Les 1: inleiding
Uitgangspunt: Wetenschap is, ondanks zijn tekortkomingen, de superieure
vorm van kennis.
SWIM: sociale wetenschap is mensenwerk. Wetenschap wordt gemaakt in
een sociale context. De wetenschap weerspiegelt de samenleving.
Wetenschappelijke kennis ontwikkelt zich in een maatschappelijke context
die het wetenschappelijke proces beïnvloedt. Omgekeerd probeert
wetenschap natuurlijk iets aan de maatschappij bij te dragen, of het zou
een tamelijke elitaire, irrelevante activiteit in een ivoren toren blijven.
Status van wetenschap:
Hoe serieus wordt wetenschappelijke kennis genomen door de
samenleving?
Sociale wetenschappen worden minder serieus genomen dan extacte
wetenschappen.
Voorbeeld: coronacrisis. Hoe serieus worden de wetenschappelijke
bevindingen genomen? Sommige mensen vonden het ‘een griepje’ en
sociale wetenschappers niet gevraagd bij outbreak managementteam.
Mensen hebben relatief veel vertrouwen in de wetenschap.
Nederland dreigt van high-trust naar low-trust society te gaan.
Post-truth society:
- Pre-modernistische maatschappij: kennis is een gegeven (dmv bijv.
religie).
- Modernistisch maatschappij: kennis wordt gevonden (dmv
onderzoek).
- Postmodernistische maatschappij: kennis wordt gemaakt (kennis is
subjectief, constructivistische visie).
- Post-postmoderne society: kennis als een maakbaar product. Wat jij
vindt wordt niet bepaald door wat waar is, maar wat wordt
doorgespeeld door zoekmachines. Relaties met onderzoek verdwijnt.
Definitie van wetenschap:
,Wetenschap is de min of meer systematische zoektocht naar kennis door
experts, die reageren op eerdere kennis en hun ideeën met anderen delen.
In hoeverre is sociale wetenschap een wetenschap?:
Extacte wetenschappen kunnen harde regels en wetten maken. Sociale
wetenschap kan dit niet, omdat:
- Mensen verschillen van elkaar en zijn complex.
- Achtergrondvariabelen
- De variabelen die er worden meegenomen bestaan ook nog eens uit
verschillende variabelen.
Les 2: institutionalisering
Wetenschap is geïnstitutionaliseerd. Het lijkt vanzelfsprekend voor zowel
wetenschappers als mensen buiten de wetenschap.
Instituties: bevroren antwoorden op terugkomende, fundamentele vragen.
Je hebt grote instituties bijv. rechtstaat en kleine instituties bijv.
vuilnisophaal.
Burger en Luckmann over institutionalisering:
- Bouwen voort op de ideeën van Thomas theorem: Als mensen
betekenis geven aan een situatie en die ervaren ze als werkelijk, dan
gaan ze hiernaar handelen. Maar mensen kunnen wel verschillende
betekenissen geven aan een situatie (intersubjectieve duiding vd
wereld).
- Sociale orde is alleen mogelijk als de uitkomst van menselijke
activiteit.
- Die menselijke activiteit is onderworpen aan gewoontevorming.
- Institutionalisering vindt plaats wanneer de gewoontevorming met
de verschillende gedragingen van verschillende actoren wederzijds
erkend worden.
- Institutionalisering is pas compleet als deze wordt doorgegeven aan
anderen dan degenen die de institutie gevormd hebben. Er is het
gevoel nodig dat iets altijd al zo geweest is. Het wordt ervaren als
objectief feit.
Het socialiseren van instituties gebeurt door:
- Sancties: bestraffen of belonen van mensen die zich volgens die
institutie gedragen.
- Symbolen: bijv. woorden, taal, kleding
- Rollen: typen actoren met een bepaalde, gemeenschappelijke kennis
van die institutie.
,Institutionalisering is ook op de VU zichtbaar in collegeroosters,
examenregelingen, een logo, een dies natalis (stichtingsdatum),
enzovoort.
Andere termen die met institutionalisering te maken hebben:
discursive regime (Foucault), habitus (Bourdieu), hegemonie (Gramsci),
epistemic culture (= de manier waarop je onderzoek doet) (Knorr-Cetina),
generatie (Mannheim).
Institutionalisering van de wetenschappelijke disciplines:
Ze bewaken hun bestaansrecht. Elke discipline bewaakt hun ‘gebied’ en
onderwerpen.
Elk van deze disciplines is ontstaan uit Griekse filosofie:
Deze zijn geïnstitutionaliseerd.
Agnotology: Het gebrek aan kennis. Sommige kennis wordt niet naar
gezocht of genegeerd. Dit is ook de uitkomst van een sociaal proces.
Bruno latour:
Macht: Dit concept mist in de uitleg van Burger en Luckmann. Instituties
zijn ook mogelijk gemaakt door macht en overtuigingskracht.
Een theorie die door de ene gemeenschap algemeen wordt aanvaard, kan
door een andere gemeenschap geheel worden verworpen. Het creëren van
een theorie is dus grotendeels een kwestie van het overtuigen van een
gemeenschap ervan dat de theorie past en bruikbaar is voor haar
doeleinden. Geloven mensen dat iets zo is?
Wetenschap is chaotisch en rommelig. Wetenschappers willen ‘de zwarte
doos’ niet openen. Kijk kritisch naar wetenschap.
Of iets een feit is of twijfelachtig ligt aan de manier waarop het wordt
gepresenteerd door anderen. Het is intersubjectief.
Positieve modaliteiten: zinnen die een statement wegleiden van de
productievoorwaarden, waardoor het solide genoeg wordt. Iets wordt een
hard feit.
Negatieve modaliteiten: zinnen die een verklaring in de andere richting
leiden naar de productievoorwaarden en die in detail verklaren waarom
deze solide of zwak is. Iets wordt meer kritisch bekeken.
, Les 3: institutionalisering van de sociologie
Drie grondleggers van de hedendaagse sociologie:
- Karl Marx
- Emile Durkheim
- Max Weber
Bepaalde individuen hebben bewust gestreefd naar de institutionalisering
van sociologie en bewust deze discipline op de kaart te zetten.
Durkheim:
Heeft sociologie op de kaart gezet.
Studie van Durkheim : Le suicide / Suicide: A study in sociology (1897).
Toont sociale patronen aan in zelfdoding.
Soorten zelfdoding:
Egoïstische zelfmoord : Door eigen
elende. Meest bekende vorm.
Altrustric zelfmoord : Verwacht van de
samenleving. Bijv. IS strijders bij
bombardementen.
Danomische zelfmoord : de zekerheden in de samenleving vallen weg.
Bijv. Na beurskrach.
Fatalistische zelfmoord : Je leven wordt zo gereguleerd, dat je beslist jezelf
te doden. Bijv. Enorme druk door werk.
Studie van Durkheim : De la division du travail social, The division of labor
in society (1893)
Hoe ontstaat er sociale orde ? Hoe kun je sociale orde krijgen ?
Mechanische solidariteit : Een situatie waarin er weinig sociale verschillen
zijn.
Organische socialidariteit : In een industriële samenleving. Wel een
taakverdeling. Samen zorgt het dat de maatschappij functioneert.