Boek: Moderne wiskunde
,Herhaling voor dit hoofdstuk
- Combinatie: Een manier om objecten te kiezen waarbij de volgorde niet belangrijk is.
𝑡𝑜𝑡𝑎𝑎𝑙
• Formule → (𝑔𝑒𝑘𝑜𝑧𝑒𝑛 )
5
• Simpel voorbeeld: Je kiest 2 leerlingen uit 5. → (2) = 10 combinaties mogelijk.
• Grafische rekenmachine: Math → PROB → klik op 3 → het totaal typ je links en
het aantal gekozen rechts.
, 7.1
• Gebeurtenis—> Een uitkomst of een aantal uitkomsten.
• Relatieve frequentie (= experimentele kans)—> een getal (breuk, decimaal of
percentage) dat aangeeft hoe vaak een gebeurtenis voorkomt ten opzichte van het totaal.
Je berekent dit door de absolute frequentie (hoe vaak iets gebeurt) te delen door het totaal
aantal waarnemingen.
Simpel voorbeeld:
Je gooit 10 keer met een dobbelsteen. Het getal 6 komt 2 keer.
- Experimentele kans op een 6 = 2 ÷ 10 = 0,2 (20%)
Kansen kun je aangeven met procenten, maar vaak wordt gekozen voor een getal tussen 0 en
13
1. In plaats van 'de kans is 13%' of 'de kans is 13 op 100' zeg je: 'De kans is of 0,13'.
100
• Toevalsgetallen (randomgetallen) zijn willekeurige getallen tussen 0 en 1
(bijvoorbeeld: 0,62 of 0,205).
Een computer of rekenmachine gebruikt deze getallen om een kans-experiment na te spelen.
Dit heet simuleren.
Zo werkt het:
1. Je spreekt eerst een kans af (bijvoorbeeld 0,3).
2. De computer of rekenmachine maakt een toevalsgetal tussen 0 en 1.
3. Is het toevalsgetal kleiner dan de kans? → het gebeurt.
4. Is het toevalsgetal groter of gelijk aan de kans? → het gebeurt niet.
Voorbeeld:
Kans = 0,3
Toevalsgetal = 0,205 → dit is kleiner dan 0,3 → het gebeurt.
Toevalsgetal = 0,618 → dit is groter dan 0,3 → het gebeurt niet.
Simuleren op grafische rekenmachine (TI-84 plus CE-T phython edition):
- Math → prob → optie 1 (rand) → enter.