
Regressie = terugkeer naar een vroegere fase wensen
Fase 2: anale fase (1,5-3 jaar)
Anaal-expulsieve karakter = kinderen die zich doelbewust bevuilen als verzet tegen
“zindelijkheidstraining”
Anaal-compulsieve karakter = netheid, ordelijkheid, betrouwbaarheid als antwoord op de eisen
van ouders betreft “zindelijkheidstraining”
, Fase 3: fallische of oedipale fase (3-6 jaar)
Oedipale crisis = jongen verlangt seksueel naar de moeder, weet dat wensen onwenselijk zijn. Dit
conflict wordt opgelost door repressie = onderdrukken van seksuele gevoelens
Meisje is angstig voor het verlies van de liefde van ouders. Meisje onderdrukt haar gevoelens,
identificeert zich met de moeder en ontwikkelt een superego. Slaagt ze niet goed in het oplossen van
het oedipale conflict, dan ontstaat het mannelijkheidscomplex = het vermijden van mannen uit
angst.
Fase 4: latentiefase (6-11 jaar)
Agressieve/seksuele fantasieën zijn onderdrukt. Steeds meer kennis van seksualiteit.
Fase 5: puberteit (11 meisjes/13 jongens)
Belangrijkste levensopgave = zich vrij maken van de ouders
Ascetisme = afweren van fysiek genot
Intellectualisatie = de problemen van seksualiteit en agressie in abstracte, intellectuele
banen proberen te leiden door redenering.
Erikson = psychosociale ontwikkeling
Erikson werkte de stadia van Freud verder uit.
Jongvolwassenheid, volwassenheid en ouderdom werden toegevoegd.
Kinderen met een gebrek aan vertrouwen zullen bij moeilijkheden eerder regrediëren = het
teruggaan naar eerdere fasen.
Piaget = cognitieve ontwikkeling
Periode 1: sensomotorisch handelen = het zintuiglijk en motorisch handelen
egocentrisme (denken vanuit het eigen perspectief) is
belangrijk
Periode 2: pre operationeel denken = onsystematisch en onlogisch denken
animisme (levende en levenloze voorwerpen als
‘bezield’ zien) is belangrijk
Periode 3: concrete operaties = het systematisch en logisch denken
Periode 4: formele operaties = abstract en logisch-deductief denken
Niet iedereen bereikt het hoogste stadium.
De omgeving van het kind wordt vooral gezien als instrument voor de ontwikkeling. Ze voedt,
stimuleert en daagt het kind uit, maar kinderen bouwen zelf hun cognitieve structuren.