Hoofdstuk 3
3.1 Introductie in persoonlijke verschillen
Individuele verschillen
• Grote variatie tussen mensen
Mensen verschillen sterk van elkaar in vaardigheden, interesses, ervaringen, persoonlijkheid, leeftijd,
geslacht, ras en achtergrond. Voorbeelden als Justin Bieber, de paus, Lady Gaga, Stephen King, Kevin Durant,
Barack Obama, je grootmoeder en je docent maken duidelijk dat individuen nauwelijks met elkaar te
vergelijken zijn. Deze verschillen maken het ook logisch dat mensen heel verschillende rollen en taken
vervullen in de samenleving.
• Beperkingen van algemene uitspraken
Het is vanzelfsprekend dat mensen verschillend zijn; daarvoor is geen psychologische kennis nodig.
Psychologie gaat echter verder dan deze constatering en richt zich op de vraag welke verschillen ertoe doen.
Niet elk verschil is even relevant of bruikbaar voor het verklaren en voorspellen van gedrag.
• Relevante individuele kenmerken
Onderzoek laat zien dat verschillen op kenmerken zoals intelligentie, persoonlijkheid en kennis bijzonder
belangrijk zijn voor het begrijpen van gedrag. Deze kenmerken hangen samen met uiteenlopende sociaal
relevante uitkomsten (Lubinski, 2000).
• Voorbeelden van belangrijke uitkomsten
o academische prestaties
o intellectuele ontwikkeling
o criminaliteit en delinquent gedrag
o beroepskeuze
o inkomen en armoede
o werkprestatie
• Belang voor de arbeids- en organisatiepsychologie
Veel psychologen, waaronder A&O-psychologen, gaan ervan uit dat individuele verschillen ten minste
gedeeltelijk gedrag kunnen verklaren en voorspellen, met name in werk- en organisatiesettings.
• Focus van het hoofdstuk
Dit hoofdstuk behandelt eerst het begrip individuele verschillen en gaat vervolgens in op hoe het meten van
deze verschillen kan bijdragen aan het voorspellen van werkprestatie.
• Definitie individuele verschillen
Individuele verschillen: verschillen tussen twee of meer personen.
Some Background: Ontstaan van het denken over individuele verschillen
• Begin van de psychologie als wetenschap
De psychologie ontstond in 1876 in een laboratorium in Duitsland onder leiding van Wilhelm Wundt, die
wordt gezien als de grondlegger van de discipline. Zijn doel was om psychologie duidelijk te onderscheiden
van filosofie en geneeskunde en het te positioneren als een echte natuurwetenschap, vergelijkbaar met
chemie, biologie en natuurkunde.
• Zoektocht naar algemene wetten van gedrag
Wundt probeerde, net als andere natuurwetenschappers, algemene principes van menselijk gedrag te
ontdekken. Hij ontwikkelde experimentele methoden om onder andere zintuiglijke waarneming en
, reactietijden te meten, zoals het zwakste licht dat iemand kon zien of hoe snel iemand op een signaal
reageerde.
• Ontdekking van individuele verschillen
Tijdens deze experimenten bleek dat mensen niet hetzelfde presteren: reactietijden verschilden, net als
gevoeligheid voor licht en geluid. Voor Wundt waren deze verschillen vooral een storende factor omdat ze de
precisie van zijn metingen verminderden, maar voor een van zijn studenten vormden ze juist een nieuwe
wetenschappelijke kans.
• James McKeen Cattell en mentale tests
James McKeen Cattell (1860–1944), een Amerikaanse student van Wundt, raakte gefascineerd door deze
verschillen. Hij begon systematisch psychologische kenmerken te meten en ontwikkelde in 1890 het concept
van de mentale test.
o Mentale test: instrument om redeneren, plannen en probleemoplossen te meten (intelligentietest).
• Ontstaan van differentiële psychologie
Omdat deze onderzoeksrichting draaide om het bestuderen van verschillen tussen mensen, kreeg zij de naam
differentiële psychologie.
o Differentiële psychologie: de wetenschappelijke studie van verschillen tussen twee of meer
personen.
