: 2
•••
,
Onderdelen:
• De gezonde cel 3
o Microscopische technieken 3
o Diversiteit in celvorm 3
o Celmembraan 3
o Celorganellen 4
• Genexpressie 5
o Enzymen 5
o DNA en eiwitproductie 5
o Eiwitrouting 7
• Cellulaire besluitvorming 8
o Receptoren 8
o Celgedrag 10
• Van cel naar weefsel 13
o Embryologie 13
o Basisweefsels 16
• Genetica 22
o Mitose en meiose 22
o Genoomvariatie 23
o Overerving 25
• Gedrag en gezondheid 27
o Symptoomperceptiemodel 27
o Gedragsverandering 29
o Geheugen 29
o Placebo en nocebo 30
• Maatschappij en gezondheid 31
o Samenleving 31
o Preventie 32
,2
,Ontwikkeling van een weefselpreparaat in stappen: Soorten microscopie:
1. Fixatie in formaline • Lichtmicroscopie (LM):
2. Dehydratie d.m.v. alcohol o Brightfield-LM: geen kleuring of optische trucs (wei-
3. Toevoegen van xyleen nig zichtbaar)
4. Inbedden in parafine o Fasecontrast-LM: variaties in licht en donker o.b.v.
5. Coupes snijden brekingsverschillen
6. Deparaffineren o Fluorescentie-LM: kleur door fluorescerende antili-
7. Rehydratie chamen
8. Kleuring toevoegen ▪ Confocale laser scanning-LM: 3D-beeld van se-
Soorten kleuring: rie coupes
• HE-kleuring: • Elektronenmicroscopie (EM):
o Hematoxyline: zuur = blauw o Transmissie-EM: interne structuur zichtbaar door
o Eosine: basisch = rood contrastmiddelen
• PAS-kleuring: toont glycogeen aan o Immuno-EM: interne structuur zichtbaar door goud-
Vorm en inhoud van microscopische beelden zijn afhan- bolletjes
kelijk van: o Scanning-EM: 3D-beeld van de oppervlakte van
• Grootte van het object t.o.v. de dikte van de coupe weefsels
• Verloop van de coupe t.o.v. de vorm van het object
Conclusies van celtheorie:
• Levend organisme bestaat uit minimaal 1 cel • Hoeveelheid cytoplasma:
• Cel bepaalt de structuur van een organisme o Veel: translationeel en transcriptief actief (eiwitsyn-
• Cellen ontstaan uit cellen these)
Eigenschappen bepalend voor de vorm van cellen: o Weinig: inactief (trigger kan voor activatie zorgen)
• Locatie en functie • Aantal kernen:
• Vertakkingen: vorming intercalairschijven d.m.v. des- o Meerkernig: veel eiwitproductie en weinig/geen
mosomen potentiële delingscapaciteit
• Uitlopers: overdracht van signalen o Kernloos: gespecialiseerde, eenzijdige functie
(bloedplaatjes en erythrocyten)
Onderdelen van het celmembraan: Functies van membraanlipiden:
• Membraanlipiden: vooral fosfolipiden • Barrière vormen
o Kopgroep: geladen/hydrofiel • Vloeibaarheid (V) van het membraan beïnvloeden:
o 2 vetzuren: ongeladen/hydrofoob o Lengte vetzuurstaarten (L): L↑ → V↓
• Membraaneiwitten o Aantal dubbele bindingen (D): D↑ → V↑
o Cholesterolgehalte (C): C↑ → V↓
• Herkenningssignalen vormen:
o Glycolipide (kop van suiker naar extracellulaire
ruimte)
o Fosfatidylserine (kop in cytosol): fagocytose
o Koolhydraatketens (buitenkant membraan): be-
scherming, binding en celherkenning
3
, Membraaneiwitten ontvangen, vertalen, versterken en
integreren signalen, zodat cellen adequaat kunnen rea-
geren op veranderingen in het extracellulaire milieu. Ze
spelen een rol in transport.
