Hoorcollege 1
Verslaving en LVB, het topje van de ijsberg? – Jojanneke van der Nagel
Mensen met een LVB vormen een risicogroep voor (problematisch) middelengebruik. De
uiteenlopende perspectieven op aard en omgang van (problematisch) gebruik bij mensen met een
LVB waren de aanleiding tot het SumID project. Er werd onderzoek gedaan naar:
Het voorkomen van, en risicofactoren voor (problematisch) gebruik onder volwassenen
met een LVB in Nederland.
De manier waarop dit gebruik in kaart gebracht kan worden.
Er is een misvatting dat mensen met een LVB niet zouden gebruiken. Vaak worden symptomen
van problematisch gebruik verkeerd geïnterpreteerd en verward met symptomen van een andere
psychiatrische of lichamelijke aandoening.
De SumID-Q heeft gebruik gemaakt van aan de doelgroep aangepast taalgebruik, visuele
ondersteuning met plaatjes en een niet-confronterende stap voor stap benadering. Uitkomsten:
Bijna de helft heeft weleens illegale middelen geprobeerd (vooral cannabis)
Het actuele middelengebruik is behoorlijk (62% rookt, 64% drinkt weleens alcohol, 15%
heeft afgelopen maand cannabis gebruikt en 1% gebruikte stimulerende middelen
afgelopen maand)
Betekenis voor in de praktijk
Belangrijk om te investeren in preventie van problematisch middelengebruik in deze
groep. Educatieve en preventieve interventies moeten al op jonge leeftijd worden ingezet.
Ook is er meer aandacht nodig voor preventie van tabaksgebruik onder naasten en
begeleiders.
Belangrijk dat gebruik sneller opgespoord wordt. Middelengebruik zou in de
verstandelijke gehandicaptenzorg een gangbaar onderwerp van gesprek tussen stafleden
en cliënten moeten zijn en systematisch in kaart worden gebracht.
Veel cliënten met dubbele problematiek krijgen nog geen dubbele hulp. Dubbele
problematiek vergt een aanpak die rekening houdt bet beide aspecten. Behandeling kan
daarom het best in ketenzorgverband tussen verslavingszorg en LVB zorg worden
georganiseerd.
Vervolgonderzoek
Patronen van gebruik volgen over de jaren
Uitbreiden naar mensen met een matige of ernstige verstandelijke beperking
Onderzoek naar prevalentie en vroegtijdige opsporing van verstandelijke beperking is
wenselijk omdat een aanzienlijk deel van de patiënten in de verslavingszorg een
verstandelijke beperking had.
Vervolgonderzoek naar preventie van en interventie voor verslaving bij mensen met een
verstandelijke beperking.
1
,Artikel Wickström et al. (2017) - Increased risk for mental illness, injuries,
and violence in children born to mothers with intellectual disability
Samenvatting
Wickström et al. (2017) onderzochten of kinderen van moeders met een verstandelijke beperking
een verhoogd risico hebben op psychische problemen, verwondingen en geweld in vergelijking
met kinderen van moeders zonder verstandelijke beperking.
Doel van de studie
De auteurs willen beter begrijpen hoe het kinderen vergaat die opgroeien bij een moeder met een
verstandelijke beperking. Eerder onderzoek richtte zich vooral op de moeders zelf, terwijl de
kinderen vaak buiten beeld bleven. Dit artikel onderzoekt daarom of deze kinderen een verhoogd
risico hebben op psychische problemen, verwondingen en blootstelling aan geweld of
kindermishandeling, vergeleken met kinderen van moeders zonder verstandelijke beperking.
Methode
Alle kinderen tussen 1999 en 2005 geboren in Zweden werden gevolgd tot hun zevende
levensjaar. Meerdere registers werden gekoppeld en diagnoses vastgesteld volgens ICD-codes.
Uitkomsten
Uit de analyses bleek dat kinderen van moeders met een verstandelijke beperking op meerdere
domeinen structureel kwetsbaarder zijn:
Zij kregen vaker een diagnose van psychische problemen in de vroege kindertijd.
De kans dat zij zelf een verstandelijke beperking ontwikkelden, was duidelijk verhoogd.
Zij hadden meer kans op verwondingen, met name door vallen.
Het sterkste effect werd gevonden voor geweld en kindermishandeling: deze kinderen
waren hier aanzienlijk vaker slachtoffer van.
Deze verschillen bleven grotendeels bestaan, ook nadat rekening was gehouden met andere
risicofactoren.