• Invloed van Francis Galton en evolutietheorie
Na Leipzig werkte Cattell in Engeland samen met Francis Galton, die geïnteresseerd was in erfelijke
kenmerken ter ondersteuning van Darwins evolutietheorie. Waar Galton zich eerder richtte op lichamelijke
eigenschappen, maakte Cattells mentale test het mogelijk om ook mentale kenmerken te onderzoeken.
• Intelligentie meten en voorspellen
Terug in de Verenigde Staten gebruikte Cattell zijn testen om de intelligentie van nieuwe studenten te
meten. Hij geloofde dat deze scores konden helpen bij studiekeuze en het voorspellen van studiesucces.
Hiermee werd mentale capaciteit voor het eerst systematisch op een schaal geplaatst.
• Ontstaan van psychometrie
Het meten van mentale vermogens op een meetbare schaal leidde tot het vakgebied psychometrie.
o Psychometrie: het meten van psychologische kenmerken en het plaatsen ervan op een meetbare
schaal (metric).
• Belangrijke begrippen
o Intelligentie: het vermogen om te leren en zich aan te passen aan de omgeving.
o Mentale (cognitieve) vermogens: meer specifieke vaardigheden zoals geheugen en redeneren.
o Metric: een standaard of schaal voor meting.
• Vroege toepassingen van intelligentietests
In verschillende landen werden intelligentietests ontwikkeld en toegepast:
o Alfred Binet testte Franse schoolkinderen
o Lewis Terman gebruikte Binet-tests in Californië
o Hugo Münsterberg voorspelde ongevallen bij tramchauffeurs
o Tijdens WOI gebruikte het Amerikaanse leger intelligentietests om rekruten te selecteren en
officieren aan te wijzen
• Doorbraak in de arbeids- en organisatiepsychologie
Na de oorlog werden intelligentietests breed ingezet in overheid en industrie om prestaties, productiviteit en
veiligheid te voorspellen. In 1932 was dit al een gevestigde praktijk. Walter Dill Scott noemde de erkenning
van individuele verschillen zelfs een van de grootste prestaties van de psychologie.
, • Huidige relevantie
Intelligentie is nog steeds een van de meest gebruikte selectiecriteria bij sollicitaties. Tegelijkertijd blijft de
zoektocht naar nieuwe relevante vaardigheden bestaan, zoals emotionele intelligentie en situationeel
oordeelsvermogen, die later in het hoofdstuk worden besproken.
Differential Psychology, Psychometrics en I-O Psychology
• Blijvende rol van individuele verschillen
Bijna een eeuw na het werk van Cattell is het meten van individuele verschillen nog steeds een van de meest
gebruikte benaderingen binnen de arbeids- en organisatiepsychologie (A&O-psychologie). Dit gebeurt vooral
via psychometrie, met als doel toekomstig gedrag te voorspellen, zoals werkprestatie, baantevredenheid en
contraproductief werkgedrag.
• Verschil met experimentele psychologie
De experimentele psycholoog richt zich vooral op wat mensen gemeen hebben. Door stimuli te manipuleren
probeert hij of zij algemene gedragswetten te ontdekken en verklaart gedrag vooral vanuit de situatie of
prikkel.
De differentieel psycholoog kiest juist een andere invalshoek en kijkt naar eigenschappen binnen het
individu om gedrag te begrijpen en te voorspellen.
• Traditionele focus van I-O-psychologie
In het verleden leunde de toegepaste A&O-psychologie sterk op individuele verschillen om uitkomsten zoals:
o werkprestatie
o werktevredenheid
o verloop en contraproductief gedrag
te voorspellen.
Tegenwoordig blijft deze benadering belangrijk, maar wordt zij aangevuld met aandacht voor
organisatorische praktijken, teamkenmerken, werk- en omgevingsontwerp en culturele invloeden.
• Samenwerking tussen differentiële psychologie en psychometrie
De combinatie van differentiële psychologie en psychometrie bleek zeer succesvol.
o De differentiële psycholoog bepaalt wat gemeten moet worden (bijvoorbeeld intelligentie).
o De psychometricus ontwikkelt methoden om deze kenmerken betrouwbaar en valide te meten.