Soorten transport op basis van energieverbruik:
• Passief: met gradiënt mee (kost geen energie)
o Kanaal: diffusie (ionen en O2/CO2)
o Transporter: vormverandering door binding (glu-
cose/aminozuren)
• Actief: tegen gradiënt in (kost energie: ATP → ADP + Pi
+ energie)
o Uniport: 1 stof
o Symport: 2 stoffen in 1 richting
o Antiport: 2 stoffen in tegenovergestelde richting
Soorten transporters:
• Integraal eiwit: diep in dubbellaag
• Perifeer eiwit: gebonden aan membraanvetten en in-
tegrale eiwitten
• Transmembraaneiwit: door laag heen
Een organel is een subcompartiment binnen een eukary- Soorten blaasjestransport:
ote cel met een specifieke functie. Veel organellen wor- • Endocytose: opname in een cel
den omgeven door een membraan. o Fagocytose: opname en afbraak van vaste deel-
Soorten celorganellen: tjes (fago(lyso)soom: blaasje met gefagocyteerde
• Endoplasmatisch reticulum (ER): transport van prote- bacteriën)
inen naar celmembraan of organellen, detoxificatie, o Pinocytose: opname en afbraak van vloeistoffen
Ca2+-opslag en vetsynthese o Autofagie: opname en afbraak van celeigen com-
o Glad ER: geen ribosomen ponenten
o Ruw ER: ribosomen gebonden • Exocytose: afgifte door een cel
• Ribosomen: eiwitproductie (translatie) o Constitutieve secretie: continue, geleidelijke afgifte
o Vrij: niet aan ER gebonden o Gereguleerde secretie: stimuli zorgen voor éénma-
o ER-gebonden lige, totale afgifte
• Nucleus (kern): bevat DNA, transcriptie en aanmaak
-
ribosomen (nucleolus)
• Golgi-apparaat: modificeren, sorteren en verpakken
van eiwitten en lipiden
• Lysosomen: blaasjes met veel enzymen die oude mo-
leculen afbreken
• Mitochondriën: ATP-productie (oxidatieve fosforyle-
ring), regulatie van apoptose en Ca2+-opslag
• Peroxisomen: detoxificatie (H2 + O2 → H2O2) ••
• Cytoskelet:
o Microfilamenten (actine): celdynamiek
o Microtubuli: eiwittransport
o Intermediaire filamenten: opvulling en stevigheid
• Cytosol: gelachtige vloeistof waarin celorganellen lig-
gen
4
•••
,
Onderdelen:
• De gezonde cel 3
o Microscopische technieken 3
o Diversiteit in celvorm 3
o Celmembraan 3
o Celorganellen 4
• Genexpressie 5
o Enzymen 5
o DNA en eiwitproductie 5
o Eiwitrouting 7
• Cellulaire besluitvorming 8
o Receptoren 8
o Celgedrag 10
• Van cel naar weefsel 13
o Embryologie 13
o Basisweefsels 16
• Genetica 22
o Mitose en meiose 22
o Genoomvariatie 23
o Overerving 25
• Gedrag en gezondheid 27
o Symptoomperceptiemodel 27
o Gedragsverandering 29
o Geheugen 29
o Placebo en nocebo 30
• Maatschappij en gezondheid 31
o Samenleving 31
o Preventie 32
,2
,Ontwikkeling van een weefselpreparaat in stappen: Soorten microscopie:
