HC 1: Biomoleculen
Niveau’s organisme
1. Organensystemen
2. Organen
3. Weefsels
4. Cellen
5. Biomoleculen
Soorten
- Monomeren (basisunit)
- Dimeren (2)
- Oligomeer (5-6-7)
- Polymeer (heel lang snoer)
Koolhydraten (suikers)
- Hydrofiel: lossen op in water
- 2 soorten
o Trage suikers (Vb. Suikerklontjes, fruit)
o Snelle suikers (Vb. Brood, aardappelen, pasta)
- 4 soorten sachariden (suikers)
o Monosacchariden: snelle suikers (snelle pieken)
o Disachariden
o Polysachariden
o Polysachariden: duurt uren (stijgt langzaam, blijft lang stabiel)
Voorbeeld (glucose)
Monomeer
- Glucose (C6H12O6) = altijd dezelfde verhouding
Basis = C (koolstof)
Daaraan = H (waterstof) & O (zuurstof)
Van Monomeer naar Dimeer (en andersom)
A. Dehydratatie
Water uit molecuul halen → 2 Monomeren bij elkaar = ontstaan dimeer + H2O
B. Hydrolise
Water toevoegen aan dimeer → opsplitsen in 2 monomeren
Polymeer
Zetmeel
Trage suiker → vertering duurt langer
,Lipiden (vetten)
- Hydrofoob = waterafstotend
- 3 soorten
o Triglyceriden: klassieke vetten → boter, melk, eigeel
o Fosfolipiden: basis van celmembraan
o Steroïden: Andere vorm en opbouw, MAAR zijn hydrofoob (daarom horen bij Lipiden)
Voorbeeld
Triglyceriden
Basisstructuur triglyceriden = 3 vetzuren + glycerol
- 3 koolstof + waterstof
- + koolzuurmolecule (COOH) (H zit in de keten)
- Ketens = vetzuren
Zwart = koolstof
Wit = waterstof
Rood = zuurstof
Verhouding tussen zuurstof & koolstof is anders ➔ waterafstotend (zuurstof nodig om verbinding te
maken met watermoleculen)
- Verzadigd = Vaste toestand
o Vaste toestand
o Ongezond
o Vb. Boter
- Onverzadigd (dubbele verbinding → zit een knik in)
o Vloeibaar
o Gezonder
o Vb. Olie
A. Dehydratie
H²O eruit halen → binden aan ander
B. Hydrolise
H²O toevoegen → uit elkaar halen
Steroïden
Cholesterol
- Aantal 6-ringen + Koolstofstaart + 1 zuurstof
- Cholesterol is basismolecuul om allemaal andere dingen te maken
Fosfolipiden
Rood = glycerol
+ 2 vetzuurstaarten
+ Fosfaatgroep → daaraan niet-lipidengroep met N
TYPISCHE EIGENSCHAP: kop (hydrofiel) en staart (hydrofoob)
Fosfolipiden vormen dubbellaag
Celmembraan: Grote moleculen
kunnen niet doorheen
,Proteïnen (eiwitten/peptiden)
- Soorten
o Aminozuren (monomeer)
o Dipeptiden
o Oligopeptiden
o Polypeptiden
o Enzymen
Voorbeelden
Aminozuur
C (in het centrum)
+H
+ N (aminogroep)
+ COOH
+ R (restgroep (geen chemisch element))
- Niet-essentiele aminozuren (die we zelf kunnen aanmaken)
VB. Van a1 eten maakt lichaam ook b
- Essentiële aminozuren (niet zelf aanmaken, hebben we nodig uit voeding)
Verschil tussen aminozuren zit in de restgroep
Dehydratatie of hydrolise om er 1 of 2 van te maken
Eiwitstructuur
- Primaire eiwitstructuur = keten van aminozuren
o Volgorde van aminozuren hangt af van genetische code
- Secundaire eiwit structuur
o verbinding tussen waterstof van carboxiel groep en aminogroep
➔ molecuul gaat plooien
o 2 vormen