Belangrijke bevindingen
Wat dit artikel vooral laat zien, is dat de verhoogde risico’s niet losstaan van de context waarin
deze kinderen opgroeien. Moeders met een verstandelijke beperking hebben gemiddeld:
Een lagere opleiding en een lager inkomen
Vaker psychische problemen
Vaker middelengebruik
Minder vaak een stabiele partnerrelatie
De auteurs benadrukken dat het verhoogde risico op geweld en mishandeling niet betekent dat
moeders met een verstandelijke beperking vaker daders zijn. Integendeel: vaak gaat het om
2
,onvoldoende bescherming, een kwetsbaar sociaal netwerk of geweld door anderen in de
omgeving. Het gebrek aan passende ondersteuning speelt hierin een cruciale rol.
Conclusie
Kinderen van moeders met een verstandelijke beperking lopen een verhoogd risico op
psychische problematiek, verwondingen en blootstelling aan geweld in de eerste levensjaren.
Deze risico’s zijn deels te verklaren door sociale en gezondheid gerelateerde omstandigheden,
maar blijven ook na correcties duidelijk zichtbaar.
De centrale boodschap van het artikel is daarom niet stigmatiserend, maar juist preventief en
ondersteunend: met tijdige, evidence-based ondersteuning kunnen deze gezinnen worden
versterkt en kunnen risico’s voor kinderen worden verminderd.
Vervolgonderzoek
De auteurs pleiten voor toekomstig onderzoek dat:
Kinderen langer volgt, tot in de adolescentie of volwassenheid
Ook vaders met een verstandelijke beperking meeneemt
Meer inzicht geeft in beschermende factoren, zoals sociale steun en effectieve vormen
van begeleiding
Daarnaast is er behoefte aan onderzoek dat niet alleen risico’s beschrijft, maar ook laat zien wat
wel werkt in de ondersteuning van deze gezinnen.
Artikel Buckley et al. (2020) - Prevalence estimates of mental health problems
in children and adolescents with intellectual disability
Doel van het artikel
Buckley et al. (2020) willen helderheid scheppen in een veld dat tot dan toe nogal versnipperd
was. Hoewel bekend is dat kinderen en adolescenten met een verstandelijke beperking een
verhoogd risico hebben op psychische problemen, lopen de prevalentieschattingen in de
literatuur sterk uiteen. Het doel van deze studie is daarom:
Het geven van actuele en betrouwbare prevalentieschattingen van psychische problemen
en stoornissen bij jongeren met een verstandelijke beperking.
Onderzoeken in hoeverre verschillen samenhangen met meetinstrumenten, ernst van de
verstandelijke beperking en demografische factoren.
Methode
Er is een systematische review en meta-analyse uitgevoerd, waarbij 19 onderzoeken werden
meegenomen.
Uitkomsten
3
, De resultaten laten een consistent beeld zien van hoge prevalentie van psychische problemen:
DBC – developmental behaviour checklist: 38%
CBCL – child behaviour checklist: 49%
Deze percentages liggen fors hoger dan in de algemene populatie, waar ongeveer 14% verhoogde
scores laat zien. De meest gerapporteerde stoornissen waren:
ADHD: ± 30%
Angststoornissen: 7-34%
Gedragsstoornissen: 3-21%
Depressieve stoornissen: 3-5%
Belangrijke bevindingen
Een centrale bevinding van dit artikel is dat wat je meet, bepaalt wat je ziet:
Prevalenties op basis van symptoomvragenlijsten liggen structureel hoger dan op basis
van formele diagnosis.
De ernst van de verstandelijke beperking had geen eenduidig effect op de prevalentie van
psychische symptomen.
Er was te weinig consistente data om betrouwbare uitspraken te doen over verschillen
naar leeftijd, geslacht of sociaaleconomische status.
De auteurs wijzen op het risico van diagnostic overshadowing: psychische klachten worden ten
onrechte toegeschreven aan de verstandelijke beperking zelf, waardoor comorbide problematiek
onderkend blijft.
Conclusie
Psychische problemen komen zeer vaak voor bij kinderen en adolescenten met een verstandelijke
beperking. De prevalenties liggen duidelijk hoger dan in de algemene populatie, maar worden
onderschat wanneer uitsluitend naar formele psychiatrische diagnoses wordt gekeken.
De studie benadrukt dat een dimensionale, symptoomgerichte benadering beter aansluit bij deze
populatie dan een strikt diagnostisch kader.