1. Fixatie in formaline • Lichtmicroscopie (LM):
2. Dehydratie d.m.v. alcohol o Brightfield-LM: geen kleuring of optische trucs (wei-
3. Toevoegen van xyleen nig zichtbaar)
4. Inbedden in parafine o Fasecontrast-LM: variaties in licht en donker o.b.v.
5. Coupes snijden brekingsverschillen
6. Deparaffineren o Fluorescentie-LM: kleur door fluorescerende antili-
7. Rehydratie chamen
8. Kleuring toevoegen ▪ Confocale laser scanning-LM: 3D-beeld van se-
Soorten kleuring: rie coupes
• HE-kleuring: • Elektronenmicroscopie (EM):
o Hematoxyline: zuur = blauw o Transmissie-EM: interne structuur zichtbaar door
o Eosine: basisch = rood contrastmiddelen
• PAS-kleuring: toont glycogeen aan o Immuno-EM: interne structuur zichtbaar door goud-
Vorm en inhoud van microscopische beelden zijn afhan- bolletjes
kelijk van: o Scanning-EM: 3D-beeld van de oppervlakte van
• Grootte van het object t.o.v. de dikte van de coupe weefsels
• Verloop van de coupe t.o.v. de vorm van het object
Conclusies van celtheorie:
• Levend organisme bestaat uit minimaal 1 cel • Hoeveelheid cytoplasma:
• Cel bepaalt de structuur van een organisme o Veel: translationeel en transcriptief actief (eiwitsyn-
• Cellen ontstaan uit cellen these)
Eigenschappen bepalend voor de vorm van cellen: o Weinig: inactief (trigger kan voor activatie zorgen)
• Locatie en functie • Aantal kernen:
• Vertakkingen: vorming intercalairschijven d.m.v. des- o Meerkernig: veel eiwitproductie en weinig/geen
mosomen potentiële delingscapaciteit
• Uitlopers: overdracht van signalen o Kernloos: gespecialiseerde, eenzijdige functie
(bloedplaatjes en erythrocyten)
Onderdelen van het celmembraan: Functies van membraanlipiden:
• Membraanlipiden: vooral fosfolipiden • Barrière vormen
o Kopgroep: geladen/hydrofiel • Vloeibaarheid (V) van het membraan beïnvloeden:
o 2 vetzuren: ongeladen/hydrofoob o Lengte vetzuurstaarten (L): L↑ → V↓
• Membraaneiwitten o Aantal dubbele bindingen (D): D↑ → V↑
o Cholesterolgehalte (C): C↑ → V↓
• Herkenningssignalen vormen:
o Glycolipide (kop van suiker naar extracellulaire
ruimte)
o Fosfatidylserine (kop in cytosol): fagocytose
o Koolhydraatketens (buitenkant membraan): be-
scherming, binding en celherkenning
3
, Membraaneiwitten ontvangen, vertalen, versterken en
integreren signalen, zodat cellen adequaat kunnen rea-
geren op veranderingen in het extracellulaire milieu. Ze
spelen een rol in transport.
Soorten transport op basis van energieverbruik:
• Passief: met gradiënt mee (kost geen energie)
o Kanaal: diffusie (ionen en O2/CO2)
o Transporter: vormverandering door binding (glu-
cose/aminozuren)
• Actief: tegen gradiënt in (kost energie: ATP → ADP + Pi
+ energie)
o Uniport: 1 stof
o Symport: 2 stoffen in 1 richting
o Antiport: 2 stoffen in tegenovergestelde richting
Soorten transporters:
• Integraal eiwit: diep in dubbellaag
• Perifeer eiwit: gebonden aan membraanvetten en in-
tegrale eiwitten
• Transmembraaneiwit: door laag heen
Een organel is een subcompartiment binnen een eukary- Soorten blaasjestransport:
ote cel met een specifieke functie. Veel organellen wor- • Endocytose: opname in een cel
den omgeven door een membraan. o Fagocytose: opname en afbraak van vaste deel-
Soorten celorganellen: tjes (fago(lyso)soom: blaasje met gefagocyteerde
• Endoplasmatisch reticulum (ER): transport van prote- bacteriën)
inen naar celmembraan of organellen, detoxificatie, o Pinocytose: opname en afbraak van vloeistoffen
Ca2+-opslag en vetsynthese o Autofagie: opname en afbraak van celeigen com-
o Glad ER: geen ribosomen ponenten
o Ruw ER: ribosomen gebonden • Exocytose: afgifte door een cel
• Ribosomen: eiwitproductie (translatie) o Constitutieve secretie: continue, geleidelijke afgifte
o Vrij: niet aan ER gebonden o Gereguleerde secretie: stimuli zorgen voor éénma-
o ER-gebonden lige, totale afgifte
• Nucleus (kern): bevat DNA, transcriptie en aanmaak
-
ribosomen (nucleolus)
• Golgi-apparaat: modificeren, sorteren en verpakken
van eiwitten en lipiden
• Lysosomen: blaasjes met veel enzymen die oude mo-
leculen afbreken
• Mitochondriën: ATP-productie (oxidatieve fosforyle-
ring), regulatie van apoptose en Ca2+-opslag
• Peroxisomen: detoxificatie (H2 + O2 → H2O2) ••
• Cytoskelet:
o Microfilamenten (actine): celdynamiek
o Microtubuli: eiwittransport
o Intermediaire filamenten: opvulling en stevigheid
• Cytosol: gelachtige vloeistof waarin celorganellen lig-
gen
4