1
Pedagogische wetenschappen – bachelor jaar 1 – Inleiding in de
pedagogiek (opvoeding
Opgroeien in het hedendaagse gezin
Hoofdstuk 1 – Wat is gezinspedagogiek?
1.1 Inleiding
- Ouders hebben sterk het gevoel dat zij verantwoordelijk zijn voor de
uitkomsten van hun opvoeding. Er is over de loop van tijd echter discussie
ontstaan over de rol van het gezin in de opvoeding. Edward Shorter
stichtte in de jaren ’70 een nieuwe onderzoeksdiscipline op: de
gezinsgeschiedenis.
- Uit onderzoek blijkt dat het ‘traditionele gezin’ (vader, moeder, enkele
kinderen) overgaat in het ‘moderne gezin’: minder stabiliteit, omdat het in
stand blijven van partnerrelaties niet langer vanzelfsprekend is, en door
toenemende individualiteit.
- In hoeverre hebben de gezinsvormen invloed op de ontwikkeling van
kinderen, en in hoeverre bepalen ouders de ontwikkeling van hun kinderen
überhaupt?
1.2 Pedagogiek als aparte discipline
- De eerste beroemde pedagogen waren eigenlijk filosofen. Rousseau zorgde
mede voor de ‘ontdekking van het kind’ doordat hij de eigenheid van het
kind benadrukte. Hieruit ontstond de reformbeweging, dat zich richtte op
het kind, met name in het onderwijs.
- Vanaf de 20e eeuw werden psychische problemen als een mogelijk gevolg
gezien van een ongunstig leefmilieu (woonomstandigheden, armoede),
i.p.v. dat dit werd gezocht in lichamelijke aandoeningen.
- Eind 19e eeuw kwam Freud met de psychoanalyse. Hoe iemand zich
ontwikkelt is het resultaat van vroegere ervaringen (uit de jeugd). Alles zat
onbewust in je, maar dit onderdrukte je.
Mental Hygiene Movement
- In de 19e eeuw was er een verbetering van de volksgezondheid, door
hygiënisten en meer medische kennis. Dit gaf ruimte voor het bestuderen
van kinderen, want kinderen bleven langer in leven.
- Dit zorgde in de VS voor de Child Study Movement (1880-1920). Er was
een toenemende interesse in de ontwikkeling van kinderen. De
verzamelden informatie over kinderen en die informatie deelden zij tijdens
congressen. Dit deed bijvoorbeeld de Amerikaanse psycholoog G. Stanley
Hall.
- Mental Hygiene Movement: hoe kunnen we ook de geest schoon houden?
(begin 20e eeuw). Als je daarmee begon in de kindertijd, zou dat
problemen voorkomen.
1
, Deze movement kwam voort uit kennis van hygiënisten. Er was een
algemene interesse voor mentale gezondheid.
- Pedagogiek als wetenschap bestaat pas zo’n 100 jaar.
- Rommert Casimir was de eerste professor Pedagogiek aan de Universiteit
Leiden.
- Philip Kohnstamm meende dat pedagogiek altijd filosofisch is.
- Empirisch bestuderen is objectief, maar pedagogiek is niet objectief, want:
Pedagogiek is normatief: we handelen vanuit een visie of idee over
wat wenselijk is in de opvoeding.
En wanneer is iets goed genoeg? (opvoeding)
De achtergrond van de onderzoeker zorgt voor subjectiviteit.
De ideeën over opvoeding veranderen.
Opvoeders wegen hun eigen normen en waarden mee.
1.3 Deelgebieden binnen de hedendaagse pedagogiek
- Pedagogiek als hedendaagse wetenschap:
Beschrijven van gedrag → verklaren van gedrag → vertalen naar handelen
Voorbeeld:
Baby’s willen niet gaan slapen als je ze in bed legt, ze blijven huilen. → ze
hebben nog niet geleerd om stil te zijn en te gaan slapen (leertheorie) of
ze zijn vanuit een overlevingsinstinct liever niet alleen
(gehechtheidstheorie). Observeer (meet) de reactie van ouders op huilen
en observeer de reactie van het kind → Consultatiebureau geeft advies en
zegt dat je het kind wel moet oppakken.
- Nature – nurture is een eeuwenoud debat. Aristoteles en Locke zeiden
bijvoorbeeld dat de mens bij geboorte een tabula rasa is.
