Psychofarmacologie
Hoorcollege 1
Definition & Classification
Wat is pharmacology? Pharmacology (farmacologie) is:
de kennis over geneesmiddelen
én de wetenschap die onderzoekt hoe stoffen en het lichaam elkaar beïnvloeden
1. Historisch / praktisch “the art of preparing medication” → vroeger lag de nadruk op het
bereiden van medicijnen (denk aan apothekers).
2. Wetenschappelijk / modern “the science that deals with studying the reciprocal actions…” →
nu gaat het vooral om: wat doet een stof met het lichaam? Wat doet het lichaam met
de stof?
Dit wederkerige effect is later belangrijk bij:
pharmacodynamics (wat doet het middel?)
pharmacokinetics (wat doet het lichaam met het middel?)
Het woord pharmacon komt uit het Grieks en betekent: geneesmiddel, maar óók: gif
Dit benadrukt een belangrijk uitgangspunt: elke stof kan zowel helpend als schadelijk zijn — het
hangt af van dosis, context en gebruik
Het woord “drug” heeft verschillende betekenissen in het Engels en het Nederlands, wat vaak
verwarring veroorzaakt.
Engels: brede, wetenschappelijke betekenis, in het Engels is een drug:
elke farmacologisch actieve stof
elke stof die een fysiologisch effect heeft
inclusief: medicijnen (antidepressiva), verdovende middelen en stimulerende middelen
In wetenschappelijke Engelstalige literatuur is paracetamol óók een drug.
Nederlands: beperkte, maatschappelijke betekenis, in het Nederlands betekent “drug” meestal:
psychoactieve middelen
vaak illegaal
met een roesverwekkend effect
en verslavingsrisico
Voorbeelden: cocaïne, heroïne en xtc
Daarom spreken we in het Nederlands vaker over: geneesmiddelen, medicatie, in plaats van “drugs”
in een medische context.
Classification: hoe deel je drugs in? Mogelijke manieren om medicijnen te classificeren, en laat
zien dat geen enkele manier perfect is.
Chemische structuur
Stoffen indelen op basis van hun moleculaire opbouw
Probleem: stoffen met bijna dezelfde structuur kunnen heel verschillende effecten hebben
Voorbeeld: kleine structurele veranderingen → andere werking of bijwerkingen
Werkingsmechanisme
Indelen op basis van hoe een middel werkt in de hersenen
Ideaal vanuit wetenschap: sluit aan bij neurobiologie
Probleem: werkingsmechanisme is niet altijd volledig bekend en veel psychofarmaca werken op
meerdere systemen
,Gedragseffecten
Indelen op basis van wat het middel doet bij gedrag/symptomen
Voorbeeld: vermindert psychose → antipsychoticum; verbetert stemming →
antidepressivum
Dit is: praktisch, klinisch handig en makkelijk voor artsen
MAAR → dit leidt naar de volgende aantekening.
ATC vs NbN
Twee officiële classificatiesystemen.
ATC-systeem - Anatomical Therapeutic Chemical classification
gebaseerd op: waar het werkt (anatomisch) en waarvoor het wordt gebruikt (therapeutisch), sterk
gekoppeld aan gedragseffecten & indicatie
Oud (1976), WHO gold standard
- een middel wordt gelabeld naar één stoornis
- gebruik voor andere aandoeningen wordt minder logisch
- kan leiden tot: stigma en slechtere therapietrouw
Bijvoorbeeld: “Ik slik een antipsychoticum, maar ik ben toch niet psychotisch?”
NbN-systeem - Neuroscience-based Nomenclature
gebaseerd op: werkingsmechanisme, neurobiologie en pharmacologisch gedreven
Nieuw (2018), ontwikkeld door 5 grote organisaties
- nog weinig ingeburgerd
- niet erkend door WHO
- soms onvoldoende bewijs over exacte werking
Dezelfde medicijnen krijgen heel andere namen, afhankelijk van het systeem.
Voorbeeld: antipsychotica
ATC: Antipsychotics
NbN: Serotonin/Dopamine antagonists with antipsychotic actions
NbN beschrijft: wat het doet op receptor-niveau en niet de stoornis
Voorbeeld: antidepressiva
ATC: Antidepressants
NbN: Monoamine reuptake inhibitors with antidepressant action
Voordeel NbN: minder stigmatiserend accurater bij off-label gebruik
Een overzicht van de belangrijkste psychotrope geneesmiddelgroepen volgens ATC.
