Leerdoelen – Week 1
Je kunt omschrijven wat ‘filosofie’ is.
Filosofie is het in twijfel trekken van zaken die eigenlijk vanzelfsprekend zijn. Het is anders dan
empirisch onderzoek, je probeert namelijk niks te verklaren, je streeft juist naar inzicht. Hierbij is het
van belang om kritisch na te denken om zo de wereld op een dieper level te begrijpen. Filosofische
vragen ontstaan wanneer het vertrouwde wegvalt, wanneer zaken niet meer vanzelfsprekend lijken
word je dus gestimuleerd om hierover na te denken bijvoorbeeld: normaal denk je niet eens na bij
het lopen over een vloer in een gebouw, maar de glazenvloer in de London bridge -> niet op durven
te lopen want vertrouwen valt weg. Verwondering over of de vloer wel stevig is ontstaan.
- Vraagtekens zetten bij dat wat vanzelfsprekend lijkt.
- Zeker wanneer een model of een visie op grenzen stuit
- Dan kritisch kijken naar de veronderstellingen (het onderliggende kader analyseren)
- Het resultaat is dan een redelijk verworven inzicht en begrip
Je begrijpt waarom filosofie van belang is voor de pedagogische wetenschappen.
Filosofie is van belang voor de pedagogische wetenschappen omdat het van belang is dit in het
werkveld toe te passen. Het draait natuurlijk om kinderen en het is belangrijk dat dit zo goed
mogelijk gebeurd. Hiervoor is het dus van belang om niet alles zo maar als waarheid aan te nemen,
en dus actief kwesties in twijfel te trekken. De pedagogische wereld staat niet stil, door zaken
kritisch te benaderen kan dit leiden tot meer inzicht en begrip in bepaalde onderwerpen, waardoor
de pedagogiek zich steeds verder ontwikkeld. Filosofische kwesties binnen de pedagogiek zijn
bijvoorbeeld:
- Gaat het om scholing of vorming?
- Gaat onderwijs altijd uit van bepaalde waarden
- Biedt pedagogiek verklaring of juist inzicht
- Hoe wordt onze identiteit gevormd
- Wat is opvoeden eigenlijk
Je kent het hoofdkenmerk van respectievelijk (i) de filosofie van Oudheid en middeleeuwen, (ii) de
filosofie van de Moderne Tijd en (iii) de filosofie van de Hedendaagse Tijd.
Deze geschiedenis kun je grofweg in 3 tijdvakken indelen
- Oudheid en middeleeuwen (ware werkelijkheid in stabiele universele en kenbare principes ->
filosofen willen weten hoe de werkelijkheid tot op het diepste punt in elkaar zit. In deze tijd
wordt de bijbel gezien als bron van waarheid, men zoekt deze waarheid dus buiten henzelf
om.
o Belangrijkste Griekse filosofen:
Socrates
Plato
Aristoteles
, o Belangrijkste westerse middeleeuwse filosofen:
Augustinus
Thomas van Aquino
- Moderne tijd: waarheid ligt binnen het denken van de mens, de waarheid ontrafelt zich door
goed en rationeel over iets nadenken. Het subject (het mens) staat Central
o Belangrijkste filosofen:
Descartes
Hume
Kant
Rousseau
- Hedendaagse tijd: hangt de waarheid niet af van het perspectief? En wordt het niet voor een
belangrijk deel bepaald door niet te beheersen krachten en machten. (Omgeving en
(financiële) situatie spelen ook mee in bepalen of je abortus mag plegen). Decentrering van
het subject omgeving en externe krachten staan centraal.
o Filosofen
Sartre en Foucault
Freud en Lacan
Levinas
Ricoeaur
Je hebt basale kennis van het argumenteren (claim, gronden, geldigheid en waarheid).
Voorwaarden waar een betoog aan moet voldoen:
- Gronden en claim passen bij elkaar ik vind haar niet aardig want ze deed gemeen, niet: ik
vind haar niet aardig want ik ga naar school
- Geldigheid van argumentatie of redenering dit is zo wanneer de claim uit de gronden
volgt (als de gronden kloppen, klopt de claim ook).
- Waarheid van argumentatie of redenering is waar wanneer de gronden overeenstemmen
met standen van zaken in de werkelijkheid. (Fact checken van argumenten)
Je kunt vooronderstellingen in een pedagogisch betoog herkennen en formuleren (zie de opdracht
over het onderscheid tussen een ‘deskundige leerkracht’ en een ‘meesterlijke leerkracht’).