- De zoon van Darwin was bang voor spinnen, terwijl Darwin daar zelf
helemaal niet bang voor was. Het kind zou daarom geen tabula rasa zijn,
want die angst is niet uit zijn omgeving gekomen, maar moet dus
aangeboren zijn.
- John Watson zei dat de mens 100% maakbaar is. Dus volledig nurture.
- ‘’Koelkastmoeder’’: het idee dat emotioneel kille moeders autisme zouden
veroorzaken in hun kinderen (rond 1950).
Reputatie
- Francis Galton (1822-1911) was de grondlegger van de gedragsgenetica.
Hij was geïnspireerd door Darwin’s evolutietheorie.
- Hij onderzocht ‘’reputatie’’ (intelligentie). Hij onderzocht 1000 mannen die
iets belangrijks hadden gedaan voor hun omgeving, zoals boek etc. De
mannen bleken maar tot 300 families te horen.
- Uit iedere familie zag hij één centraal persoon met de meeste reputatie,
omringd door mannen met iets minder, maar wel veel, reputatie. Vaak
vader omringd door zonen. Zijn conclusie was daarom dat erfelijkheid
belangrijker was dan omgeving. Als je een slimme vader hebt, wordt je dus
ook slim, was de gedachte.
2
, - De kritiek hierop was dat genen en omgeving moeilijk te scheiden zijn in
een biologisch gezin. Het kan ook zijn dat vaders de zonen goed opleidde
bijvoorbeeld, i.p.v. dat het enkel genetisch bepaald was.
Ontwikkeling van het kind
- Wie of wat bepaalt hoe een kind zich ontwikkelt?
Gedeelde omgeving (C = common environment) (nurture): het
gezin, de opvoeding, de school.
Unieke omgeving (E = error): iets dat specifiek bij een bepaald kind
hoort, dus geen meetbaar iets.
Genen (G= genes / A = addictive genetic effect) (nature)
- Deze drie gebieden beïnvloeden elkaar.
- Gedragsgenetica probeert de grootte van de invloeden van genen (nature)
en omgeving (nurture) op het fenotype te schatten. Het fenotype is ‘wat
het uiteindelijk wordt’.
- Genen en omgeving kunnen elkaar versterken:
Assortative mating: je zoekt een partner die in bepaalde aspecten
op jou lijkt, zoals intelligentie.
Genetische bagage van het kind roept reacties uit de omgeving op
(goed viool spelen, mensen applaudisseren, kind gaat door met
spelen)
Genetische ontvankelijkheid bepaalt invloed van
omgevingsinvloeden. Voorbeeld: kind van acteur en actrice: ligt het
aan de genen of de omgeving als het kind acteur wordt?
- Judith Harris meent dat de invloed van ouders zeer beperkt is, en juist bij
de vriendengroep ligt. Zij zegt dat genen en vrienden de meeste invloed
hebben (The Nurture Assumption).
Pedagogiek in beeld
Hoofdstuk 6 – Genetische aanleg en pedagogische omgeving
6.1 Inleiding
- Het zichtbare of meetbare kenmerk van mensen wordt het fenotype
genoemd. Dat kan de kleur van ogen of haar zijn, of de score op een IQ-
test of het type gehechtheidsrelatie dat een kind met zijn ouders heeft.
- Verschillen in fenotype kunnen liggen aan de genen of de omgeving. Veel
ouders denken bij het eerste kind dat de opvoeding die het kind krijgt
bepalend is, dat nurture het kind bepaalt, totdat ze een tweede kind
krijgen. Want wat dan bij de oudste wel werkte, lijkt niet te werken bij de
tweede. Ze zeggen dan juist dat nature bepalend is.
3
, 6.3 Empirisch onderzoek
- Genome-wide Complex Trait Analysis (GCTA): individuen worden
vergeleken op een bepaald fenotype en op hun DNA-profiel. Hier wordt
familie van uitgesloten, dus het gaat om individuen die geen familie van
elkaar zijn.
- Zijn verschillen in gehechtheid genetisch bepaald? Waarschijnlijk niet, het
lijkt erop dat gehechtheid meer een kenmerk van een relatie is dan van
een persoon.