• Centrale rol van intelligentie
Historisch gezien was het meest gemeten en belangrijkste kenmerk intelligentie, ook wel cognitieve of
mentale capaciteit genoemd. Deze capaciteit stelt mensen in staat om:
o kennis te verwerven
o problemen op te lossen
o logisch te redeneren en beslissingen te nemen
• Relatie met werk- en loopbaansucces
Veel onderzoek liet zien dat algemene intellectuele capaciteit sterk samenhangt met beroepssucces en
prestaties. Daarom stond intelligentie centraal in vroege selectie - en loopbaanmodellen.
• Het concept van ‘g’
Pioniers in intelligentietheorie introduceerden het begrip g, wat staat voor general mental ability.
o g: de algemene mentale capaciteit die ten grondslag ligt aan uiteenlopende cognitieve taken.
Dit begrip wordt vandaag de dag nog steeds gebruikt.
• Terminologie verduidelijkt
In de literatuur worden de termen:
, o intelligentie
o cognitieve capaciteit
o mentale capaciteit
vaak door elkaar gebruikt. In deze context verwijzen ze allemaal naar algemene mentale
vermogens. Later wordt het onderscheid gemaakt met specifieke cognitieve processen zoals
geheugen en perceptie.
• Kernbegrippen
o Psychometricus: psycholoog gespecialiseerd in het meten van psychologische kenmerken
o Cognitieve capaciteit: vermogen om te redeneren, plannen en problemen op te lossen
o g / algemene mentale capaciteit: brede, niet-specifieke intellectuele capaciteit die toepasbaar is in
uiteenlopende situaties
Identifying Individual Differences
• Historische basis: Galton en de boormetafoor
Francis Galton was een van de eerste onderzoekers die het belang van individuele verschillen benadrukte. Hij
vergeleek het meten van menselijke capaciteiten met het boren van schachten in de grond om waardevolle
grondstoffen te vinden. Met psychometrische tests kunnen we op specifieke punten “dieper graven” om
inzicht te krijgen in menselijk gedrag, met name in werkcontexten.
• Van één naar meerdere ‘schachten’
Waar A&O-psychologen vroeger vooral één schacht onderzochten—intelligentie—is het huidige onderzoek
veel breder en dieper.
Tegenwoordig richten onderzoekers zich onder andere op:
o specifieke cognitieve vermogens (zoals geheugen)
o specifieke persoonlijkheidskenmerken (zoals emotionele stabiliteit)
o mogelijk nieuwe capaciteiten (zoals emotionele intelligentie)
Deze verbreding is mogelijk geworden doordat meetmethoden betrouwbaarder en valider zijn dan
vroeger.
• Niet elke individuele variabele is relevant
Net als bij het boren naar olie of goud geldt: niet elke schacht levert iets op. Sommige individuele verschillen
blijken weinig voorspellende waarde te hebben. Dit verklaart waarom onderzoek noodzakelijk is: om vast te
stellen welke kenmerken werkelijk bijdragen aan het voorspellen van gedrag.
Een actueel voorbeeld is de discussie of emotionele intelligentie een op zichzelf staande nieuwe capaciteit is,
of vooral overlap vertoont met bestaande kenmerken zoals persoonlijkheid en algemene intelligentie.
• Drie rollen binnen het ‘boren’ naar verschillen
Binnen deze metafoor kunnen drie rollen worden onderscheiden:
o De differentieel psycholoog verkent het psychologische landschap en bepaalt waar geboord moet
worden.
o De psychometricus ontwikkelt en verfijnt de meetinstrumenten en boort de schacht.
o De toegepaste A&O-psycholoog gebruikt de opbrengst—oftewel betrouwbare voorspellers van
werkgedrag—voor selectie, training en ontwikkeling.
• Beperkingen van individuele voorspellers
Hoewel individuele verschillen belangrijk zijn, kan geen enkel kenmerk op zichzelf werkgedrag volledig
verklaren.
o Intelligentie staat niet los van persoonlijkheid, kennis of ervaring.