Basisvaardigheden Technisch Onderzoek
Fotografie + vasthouden camera en het vastleggen van
sporen
a. Stromingen binnen de fotografie
Creatieve fotografie:
gericht op emoties en indrukken.
Voorbeelden: portretten, mode, evenementen, reclame, persfotografie.
Zakelijke fotografie:
richt zich op feiten en het object zelf.
Voorbeelden: product- en vastgoedfotografie.
b. Forensische fotografie
Forensisch betekent: ten behoeve van de rechtspraak (dus ook
onderzoeken bij commissies of raden).
In een onderzoek worden foto’s genomen om objectief bewijs te
verzamelen en duidelijk de feiten weer te geven. Dit type fotografie wordt
daarom forensisch genoemd.
Fotografie wordt gebruikt als hulpmiddel in een onderzoek wanneer
woorden niet genoeg zijn om de situatie duidelijk te beschrijven of als de
feiten mogelijk worden betwist. Belangrijk is dat alles van belang wordt
gefotografeerd voordat de situatie of het object wordt veranderd.
c. Kenmerken van forensische foto’s:
Objectief: juiste verhoudingen, controleerbaar, reproduceerbaar.
Neutraal: niet emotioneel geladen.
Gefocust: feitelijk en duidelijk.
d. Onderwerpen:
Subjecten: aanwezigheid van mensen in plaats en tijd, kenmerken van
een persoon (signalement), verwondingen.
Objecten: aanwezigheid van voorwerpen en stoffen in plaats en tijd,
kenmerken van een object, schade.
Posities: houding of plaats van mensen en voorwerpen.
Condities: Zichtbare kenmerken van een object of situatie die informatie
geven over omgevingsfactoren, zoals kleur, structuur, uitstulpingen, reliëf
en patronen.
e. Werkomstandigheden: binnen of buiten
gecontroleerd (stilstaand) of geïmproviseerd (dynamisch), alle
weersomstandigheden.
f. Materiaal: digitale spiegelreflexcamera, statief, diverse objectieven,
lichtmeters, grijs- en kleurenkaarten.
,Ongecontroleerde omstandigheden (dynamisch):
Alleen een camera gebruiken, bij voorkeur een digitale
spiegelreflexcamera.
Indien nodig kunnen meerdere camera’s en verschillende lenzen gebruikt
worden.
Gecontroleerde omstandigheden (statisch):
Digitale spiegelreflexcamera met diverse lenzen.
Gebruik van statief, pvc-achtergronden, grijs- en kleurenkaart, lampen,
lichtmeter en hulpmiddelen zoals linialen, pijlen of lasers.
Beschikbare camera: Nikon D60
Techniek
a. Soorten camera’s:
Zoekercamera’s:
klein en compact, kijkt direct door een klein kijkgaatje
in de camera naar het onderwerp, hulpzoeker,
tussenspiegeltje waarmee je handmatig kan
scherpstellen, helder zoekerbeeld, maakt geen geluid.
nadelen: parallax (je ziet net iets anders dan de
werkelijkheid, omdat er een afstand is tussen het
objectief en de zoeker), weinig keuze in lezen.
Spiegelreflexcamera’s: spiegel – weerspiegelt op matglas
in spiegelbeeld
prisma – draait het beeld om
oculair – waar je doorheen kijkt
Bij het maken van een foto klapt de spiegel omhoog zodat
licht op de sensor valt; tijdens dat moment kun je niets zien
door de zoeker.
Voordelen: grote keuze uit lenzen, beeld in de zoeker komt
precies overeen met het uiteindelijke beeld.
Nadelen: spiegel klapt op en maakt geluid, zoekerbeeld is iets donkerder door het
matglas, camera is vrij groot
Balgcamera’s:
achterkant en voorkant los van mekaar, technisch,
verstelmogelijkheden
nadelen: één foto per keer, zwaar toestel.
Opnameformaat: kleinbeeld (24x36 mm), midden- en
grootformaat.
, b. Sluitertijd (s): tijd dat licht op sensor valt → bepaalt de duur van de
belichting.
