Tentamenstof:
- Bedrijfskundige integraal: H6-10
Hoofdstuk 6
1. 'Het meten van het foutenpercentage op een productieafdeling' is een voorbeeld van:
a. organisatiesturing
b. preventieve sturing
c. corrigerende sturing
d. samenwerkingssturing
2. Beoordeel de volgende stelling.
Stelling: Corrigerende sturing is sturing achteraf en curatieve sturing geschiedt vooraf.
Juist / onjuist
3. Wat houdt solvabiliteit in?
a. De solvabiliteit geeft aan in welke mate een onderneming aan haar lopende
betalingsverplichtingen kan voldoen.
b. De solvabiliteit van een bedrijf geeft aan in hoeverre de investeringen van dat bedrijf door
het eigen vermogen worden gedekt.
c. Door de solvabiliteit te berekenen kan een bedrijf zien hoe het vermogen dat door de
aandeelhouders, banken en overige financiers is ingebracht rendeert.
d. Geen van de antwoorden is juist.
4. Wat is GEEN invalshoek bij de beschouwing van de organisatie via de BSC?
a. vanuit financieel perspectief
b. vanuit de interne processen
c. vanuit de afnemer
d. vanuit de toeleverancier
5. Management by Objectives houdt in:
a. doelen van fijn naar grof, van onderaf kijken naar de organisatie: individuele doelen,
afdelingsdoelen, bedrijfsdoelen
b. een waterval van doelen van grof naar fijn: bedrijfsdoelen, afdelingsdoelen, individuele
doelen
c. meer zeggenschap voor de personeelsleden in de organisatie
d. standaardisatie van werkprocessen
Hoofdstuk 7
6. Het omspanningsvermogen betreft het aantal mensen dat je aankunt als
leidinggevende. Waardoor wordt dit aantal NIET beïnvloed?
a.de omgeving en aard van het werk
b. persoonlijkheid van de leidinggevende
c. training van de ondergeschikten
d. concurrentie onder de leidinggevende onderling
, 7. Welke van de onderstaande beweringen is onjuist?
a. In matrixorganisaties vindt meestal snelle besluitvorming plaats en bestaat er
duidelijkheid met betrekking tot de verantwoordelijkheden.
b. In een matrixstructuur hebben medewerkers minimaal twee chefs.
c. Functionele relaties doorbreken de eenheid van bevel.
d. Secundaire processen worden vaak als stafdienst georganiseerd.
8. Als een werknemer meer taken (van hetzelfde niveau) in zijn functiepakket krijgt,
noemen we dat:
a. job rotation
b. job enrichment
c. job enlargement
d. job destruction
9. Het aantal ondergeschikten aan wie iemand direct leiding kan geven (dus alleen de
directe ondergeschikten in de laag onder de leidinggevende), wordt aangeduid met de
term:
a. spandiepte
b. spanwijdte
c. omspannningsvermogen
d. direct toezicht
10. We kennen vier bedrijfsindelingen, welke vier zijn dat?
a. functioneel (F), product (P), markt (M), geografisch (G)
b. functioneel (F), product (P), markt (M), beleid (B)
c. functioneel (F), markt (M), geografisch (G), kosten (K)
d. product (P), markt (M), geografisch (G), kosten (K)
11. Mintzberg heeft in onderzoeken bij honderden bedrijven zeven basisvormen voor
organisaties gevonden. Welke hoort hier NIET bij?
a. politieke organisatie
b. machineorganisatie
c. innovatieve organisatie
d. projectorganisatie
12. Een lijnorganisatie heeft verschillende voordelen. Welke van de onderstaande
antwoorden verwoordt een voordeel van de lijnorganisatie?
a. Er zijn relatief weinig leidinggevenden.
b. Er is sprake van meerdere lijnen van aansturing.
c. Er is snelle besluitvorming mogelijk.
d. Ook als het aantal lagen in de organisatie stijgt, kan men door de eenvoud van de
organisatie nog steeds snel tot besluitvorming komen.