In de discussie tussen een ‘deskundige leerkracht’ en een ‘meesterlijke leerkracht’ gaat het vaak om
het verschil tussen technische expertise (de deskundige leerkracht) en pedagogisch leiderschap (de
meesterlijke leerkracht). De deskundige meester geeft les met veel respect voor zijn vak en laat zien
dat hij zijn kennis goed beheerst, en streeft ernaar zijn expertise steeds verder uit te breiden. Bij
meditatie draait het vooral om de overeenstemming tussen iemands handelingen en gedachten, en
om in hoeverre iemand zijn best doet om ervoor te zorgen dat dit zo veel mogelijk met elkaar
overeenstemt. De meesterlijke meester is nauw betrokken bij de leerling en wil hen graag
ondersteunen in hun persoonlijke groei.
, Leerdoelen – Week 2
Je kent verschillende antwoorden op de vraag ‘Wie is de eerste filosoof’?
Vier verschillende opvattingen van wie is de eerste filosoof:
1. Van mythos (symbolische verhalen) naar logos (rationele verklaringen). Mythische verhalen
over goden en helden waren de eerste vorm van filosofie, hierin gaat het niet alleen om
vermaak maar ook om het kunnen verklaren. Dit ging over in het logisch redeneren en dus
een nieuwe manier van verklaren vinden. Maaar we spreken van mythologie
(mythos=symbolisch, logos=rationeel verklaren). Ook filosofen gebruiken soms mythen. Het
is dus niet zo heel duidelijk te onderscheiden.
1. Onderscheidende kenmerken: bij het stellen van de mythe werd de bestaande orde
(het bestaan van de goden etc) niet ter discussie gesteld, bij logos is dit wel het geval
2. Logos & ‘theoria’ → ‘afstandelijk en belangeloos waarnemen en beschrijven van de
werkelijkheid, los van praktijk.
2. De Mileziers: dit waren rijke zeemachten met veel vrije tijd -> vrije tijd heb je nodig om te
kunnen filosoferen. Zij zouden de eerste physici zijn: denkers die alles herleiden tot
eenvoudige en onpersoonlijke beginselen, maar dus niet aan de hand van godsdienst.
1. Thales: alles is voortgekomen uit water
2. Anaximander: alles komt voort uit het onbepaalde (water is ontstaan uit iets wat
daar weer achterligt?)
3. Anaximenes: alles is eigenlijk hetzelfde, lucht, water en ijs zijn dezelfde stoffen maar
met andere dichtheid.
Dit zouden de eerste filosofen zijn omdat ze vertrouwen op de ratio (argumenten,
intellectuele orde en kwaliteit over kwantiteit) Ook zoeken ze naar de natuurlijke oorzaken
van dingen. Tot slot abstraheren ze van de concrete werkelijkheid (wereld achter de
verschijnselen als verklaring)
3. Pythagoras: zoekt niet naar een stoffelijk oerbeginsel maar naar de oerwet -> getalsmatige
verhoudingen. Hij was waarschijnlijk de eerste die zich echt een filosoof noemde. Hij vroeg
altijd door en nam geen genoegen met pasklare antwoorden.
4. Misschien is Socrates wel de eerste filosoof want hij laat (als eerste?) zien dat het
vanzelfsprekende bevraagd moet worden en dat de waarheid ertoe doet (je kunt niet maar
van alles beweren → gevaar: relativisme: belangrijk is dat het klopt.
Je kunt uitleggen wat een ‘Socratisch gesprek’ is en dit toepassen op een vraag uit de Pedagogiek.
Socratisch gesprek: gezamenlijk vragen oplossen door middel van gesprek.
Inzichten verwerf je door zelf na te denken (je krijgt het niet voorgeschoteld) in het gesprek wordt
een vraag gesteld, men verzint voorbeelden, analyseren van ervaringen. Opsporen van tegenspraken
door vooronderstellingen, achtergronden en aannames te onderzoeken. Het resultaat is dat je gaat
twijfelen aan je eigen overtuigingen, dit is nodig om de ‘drempel’ weg te nemen. Hierdoor ga je juist
opzoek naar hoe het dan wel zit. Voorbeeldvraag: moeten kinderen verplicht worden om huiswerk
te maken?