Psychotrope middelen → stoffen die de hersenen en het gedrag beïnvloeden
Hoofdklassen:
Antipsychotics
Antidepressants
Anxiolytics
Mood stabilizers
Hypnotics (slaapmiddelen)
Antipsychotica
Conventioneel (typisch), bv. Haloperidol
Atypisch, bv. Risperidone
→ verschil zit in: receptorwerking en bijwerkingen
Antidepressiva
Tricyclics (TCA) – Imipramine
,SSRI’s – Prozac
MAOI’s – Nardil
Dit laat zien dat: “antidepressivum” geen één type middel is, maar meerdere farmacologische routes
kent
Anxiolytica
Benzodiazepines – Valium
Niet-benzodiazepines – Buspiron
Mood stabilizers
Lithium → vooral bij bipolaire stoornis
Psychofarmacologie gaat niet alleen over psychiatrische medicatie, overige belangrijke groepen:
Anti-epileptica
beïnvloeden neuronale prikkelbaarheid
vaak ook gebruikt bij: angst en bipolaire stoornis
Stimulants
verhogen activiteit van het CZS
zowel: therapeutisch (methylfenidaat bij ADHD) en recreatief (cocaïne)
Narcotische pijnstillers
opioïden, sterke invloed op beloning & verslaving
CNS suppressors
dempend effect op hersenactiviteit
Psychedelics & hallucinogenen
veranderen perceptie en bewustzijn
steeds relevanter in onderzoek (bv. psilocybine bij depressie)
“Drug” en “medicijn” zijn context-afhankelijk
Classificatie is niet neutraal
ATC = praktisch & klinisch
NbN = biologisch & toekomstgericht
Psychofarmacologie zit op het snijvlak van: hersenen, gedrag en maatschappij
Administratie
Vier belangrijke stadia: het basisproces dat elk geneesmiddel doorloopt in het lichaam. Dit wordt
ook wel ADME genoemd: Absorption – Distribution – Metabolism – Excretion. Dit geldt voor alle
farmacologisch actieve stoffen, ongeacht of ze therapeutisch of recreatief zijn.
Absorption (absorptie)
Van toedieningsplaats → bloed
Hoe komt een middel: van tablet, injectie, huid, longen, uiteindelijk in de bloedbaan terecht?
Niet elk middel wordt volledig opgenomen, snelheid en hoeveelheid verschillen sterk per
toedieningsvorm
Distribution (distributie)
Van bloed → rest van het lichaam
Hoe verspreidt het middel zich: naar organen, naar hersenen, naar vetweefsel?
Voor psychofarmaca is vooral belangrijk: komt het middel door de bloed-hersenbarrière?
Metabolism (metabolisme)
Omzetting door het lichaam
Meestal in de lever, enzymen breken het middel af of zetten het om
, Kan leiden tot: inactieve stoffen en actieve metabolieten (die óók effect hebben)
Excretion (excretie)
Uitscheiding uit het lichaam
Vooral via: nieren (urine) en gal / feces, soms via: zweet en adem
Dit bepaalt: hoe lang een middel werkzaam blijft en hoe vaak je moet doseren
Belangrijke zin onderaan
Important processes; Pharmacokinetics & Pharmacodynamics
Dit betekent:
Pharmacokinetics = wat het lichaam met de drug doet (ADME)
Pharmacodynamics = wat de drug met het lichaam doet
Dit wordt straks expliciet uitgewerkt in subonderwerp 3.