▪ Alfa helix (draaitrap)
▪ Vrouwbladstructuur
- Tertiaire eiwit structuur
o Restgroepen trekken elkaar aan → er ontstaat een bepaalde vorm
o Vorm bepaald de functie van het eiwit
- Quaternaire eiwit structuur
o 2 kleine eiwitten haken in elkaar en vormen een groter eiwit
Enzymen
Kunnen 2 andere moleculen in vastzitten → 2 worden aan elkaar vastgemaakt
, Nucleïnezuren (genetisch materiaal)
Zit in celkern en vormt chromosomen
- Soorten
o DNA
o RNA
Basisunit
(Suiker + fosfaatgroep) keten + stikstofhoudende basis
Soorten stikstofhoudende basissen
- Adenine
- Guanine
- Cytosine
- Thymine (DNA)
- Uracil (RNA)
A bind aan T/U & C bind aan G ➔ ontstaan DNA (2 helixen met stikstofhoudende base naar binnen)
DNA - EIWIT
DNA-molecuul bestaat uit 2 DNA-strengen
- Chromosoom = lange, in elkaar gevlochten draad. (draad = DNA-molecule → bevat genetische
informatie voor erfelijke eigenschappen)
- 1 DNA-molecule = draad → 2 DNA-strengen
- In DNA zit informatie → Staat in de lengste van de DNA-streng
- → gevormd door de volgorde van de stikstofbasen (a-t & c-g)
- 3 basen vormen 1 triplet → door middel van genetische code
kun je een specifiek aminozuur maken
https://www.youtube.com/watch?v=KWgqvKdVxNE
Gen
= Deel van het DNA dat meerdere tripletten bevat en zorgt voor 1 erfelijke eigenschap
Eiwitsynthese
= Maken van eiwitten
Ribosomen (= organellen die eiwit maken) (in cytoplasma) willen eiwitsynthese doen maar hebben DNA (in
celkern) daarvoor nodig.
Niveau’s organisme
1. Organensystemen
2. Organen
3. Weefsels
4. Cellen
5. Biomoleculen
Soorten
- Monomeren (basisunit)
- Dimeren (2)
- Oligomeer (5-6-7)
- Polymeer (heel lang snoer)
Koolhydraten (suikers)
- Hydrofiel: lossen op in water
- 2 soorten
o Trage suikers (Vb. Suikerklontjes, fruit)
o Snelle suikers (Vb. Brood, aardappelen, pasta)
- 4 soorten sachariden (suikers)
o Monosacchariden: snelle suikers (snelle pieken)
o Disachariden
o Polysachariden
o Polysachariden: duurt uren (stijgt langzaam, blijft lang stabiel)
Voorbeeld (glucose)
Monomeer
- Glucose (C6H12O6) = altijd dezelfde verhouding
Basis = C (koolstof)
Daaraan = H (waterstof) & O (zuurstof)
Van Monomeer naar Dimeer (en andersom)
A. Dehydratatie
Water uit molecuul halen → 2 Monomeren bij elkaar = ontstaan dimeer + H2O
B. Hydrolise
Water toevoegen aan dimeer → opsplitsen in 2 monomeren
Polymeer
Zetmeel
Trage suiker → vertering duurt langer
,Lipiden (vetten)
- Hydrofoob = waterafstotend
- 3 soorten
o Triglyceriden: klassieke vetten → boter, melk, eigeel
o Fosfolipiden: basis van celmembraan
o Steroïden: Andere vorm en opbouw, MAAR zijn hydrofoob (daarom horen bij Lipiden)
Voorbeeld
Triglyceriden
Basisstructuur triglyceriden = 3 vetzuren + glycerol
- 3 koolstof + waterstof
- + koolzuurmolecule (COOH) (H zit in de keten)
- Ketens = vetzuren
Zwart = koolstof
Wit = waterstof
Rood = zuurstof
Verhouding tussen zuurstof & koolstof is anders ➔ waterafstotend (zuurstof nodig om verbinding te
