1. In de economie wordt vaak het begrip schaarste gebruikt. Schaarste:
a. is een gevolg van gebrekkig economisch handelen.
b. komt voort uit de oneindigheid van behoeften en de eindigheid van
middelen.
c. betekent dat mensen hun basisbehoeften niet kunnen bevredigen.
d. duidt op het onvermogen van economen om de toekomst te
voorspellen.
2. Een bedrijf heeft, in vergelijking met de bedrijfstakgenoten, een hoge
arbeidsproductiviteit, een hoge energie-intensiteit en een lage solvabiliteit.
De concurrentiepositie van dit bedrijf zal verslechteren als:
a. de rente daalt.
b. de lonen stijgen.
c. de dollarkoers daalt.
d. de olieprijzen stijgen.
3. Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft de volgende cijfers over de Nederlandse
economie bekend gemaakt:
De nominale economische groei was het afgelopen jaar 3%. De inflatie in datzelfde
jaar is uitgekomen op 2%. Wat is de reëel economische groei geweest in het
afgelopen jaar?
a. 1%
b. 3%
c. 5%
d. 6%
4. Op welk economisch niveau worden veranderingen in vraag en aanbod van
producten bestudeerd?
a. Op micro- en mesoniveau
b. Op macroniveau
c. Op monetair economisch niveau
d. Op het niveau van internationale economische betrekkingen.
, 5. Van een onderneming is in een basisjaar het volgende bekend:
De omzet bedraagt €600 mln. De nettowinst bedraagt €20 mln. Het volgende jaar
stijgt de omzet. De volgende componenten hebben daaraan bijgedragen:
Volume + 0,6%
Prijs + 1,3%
Beantwoord de volgende vragen:
a. Hoe groot is de omzet volgend jaar? (in mln. €)
b. Met hoeveel procent stijgt de omzet in prijzen van het basisjaar? (de reële
omzet)
c. De totale loonsom daalt met 2%. Het aantal werknemers is met 1%
afgenomen. Wat is de verandering in de arbeidsproductiviteit van de
onderneming?