De sluiter bepaalt hoe lang de sensor of film wordt belicht. Bij
spiegelreflexcamera’s zit de sluiter in de body (rechthoekig vlak achter de
spiegel), bij midden- en grootformaatcamera’s in het objectief (deze is rond en
noem je een centraalsluiter). Analoge camera’s gebruiken meestal mechanische
sluiters, digitale vaak elektronische.
waarden zijn bijvoorbeeld:
1 s – 1/2 – 1/4 – 1/8 – 1/15 – 1/30 – 1/60 – 1/125 – 1/250 – 1/500 – 1/1000 –
1/2000.
Het verschil tussen twee vaste waarden is één stop: een verdubbeling of
halvering van de hoeveelheid licht. Tussen elke vaste waarde zitten twee
tussenstops, wat samen drie stappen per stop maakt.
c. Diafragmawaarden (F) (stand A op camera): opening in lens, bepaalt
hoeveelheid licht. Klein getal → grote opening.
Het diafragma zit altijd in het objectief en bepaalt hoeveel licht
binnenkomt. Hoe kleiner het f-getal, hoe groter de opening. Het getal geeft
de verhouding weer tussen de lensopening en de afstand tot de sensor.
Het grootste diafragma is de lichtsterkte van je toestel. (bijv. f/3.5–5.6).
Vaste waarden zijn:
1 – 1.4 – 2 – 2.8 – 4 – 5.6 – 8 – 11 – 16 – 22 – 32
Elke stap is één stop verschil: halvering of verdubbeling van de
hoeveelheid licht.
d. Objectieven:
Een objectief is een stelsel van lenzen, niet hetzelfde als één lens. De
brandpuntafstand bepaalt de beeldhoek, en de diameter beïnvloedt de
lichtsterkte.
Objectieven (bij full-frame formaat 24×36 mm) worden ingedeeld in:
1. Supergroothoek (13–20 mm)
2. Groothoek (24–35 mm)
3. Standaard (40–60 mm)
4. Tele (75–300 mm)
5. Supertele (400–5000 mm)
Vaste objectieven (één brandpunt) geven scherpere beelden dan
zoomobjectieven (variabel brandpunt).
(Super)groothoek: veel verschil tussen voor- en achtergrond (groot op de
voorgrond, klein op de achtergrond) veel scherptediepte, sterke
perspectiefwerking, dynamisch beeld.
Fotografie + vasthouden camera en het vastleggen van
sporen
a. Stromingen binnen de fotografie
Creatieve fotografie:
gericht op emoties en indrukken.
Voorbeelden: portretten, mode, evenementen, reclame, persfotografie.
Zakelijke fotografie:
richt zich op feiten en het object zelf.
Voorbeelden: product- en vastgoedfotografie.
b. Forensische fotografie
Forensisch betekent: ten behoeve van de rechtspraak (dus ook
onderzoeken bij commissies of raden).
In een onderzoek worden foto’s genomen om objectief bewijs te
verzamelen en duidelijk de feiten weer te geven. Dit type fotografie wordt
daarom forensisch genoemd.
Fotografie wordt gebruikt als hulpmiddel in een onderzoek wanneer
woorden niet genoeg zijn om de situatie duidelijk te beschrijven of als de
feiten mogelijk worden betwist. Belangrijk is dat alles van belang wordt
gefotografeerd voordat de situatie of het object wordt veranderd.
c. Kenmerken van forensische foto’s:
Objectief: juiste verhoudingen, controleerbaar, reproduceerbaar.
Neutraal: niet emotioneel geladen.
Gefocust: feitelijk en duidelijk.
d. Onderwerpen:
Subjecten: aanwezigheid van mensen in plaats en tijd, kenmerken van
een persoon (signalement), verwondingen.
Objecten: aanwezigheid van voorwerpen en stoffen in plaats en tijd,
kenmerken van een object, schade.
Posities: houding of plaats van mensen en voorwerpen.
Condities: Zichtbare kenmerken van een object of situatie die informatie
geven over omgevingsfactoren, zoals kleur, structuur, uitstulpingen, reliëf
en patronen.
e. Werkomstandigheden: binnen of buiten
gecontroleerd (stilstaand) of geïmproviseerd (dynamisch), alle
weersomstandigheden.
f. Materiaal: digitale spiegelreflexcamera, statief, diverse objectieven,
lichtmeters, grijs- en kleurenkaarten.
,Ongecontroleerde omstandigheden (dynamisch):
Alleen een camera gebruiken, bij voorkeur een digitale
spiegelreflexcamera.