maken met watermoleculen)
- Verzadigd = Vaste toestand
o Vaste toestand
o Ongezond
o Vb. Boter
- Onverzadigd (dubbele verbinding → zit een knik in)
o Vloeibaar
o Gezonder
o Vb. Olie
A. Dehydratie
H²O eruit halen → binden aan ander
B. Hydrolise
H²O toevoegen → uit elkaar halen
Steroïden
Cholesterol
- Aantal 6-ringen + Koolstofstaart + 1 zuurstof
- Cholesterol is basismolecuul om allemaal andere dingen te maken
Fosfolipiden
Rood = glycerol
+ 2 vetzuurstaarten
+ Fosfaatgroep → daaraan niet-lipidengroep met N
TYPISCHE EIGENSCHAP: kop (hydrofiel) en staart (hydrofoob)
Fosfolipiden vormen dubbellaag
Celmembraan: Grote moleculen
kunnen niet doorheen
,Proteïnen (eiwitten/peptiden)
- Soorten
o Aminozuren (monomeer)
o Dipeptiden
o Oligopeptiden
o Polypeptiden
o Enzymen
Voorbeelden
Aminozuur
C (in het centrum)
+H
+ N (aminogroep)
+ COOH
+ R (restgroep (geen chemisch element))
- Niet-essentiele aminozuren (die we zelf kunnen aanmaken)
VB. Van a1 eten maakt lichaam ook b
- Essentiële aminozuren (niet zelf aanmaken, hebben we nodig uit voeding)
Verschil tussen aminozuren zit in de restgroep
Dehydratatie of hydrolise om er 1 of 2 van te maken
Eiwitstructuur
- Primaire eiwitstructuur = keten van aminozuren
o Volgorde van aminozuren hangt af van genetische code
- Secundaire eiwit structuur
o verbinding tussen waterstof van carboxiel groep en aminogroep
➔ molecuul gaat plooien
o 2 vormen
▪ Alfa helix (draaitrap)
▪ Vrouwbladstructuur
- Tertiaire eiwit structuur
o Restgroepen trekken elkaar aan → er ontstaat een bepaalde vorm
o Vorm bepaald de functie van het eiwit
- Quaternaire eiwit structuur
o 2 kleine eiwitten haken in elkaar en vormen een groter eiwit
Enzymen
Kunnen 2 andere moleculen in vastzitten → 2 worden aan elkaar vastgemaakt
, Nucleïnezuren (genetisch materiaal)
Zit in celkern en vormt chromosomen
- Soorten
o DNA
o RNA
Basisunit
(Suiker + fosfaatgroep) keten + stikstofhoudende basis
Soorten stikstofhoudende basissen
- Adenine
- Guanine
- Cytosine
- Thymine (DNA)
- Uracil (RNA)
A bind aan T/U & C bind aan G ➔ ontstaan DNA (2 helixen met stikstofhoudende base naar binnen)
DNA - EIWIT
DNA-molecuul bestaat uit 2 DNA-strengen
- Chromosoom = lange, in elkaar gevlochten draad. (draad = DNA-molecule → bevat genetische
informatie voor erfelijke eigenschappen)
- 1 DNA-molecule = draad → 2 DNA-strengen
- In DNA zit informatie → Staat in de lengste van de DNA-streng
- → gevormd door de volgorde van de stikstofbasen (a-t & c-g)
- 3 basen vormen 1 triplet → door middel van genetische code
kun je een specifiek aminozuur maken
https://www.youtube.com/watch?v=KWgqvKdVxNE
Gen
= Deel van het DNA dat meerdere tripletten bevat en zorgt voor 1 erfelijke eigenschap
Eiwitsynthese
= Maken van eiwitten
Ribosomen (= organellen die eiwit maken) (in cytoplasma) willen eiwitsynthese doen maar hebben DNA (in
celkern) daarvoor nodig.