Vervolgonderzoek
Voor een toekomstig onderzoek bevelen de auteurs aan om:
Meetinstrumenten te gebruiken die specifiek gevalideerd zijn voor mensen met een
verstandelijke beperking
Meer aandacht te besteden aan beschermende factoren
Populaties beter te beschrijven naar leeftijd, geslacht en SES, zodat subgroep analyses
mogelijk worden
4
Verslaving en LVB, het topje van de ijsberg? – Jojanneke van der Nagel
Mensen met een LVB vormen een risicogroep voor (problematisch) middelengebruik. De
uiteenlopende perspectieven op aard en omgang van (problematisch) gebruik bij mensen met een
LVB waren de aanleiding tot het SumID project. Er werd onderzoek gedaan naar:
Het voorkomen van, en risicofactoren voor (problematisch) gebruik onder volwassenen
met een LVB in Nederland.
De manier waarop dit gebruik in kaart gebracht kan worden.
Er is een misvatting dat mensen met een LVB niet zouden gebruiken. Vaak worden symptomen
van problematisch gebruik verkeerd geïnterpreteerd en verward met symptomen van een andere
psychiatrische of lichamelijke aandoening.
De SumID-Q heeft gebruik gemaakt van aan de doelgroep aangepast taalgebruik, visuele
ondersteuning met plaatjes en een niet-confronterende stap voor stap benadering. Uitkomsten:
Bijna de helft heeft weleens illegale middelen geprobeerd (vooral cannabis)
Het actuele middelengebruik is behoorlijk (62% rookt, 64% drinkt weleens alcohol, 15%
heeft afgelopen maand cannabis gebruikt en 1% gebruikte stimulerende middelen
afgelopen maand)
Betekenis voor in de praktijk
Belangrijk om te investeren in preventie van problematisch middelengebruik in deze
groep. Educatieve en preventieve interventies moeten al op jonge leeftijd worden ingezet.
Ook is er meer aandacht nodig voor preventie van tabaksgebruik onder naasten en
begeleiders.
Belangrijk dat gebruik sneller opgespoord wordt. Middelengebruik zou in de
verstandelijke gehandicaptenzorg een gangbaar onderwerp van gesprek tussen stafleden
en cliënten moeten zijn en systematisch in kaart worden gebracht.
Veel cliënten met dubbele problematiek krijgen nog geen dubbele hulp. Dubbele
problematiek vergt een aanpak die rekening houdt bet beide aspecten. Behandeling kan
daarom het best in ketenzorgverband tussen verslavingszorg en LVB zorg worden
georganiseerd.
Vervolgonderzoek
Patronen van gebruik volgen over de jaren
Uitbreiden naar mensen met een matige of ernstige verstandelijke beperking
Onderzoek naar prevalentie en vroegtijdige opsporing van verstandelijke beperking is
wenselijk omdat een aanzienlijk deel van de patiënten in de verslavingszorg een
verstandelijke beperking had.
Vervolgonderzoek naar preventie van en interventie voor verslaving bij mensen met een
verstandelijke beperking.
1
,Artikel Wickström et al. (2017) - Increased risk for mental illness, injuries,
and violence in children born to mothers with intellectual disability
Samenvatting
Wickström et al. (2017) onderzochten of kinderen van moeders met een verstandelijke beperking
een verhoogd risico hebben op psychische problemen, verwondingen en geweld in vergelijking
met kinderen van moeders zonder verstandelijke beperking.
Doel van de studie
De auteurs willen beter begrijpen hoe het kinderen vergaat die opgroeien bij een moeder met een
verstandelijke beperking. Eerder onderzoek richtte zich vooral op de moeders zelf, terwijl de
kinderen vaak buiten beeld bleven. Dit artikel onderzoekt daarom of deze kinderen een verhoogd
risico hebben op psychische problemen, verwondingen en blootstelling aan geweld of
kindermishandeling, vergeleken met kinderen van moeders zonder verstandelijke beperking.
Methode
Alle kinderen tussen 1999 en 2005 geboren in Zweden werden gevolgd tot hun zevende
levensjaar. Meerdere registers werden gekoppeld en diagnoses vastgesteld volgens ICD-codes.
Uitkomsten
Uit de analyses bleek dat kinderen van moeders met een verstandelijke beperking op meerdere
domeinen structureel kwetsbaarder zijn:
Zij kregen vaker een diagnose van psychische problemen in de vroege kindertijd.
De kans dat zij zelf een verstandelijke beperking ontwikkelden, was duidelijk verhoogd.
Zij hadden meer kans op verwondingen, met name door vallen.
Het sterkste effect werd gevonden voor geweld en kindermishandeling: deze kinderen
waren hier aanzienlijk vaker slachtoffer van.
Deze verschillen bleven grotendeels bestaan, ook nadat rekening was gehouden met andere
risicofactoren.