Indien nodig kunnen meerdere camera’s en verschillende lenzen gebruikt
worden.
Gecontroleerde omstandigheden (statisch):
Digitale spiegelreflexcamera met diverse lenzen.
Gebruik van statief, pvc-achtergronden, grijs- en kleurenkaart, lampen,
lichtmeter en hulpmiddelen zoals linialen, pijlen of lasers.
Beschikbare camera: Nikon D60
Techniek
a. Soorten camera’s:
Zoekercamera’s:
klein en compact, kijkt direct door een klein kijkgaatje
in de camera naar het onderwerp, hulpzoeker,
tussenspiegeltje waarmee je handmatig kan
scherpstellen, helder zoekerbeeld, maakt geen geluid.
nadelen: parallax (je ziet net iets anders dan de
werkelijkheid, omdat er een afstand is tussen het
objectief en de zoeker), weinig keuze in lezen.
Spiegelreflexcamera’s: spiegel – weerspiegelt op matglas
in spiegelbeeld
prisma – draait het beeld om
oculair – waar je doorheen kijkt
Bij het maken van een foto klapt de spiegel omhoog zodat
licht op de sensor valt; tijdens dat moment kun je niets zien
door de zoeker.
Voordelen: grote keuze uit lenzen, beeld in de zoeker komt
precies overeen met het uiteindelijke beeld.
Nadelen: spiegel klapt op en maakt geluid, zoekerbeeld is iets donkerder door het
matglas, camera is vrij groot
Balgcamera’s:
achterkant en voorkant los van mekaar, technisch,
verstelmogelijkheden
nadelen: één foto per keer, zwaar toestel.
Opnameformaat: kleinbeeld (24x36 mm), midden- en
grootformaat.
, b. Sluitertijd (s): tijd dat licht op sensor valt → bepaalt de duur van de
belichting.
De sluiter bepaalt hoe lang de sensor of film wordt belicht. Bij
spiegelreflexcamera’s zit de sluiter in de body (rechthoekig vlak achter de
spiegel), bij midden- en grootformaatcamera’s in het objectief (deze is rond en
noem je een centraalsluiter). Analoge camera’s gebruiken meestal mechanische
sluiters, digitale vaak elektronische.
waarden zijn bijvoorbeeld:
1 s – 1/2 – 1/4 – 1/8 – 1/15 – 1/30 – 1/60 – 1/125 – 1/250 – 1/500 – 1/1000 –
1/2000.
Het verschil tussen twee vaste waarden is één stop: een verdubbeling of
halvering van de hoeveelheid licht. Tussen elke vaste waarde zitten twee
tussenstops, wat samen drie stappen per stop maakt.
c. Diafragmawaarden (F) (stand A op camera): opening in lens, bepaalt
hoeveelheid licht. Klein getal → grote opening.
Het diafragma zit altijd in het objectief en bepaalt hoeveel licht
binnenkomt. Hoe kleiner het f-getal, hoe groter de opening. Het getal geeft
de verhouding weer tussen de lensopening en de afstand tot de sensor.
Het grootste diafragma is de lichtsterkte van je toestel. (bijv. f/3.5–5.6).
Vaste waarden zijn:
1 – 1.4 – 2 – 2.8 – 4 – 5.6 – 8 – 11 – 16 – 22 – 32
Elke stap is één stop verschil: halvering of verdubbeling van de
hoeveelheid licht.
d. Objectieven:
Een objectief is een stelsel van lenzen, niet hetzelfde als één lens. De
brandpuntafstand bepaalt de beeldhoek, en de diameter beïnvloedt de
lichtsterkte.
Objectieven (bij full-frame formaat 24×36 mm) worden ingedeeld in:
1. Supergroothoek (13–20 mm)
2. Groothoek (24–35 mm)
3. Standaard (40–60 mm)
4. Tele (75–300 mm)
5. Supertele (400–5000 mm)
Vaste objectieven (één brandpunt) geven scherpere beelden dan
zoomobjectieven (variabel brandpunt).
(Super)groothoek: veel verschil tussen voor- en achtergrond (groot op de
voorgrond, klein op de achtergrond) veel scherptediepte, sterke
perspectiefwerking, dynamisch beeld.