3.1 Ontstaan van eukaryoten
• Horizontale gen transfer
• Instulpen van membranen (bv.: ER en nucleaire enveloppe)
• Opname van andere cellen (verrijkt door endosymbiose met kenmerken van Bacteria)
→ de huidige eukaryoten zijn dus ontstaan door het knippen en plakken van DNA en organellen van
verschillende species
Endosymbionten
• Eigen DNA + ribosomen + proteïnesynthese
• Groot deel van DNA is overgegaan naar kern van gastheer
• Mitochondriën
o < purperbacterie
o Delen door splijting
o Dubbele membraan
• Chloroplasten
o < cyanobacterie
o Dubbele membraan
o Soms secundair ingevoegd → meer dan 2 membranen
De Eukaryoten onderscheiden zich van de Prokaryoten door de aanwezigheid van
1) Functionele cytoplasmatische organellen
2) De nucleaire enveloppe
3) Een cytoskelet (tubuline + actine → beweging cel)
4) Kern met genetisch materiaal
,3.2 Kenmerken
• Niet monophyletisch + GEEN rijk → parafyletisch
• Protisten =alle niet-plant, -dier,- fungi eukaryoten
• Komen unicellulair voor, koloniaal en in multicellulaire groepen
Celoppervlak: veel variaties
• Plasmamembraan + extracellulaire matrix
• Een echte celwand
• Een silica schelp
• Enkel een plasmamembraan (bv.: Amoeba)
Cyste vorming
• = slapende vorm van een cel
• Resistente buitenste beschermende laag
• Celmetabolisme volledig stilgelegd
• Bv.: parasitaire amoebe cyste resistent tegen maagzuur
Voortbeweging: flagella, pseudopodia, axopodia, cilia, filopodia
Voeding:
• Fototroof – fotosynthese
• Heterotroof:
o Fagotroof voedselvacuole of fagosoom (+ lysosoom)
o Osmotroof opname van voedsel in vloeibare vorm
• mixotroof (maar niet chemoautotroof)
Voortplanting:
• Asexueel
o Mitose van kern dan splijting, budding, schizogonie
o Eerst meerdere kerndelingen, dan celdeling
• Sexueel (minderheid):
o Meiose, productie van haploïde gameten en versmelting tot diploïde zygote
o Variatie via recombinatie
, 3.3 Excavata
Diplomonada
• 2 aparte kernen (diplo)
• Unicellulair
• Mastigontsystemen (= zweepsysteem): 1-4 flagella
• Zonder mitochondriën
• Eenvoudiger cytoskelet dan andere eukaryoten
• Parasieten of commensalen
Commensaal: een organisme leeft dicht bij of op een ander organisme en heeft hier voordeel bij zonder dat de
gastheer nadeel ondervindt .
• Giardia lamblia
o Diarree en slechte darmabsorptie
o Meestal symptoomloos
o Gevaarlijk bij patiënten met verzwakt immuunsysteem
o Besmetting: via cysten in met faeces besmet voedsel of drinkwater
o Cysten doden: drogen of koken
Parabasalia
(Trichomonada)
• Flagella: golvende membraan voor voortbeweging
• Symbionten of parasieten.
Symbiont: beide voordeel of gastheer geen nadeel en symbiont voordeel
• Trichomonas vaginalis
o = parasiet van het urogenitale stelsel
o Veroorzaakt door trichomoniasis = enige pathogene vorm = SOA
o Kan bijdragen in overdracht HIV
o Symptomen mannen
▪ Prostaat/bijballen/urineleiders geinfecteerd
▪ Hevige jeuk aan de penis en urine met een vieze geur
o Symptomen vrouwen
▪ Eileiders geïnfecteerd
▪ Hevige jeuk aan de vagina
▪ Schuimende groengele urine met vieze geur
▪ Pijn aan de schaamlippen
o Trichomonas hominis → darm.
o Trichomonas tenax (buccalis) → mond.