Door
Daniël van Dam
4917189
Onderzoeksvoorstel Inleiding Sociaalwetenschappelijk Onderzoek
Klas: 104
Docent: Sofie Scheurwater
Datum: 12-12-2025
Aantal woorden: 2535
1
,Inhoudsopgave
1. Inleiding.............................................................................................................. 2
2. Theoretisch kader............................................................................................... 4
2.1. Conceptualisatie........................................................................................... 4
2.1.1. Conceptualisatie vertrouwen..................................................................4
2.1.2. Conceptualisatie politieke spectrum......................................................4
2.2. Literatuurstudie............................................................................................ 5
2.2.1. De rol van populisme............................................................................. 6
2.2.2. Het winner-loser effect...........................................................................6
2.3. Hypothesen.................................................................................................. 7
3. Methodologie...................................................................................................... 8
3.1. Onderzoeksontwerp..................................................................................... 8
3.2. Dataverzamelingsmethode..........................................................................8
3.3. Operationalisatie van onderzoekseenheden................................................8
3.4. Discussie...................................................................................................... 9
3.4.1. Betrouwbaarheid.................................................................................... 9
3.4.2. Validiteit................................................................................................. 9
Literatuurlijst........................................................................................................ 10
Gebruik van AI...................................................................................................... 13
1. Inleiding
Uit recente peilingen blijkt dat het vertrouwen van burgers in politieke en andere publieke instituties,
in Nederland, de afgelopen tijd is afgenomen (Keulemans, 2025). In de literatuur wordt institutioneel
2
,vertrouwen vaak omschreven als het vertrouwen dat burgers hebben in de betrouwbaarheid,
eerlijkheid, welwillendheid en competentie van instituties (Khodyakov 2007; Grimmelikhuijsen &
Knies, 2015). Een afname in institutioneel vertrouwen kan ervoor zorgen dat de steun voor de
democratische rechtsstaat afneemt, ook kan het leiden tot verlies van legitimiteit en gezag van
instituties binnen de rechtsstaat (Ondersteuningsnetwerk Maatschappelijke Onrust, z.d.).
Tegelijkertijd is het niet altijd duidelijk hoe het zit met het vertrouwen bij specifieke organisaties
binnen het Nederlandse staatsbestel. Bestaand onderzoek richt zich vooral op het vertrouwen in
vertegenwoordigende instituties zoals de Tweede Kamer, de regering of politieke partijen (van der
Meer & den Ridder 2025). Over het vertrouwen in adviserende instituties, zoals de Raad van State, is
daarentegen weinig onderzoek gedaan. Dat vormt een belangrijke lacune, zeker gezien de toegenomen
maatschappelijke en politieke aandacht voor de onafhankelijkheid en legitimiteit van dit soort
instituties. Daarnaast is het wetenschappelijk relevant vanwege de tegenstrijdige verhalen in de
bestaande literatuur, daar later meer over in het theoretisch kader. Het onderzoek is ook
maatschappelijk relevant omdat de Raad van State een belangrijke rol heeft bij wetgevingsprocessen.
Wanneer burgers weinig vertrouwen hebben in een adviesorgaan dat naar de rechtmatigheid en
kwaliteit van wetten kijkt, kan dit ervoor zorgen het draagvlak voor nieuwe wetten en de
democratische rechtsstaat afneemt.
De focus van dit onderzoeksvoorstel ligt dus op het vertrouwen in de Raad van State. De Raad van
State is een van de Hoge Colleges van Staat en heeft daarmee een belangrijke plek in het Nederlandse
staatsbestel. De afdeling Advisering adviseert de regering en het parlement over wetgeving en bestuur.
Deze adviserende rol is de afgelopen tijd regelmatig onderwerp van gesprek geweest. Zo kreeg de
Raad van State veel media-aandacht na een aantal kritische adviezen over wetsvoorstellen van het
kabinet. Daarnaast waren er politici, zoals BBB-leider Caroline van der Plas, die zelfs de
onafhankelijkheid van de Raad in twijfel trokken (NOS, 2025).
Het doel van dit onderzoek is om meer inzicht te krijgen in hoe burgers adviesorganen binnen de
overheid beoordelen en in welke mate hun politieke voorkeur daarbij een rol speelt. De politieke
positie van burgers is hierbij relevant om te onderzoeken, omdat eerdere kritiek op de Raad van State
vooral vanuit een specifieke politieke hoek kwam. Dit wijst erop dat het vertrouwen in de Raad van
State mogelijk verschilt tussen politieke groepen.
Dit leidt tot de volgende onderzoeksvraag: In hoeverre hangt het vertrouwen in de Raad van State
samen met de positie van burgers op het politieke spectrum?
3
,2. Theoretisch kader
2.1. Conceptualisatie
In dit onderzoek staan twee begrippen centraal, institutioneel vertrouwen en de plaats van burgers op
het politieke spectrum. Om duidelijk te maken wat deze begrippen in dit onderzoek precies betekenen,
worden beide variabelen in dit deel uitgelegd.