- En zijn bepaalde genen gerelateerd aan een grotere kans op een veilige of
onveilige gehechtheid? Uit een Hongaarse studie blijkt dat bij kinderen die
een bepaalde vorm van dopamine (D4-receptor-gen) hadden, er een
grotere kans op een gedesorganiseerde gehechtheid was. Latere studies
hadden echter niet dezelfde resultaten.
- In onderzoek naar tweelingen lukt het vaak niet iedere gen te identificeren.
Dit is de missing heritability problem: het lukt niet om de genen te
identificeren die verantwoordelijk zijn voor het genetische effect dat uit
tweelingstudies naar voren komt.
- Er zijn bepaalde risico-genen, die als risicofactor kunnen worden
beschouwd. Sommige genen zijn bijvoorbeeld de oorzaak van een hoger
risico op angstgevoelens en depressie, of aandachtstoornissen.
6.4 Genetica in sociaal-culturele context
- De geschatte invloed van erfelijkheid en omgeving zijn afhankelijk van de
sociaal-culturele context. Er wordt bijvoorbeeld gelet op sociale
voorzieningen, onderwijs, etnische achtergrond, andere
omgevingsinvloeden.
- Er is recent onderzoek naar de rol van epigenetica (omkeerbare erfelijke
veranderingen) in de menselijke ontwikkeling van gedrag en
persoonlijkheid. Epigenetische veranderingen kunnen het verschil maken
tussen kanker krijgen of niet, of overlijden aan een hartinfarct.
Bronfenbrenner
- Ecologisch ontwikkelingsmodel van Bronfenbrenner. Als je kijkt naar de
ontwikkeling van het kind, moet je kijken naar de lagen die daar omheen
zitten. In het ‘midden’ is het kind, daar om heen zitten lagen.
Microsysteem: directe interactie met de omgeving en de
opvoedingssituatie → gezin, kinderopvang, school, vrienden.
4
, Mesosysteem: interactie tussen verschillende opvoedingssituaties →
afstemming met leerkrachten,
huisarts, buurt.
Exosysteem: zaken die de
directe omgeving beïnvloeden
maar waarin het kind niet direct
participeert → werk van ouders,
televisie, vrienden van ouders,
SES.
Macrosysteem: grote structuren
op afstand van het kind →
wetgeving, cultuur, religie.
College
2
Pedagogiek in Beeld
Hoofdstuk 4 – Pedagogische ideeëngeschiedenis: de
gehechtheidstheorie van John Bowlby en Mary Ainsworth
4.1 Historische context
- Door de toenemende medische kennis en betere hygiëne was er aan het
eind van de 19e eeuw een verbetering van de volksgezondheid. Als je het
lichaam gezond kon maken, moest dit ook mogelijk zijn met de geest. Deze
aandacht voor de geestelijke gezondheid is de Mental Hygiene Movement.
- Freud herleidde in dezelfde tijd d.m.v. de psychoanalyse psychische
problemen van volwassenen naar gebeurtenissen uit hun jeugd.
- De ontwikkeling van jonge kinderen werd steeds meer onderzocht. De
ontwikkeling van het kind zou voor het grootste gedeelte worden bepaald
door de opvoeding, waardoor vooral de moeder gezien als de oorzaak van
hoe kinderen later terecht kwamen.
- Door deze groeiende aandacht voor de relatie tussen moeder en kind
kwamen John Bowlby en Mary Ainsworth met de gehechtheidstheorie.
4.1.1 John Bowlby’s vormende jaren
- John Bowlby werd in 1907 geboren in een gezin uit de gegoede burgerij, en
zag daarom tijdens zijn jeugd zijn ouders niet vaak.
- Bowlby werkte in zijn studententijd als vrijwilliger op twee ‘progressieve
scholen’: scholen die sterk waren beïnvloed door psychoanalytische
denkbeelden. Op één van deze scholen werden moeilijk opvoedbare
kinderen behandeld, kinderen met een ‘affectieloos karakter’, die niet in
staat waren een emotionele band met anderen aan te gaan. Sommige
kinderen gedroegen zich op deze manier omdat zij door hun primaire
opvoeders waren verlaten.
- Bowlby werd na deze tijd opgeleid als psychoanalyticus onder supervisie
van Melanie Klein. Bowlby en Klein hadden echter andere ideeën over de
5