Belangrijke bevindingen
Wat dit artikel vooral laat zien, is dat de verhoogde risico’s niet losstaan van de context waarin
deze kinderen opgroeien. Moeders met een verstandelijke beperking hebben gemiddeld:
Een lagere opleiding en een lager inkomen
Vaker psychische problemen
Vaker middelengebruik
Minder vaak een stabiele partnerrelatie
De auteurs benadrukken dat het verhoogde risico op geweld en mishandeling niet betekent dat
moeders met een verstandelijke beperking vaker daders zijn. Integendeel: vaak gaat het om
2
,onvoldoende bescherming, een kwetsbaar sociaal netwerk of geweld door anderen in de
omgeving. Het gebrek aan passende ondersteuning speelt hierin een cruciale rol.
Conclusie
Kinderen van moeders met een verstandelijke beperking lopen een verhoogd risico op
psychische problematiek, verwondingen en blootstelling aan geweld in de eerste levensjaren.
Deze risico’s zijn deels te verklaren door sociale en gezondheid gerelateerde omstandigheden,
maar blijven ook na correcties duidelijk zichtbaar.
De centrale boodschap van het artikel is daarom niet stigmatiserend, maar juist preventief en
ondersteunend: met tijdige, evidence-based ondersteuning kunnen deze gezinnen worden
versterkt en kunnen risico’s voor kinderen worden verminderd.
Vervolgonderzoek
De auteurs pleiten voor toekomstig onderzoek dat:
Kinderen langer volgt, tot in de adolescentie of volwassenheid
Ook vaders met een verstandelijke beperking meeneemt
Meer inzicht geeft in beschermende factoren, zoals sociale steun en effectieve vormen
van begeleiding
Daarnaast is er behoefte aan onderzoek dat niet alleen risico’s beschrijft, maar ook laat zien wat
wel werkt in de ondersteuning van deze gezinnen.
Artikel Buckley et al. (2020) - Prevalence estimates of mental health problems
in children and adolescents with intellectual disability
Doel van het artikel
Buckley et al. (2020) willen helderheid scheppen in een veld dat tot dan toe nogal versnipperd
was. Hoewel bekend is dat kinderen en adolescenten met een verstandelijke beperking een
verhoogd risico hebben op psychische problemen, lopen de prevalentieschattingen in de
literatuur sterk uiteen. Het doel van deze studie is daarom:
Het geven van actuele en betrouwbare prevalentieschattingen van psychische problemen
en stoornissen bij jongeren met een verstandelijke beperking.
Onderzoeken in hoeverre verschillen samenhangen met meetinstrumenten, ernst van de
verstandelijke beperking en demografische factoren.
Methode
Er is een systematische review en meta-analyse uitgevoerd, waarbij 19 onderzoeken werden
meegenomen.
Uitkomsten
3
, De resultaten laten een consistent beeld zien van hoge prevalentie van psychische problemen:
DBC – developmental behaviour checklist: 38%
CBCL – child behaviour checklist: 49%
Deze percentages liggen fors hoger dan in de algemene populatie, waar ongeveer 14% verhoogde
scores laat zien. De meest gerapporteerde stoornissen waren:
ADHD: ± 30%
Angststoornissen: 7-34%
Gedragsstoornissen: 3-21%
Depressieve stoornissen: 3-5%
Belangrijke bevindingen
Een centrale bevinding van dit artikel is dat wat je meet, bepaalt wat je ziet:
Prevalenties op basis van symptoomvragenlijsten liggen structureel hoger dan op basis
van formele diagnosis.
De ernst van de verstandelijke beperking had geen eenduidig effect op de prevalentie van
psychische symptomen.
Er was te weinig consistente data om betrouwbare uitspraken te doen over verschillen
naar leeftijd, geslacht of sociaaleconomische status.
De auteurs wijzen op het risico van diagnostic overshadowing: psychische klachten worden ten
onrechte toegeschreven aan de verstandelijke beperking zelf, waardoor comorbide problematiek
onderkend blijft.
Conclusie
Psychische problemen komen zeer vaak voor bij kinderen en adolescenten met een verstandelijke
beperking. De prevalenties liggen duidelijk hoger dan in de algemene populatie, maar worden
onderschat wanneer uitsluitend naar formele psychiatrische diagnoses wordt gekeken.
De studie benadrukt dat een dimensionale, symptoomgerichte benadering beter aansluit bij deze
populatie dan een strikt diagnostisch kader.
Vervolgonderzoek
Voor een toekomstig onderzoek bevelen de auteurs aan om:
Meetinstrumenten te gebruiken die specifiek gevalideerd zijn voor mensen met een
verstandelijke beperking
Meer aandacht te besteden aan beschermende factoren
Populaties beter te beschrijven naar leeftijd, geslacht en SES, zodat subgroep analyses
mogelijk worden
4