2.1.1. Conceptualisatie vertrouwen
Eerst het begrip institutioneel vertrouwen. In dit onderzoeksvoorstel wordt institutioneel
vertrouwen opgevat volgens de theorie van Grimmelikhuijsen en Knies (2015). Wanneer een burger
naar een overheidsorganisatie kijkt, beoordeelt hij/zij deze vaak op drie belangrijke punten die samen
bepalen hoeveel vertrouwen hij/zij heeft in een overheidsorganisatie. De eerste is waargenomen
competentie. Dit gaat over de indruk die de burger heeft over hoe capabel, effectief, vaardig en
professioneel de organisatie is. Kortom, worden de taken goed uitgevoerd. Het tweede criterium is
waargenomen welwillendheid. Dit gaat over of de burger gelooft dat de organisatie om het welzijn van
het publiek geeft en in het algemeen belang handelt. Het laatste criterium gaat over waargenomen
integriteit. De burger beoordeelt of de organisatie oprecht is, de waarheid vertelt en haar beloften
nakomt. In andere woorden, zijn ze eerlijk en betrouwbaar in hun communicatie en acties
(Grimmelikhuijsen & Knies, 2015).
2.1.2. Conceptualisatie politieke spectrum
Het tweede begrip gaat over de plaats van burgers op het politieke spectrum. Hierbij wordt vaak
een onderscheid gemaakt tussen twee onderdelen: de tegenstelling tussen progressief en conservatief,
en de tegenstelling tussen links en rechts (Steyn, 2025).
Conservatisme wordt vaak gezien als een ideologie die gericht is op het behoud van bestaande
maatschappelijke structuren en waarden. Volgens Fisher (2011) hecht een conservatief persoon zich
aan zogenoemde traditionele waarden en is doorgaans terughoudend ten opzichte van ingrijpende of
radicale (beleids)veranderingen. Conservatieve kiezers hechten dus veel waarde aan stabiliteit. Ze
verwachten dat medeburgers zich aan bepaalde regels houden, maar ook dat politici zich gedragen
volgens een soort ‘code van goed gedrag’. Dit omvat waarden zoals dienstbaarheid aan het land,
morele integriteit en bescherming van de familie als hoeksteen van de samenleving. Daarnaast verzet
het conservatisme zich vaak tegen herverdeling van economische middelen, zoals inkomens- of
machtsverdeling. Ook zijn conservatieven vaak tegen gelijkwaardigheid van levensstijlen die afwijken
van traditionele normen. In het politieke spectrum valt deze ideologie meestal onder de rechterzijde.
De scheiding tussen links en rechts heeft vooral te maken met de economische standpunten van
politieke partijen. Rechts verwijst hierbij naar partijen die zichzelf typeren als conservatief,
christendemocratisch of breder rechts georiënteerd (Fisher, 2011; Hauge, et al, 2019).
4
, Progressivisme wordt vaak omschreven als een ideologie die zich inzet voor een eerlijkere
samenleving en het verminderen van ongelijkheid. Deze ideologie kwam op in de late 19e eeuw als
reactie op groeiende ongelijkheid door industrialisatie. Tegenwoordig bestaat de progressieve politiek
uit een grote en diverse verzameling van ideeën en bewegingen. Denk aan het bevorderen van
economische gelijkheid, meestal door middel van herverdelingsbeleid en uitgebreide sociale
voorzieningen. Ook vinden ze het versterken van burgers tegenover machtige spelers belangrijk.
Progressieve partijen pleiten daarom meestal voor het reguleren van kapitaal, bedrijven en instituties.
Daarmee willen ze ook de democratische controle vergroten. Tegelijkertijd streven progressieve
bewegingen naar een inclusieve samenleving, waarin ongelijkheden op basis van gender, ras, klasse,
seksualiteit of migratiestatus sterk bestreden worden. Progressieve politiek gaat vooral om het willen
veranderen van de samenleving, zelfs als dat ingaat tegen bestaande machtsverhoudingen of
traditionele normen. In het politieke spectrum wordt progressieve politiek meestal verbonden met de
linkerzijde. Links verwijst hierbij naar partijen die worden omschreven als communistisch,
socialistisch, sociaaldemocratisch of andere brede linkse bewegingen (Mattoni, 2025).
De afbeelding hieronder laat zien hoe het politieke spectrum in Nederland is ingedeeld.
Kieskompas (2025) plaatst partijen op een links–rechts as en op een conservatief–progressieve as,
zodat je kunt zien waar de verschillende partijen ongeveer voor staan.
Het politieke landschap in Nederland (Kieskompas, 2025)
2.2. Literatuurstudie
Er is in de wetenschap al uitgebreid onderzoek gedaan naar de relatie tussen de plek van burgers op
het politieke spectrum en de mate van institutioneel vertrouwen. Deze onderzoeken laten echter
tegenstrijdige beelden zien.
Zo laat de studie van Devos et al. (2002) zien dat er een sterke correlatie is tussen persoonlijke
waarden en vertrouwen in instituties. Uit dit onderzoek blijkt dat er een positieve verband is tussen
waarden als veiligheid, traditie en macht, terwijl waarden als zorg voor anderen, persoonlijke
autonomie en levensgenot een negatief verband hebben met institutioneel vertrouwen. Waarden zoals
5