Absorption: routes of administration
De manier van toedienen enorme invloed heeft op: snelheid, intensiteit, voorspelbaarheid en
bijwerkingen
Overzicht van toedieningsvormen
Orale toediening, via de mond (slikken): tablet, capsule, drank, opname via het maagdarmkanaal
- langzamer
- first-pass effect (lever breekt al deel af)
- beïnvloed door voedsel
+ veilig
+ makkelijk
+ patiëntvriendelijk
Rectaal: zetpillen, deels omzeiling van first-pass effect
Wordt gebruikt als: orale toediening niet mogelijk is (misselijkheid, bewusteloosheid)
Topical (plaatselijk)
Via de huid: crèmes, pleisters
Via orale mucosa: slijmvlies van de mon
Sublinguaal: onder de tong
Buccaal: tussen wang en tandvlees
+ snelle opname
+ omzeilen vaak de lever
+ direct in bloed
Voorbeeld: nitroglycerine onder de tong
Parenteral (niet via het maagdarmkanaal)
Intravenous (IV): direct in de bloedbaan → snelste werking, 100% biologisch beschikbaar en
groot risico bij foutdosering
Intramuscular (IM): in spier
Langzamer dan IV, meer geleidelijke afgifte
Subcutaneous (SC): onder de huid
Nog langzamer, vaak bij insuline
Inhalation, via longen
Zeer snelle opname, groot oppervlak longblaasjes
Voorbeelden: nicotine, cannabis en anesthetica
De toedieningsvorm bepaalt hoe snel, hoe sterk en hoe lang een middel werkt
Distribution
Nu het middel in het bloed zit, is de volgende vraag: Waar gaat het naartoe?
In het bloed – albumine
Veel medicijnen: binden zich aan plasma-eiwitten (vooral albumine)
Hoorcollege 1
Definition & Classification
Wat is pharmacology? Pharmacology (farmacologie) is:
de kennis over geneesmiddelen
én de wetenschap die onderzoekt hoe stoffen en het lichaam elkaar beïnvloeden
1. Historisch / praktisch “the art of preparing medication” → vroeger lag de nadruk op het
bereiden van medicijnen (denk aan apothekers).
2. Wetenschappelijk / modern “the science that deals with studying the reciprocal actions…” →
nu gaat het vooral om: wat doet een stof met het lichaam? Wat doet het lichaam met
de stof?
Dit wederkerige effect is later belangrijk bij:
pharmacodynamics (wat doet het middel?)
pharmacokinetics (wat doet het lichaam met het middel?)
Het woord pharmacon komt uit het Grieks en betekent: geneesmiddel, maar óók: gif
Dit benadrukt een belangrijk uitgangspunt: elke stof kan zowel helpend als schadelijk zijn — het
hangt af van dosis, context en gebruik
Het woord “drug” heeft verschillende betekenissen in het Engels en het Nederlands, wat vaak
verwarring veroorzaakt.
Engels: brede, wetenschappelijke betekenis, in het Engels is een drug:
elke farmacologisch actieve stof
elke stof die een fysiologisch effect heeft
inclusief: medicijnen (antidepressiva), verdovende middelen en stimulerende middelen
In wetenschappelijke Engelstalige literatuur is paracetamol óók een drug.
Nederlands: beperkte, maatschappelijke betekenis, in het Nederlands betekent “drug” meestal:
psychoactieve middelen
vaak illegaal
met een roesverwekkend effect
en verslavingsrisico
Voorbeelden: cocaïne, heroïne en xtc
Daarom spreken we in het Nederlands vaker over: geneesmiddelen, medicatie, in plaats van “drugs”
in een medische context.
Classification: hoe deel je drugs in? Mogelijke manieren om medicijnen te classificeren, en laat
zien dat geen enkele manier perfect is.
Chemische structuur
Stoffen indelen op basis van hun moleculaire opbouw
Probleem: stoffen met bijna dezelfde structuur kunnen heel verschillende effecten hebben
Voorbeeld: kleine structurele veranderingen → andere werking of bijwerkingen
Werkingsmechanisme
Indelen op basis van hoe een middel werkt in de hersenen
Ideaal vanuit wetenschap: sluit aan bij neurobiologie
Probleem: werkingsmechanisme is niet altijd volledig bekend en veel psychofarmaca werken op
meerdere systemen
,Gedragseffecten
Indelen op basis van wat het middel doet bij gedrag/symptomen
Voorbeeld: vermindert psychose → antipsychoticum; verbetert stemming →
antidepressivum
Dit is: praktisch, klinisch handig en makkelijk voor artsen
MAAR → dit leidt naar de volgende aantekening.
ATC vs NbN
Twee officiële classificatiesystemen.
ATC-systeem - Anatomical Therapeutic Chemical classification
gebaseerd op: waar het werkt (anatomisch) en waarvoor het wordt gebruikt (therapeutisch), sterk
gekoppeld aan gedragseffecten & indicatie
Oud (1976), WHO gold standard
- een middel wordt gelabeld naar één stoornis
- gebruik voor andere aandoeningen wordt minder logisch
- kan leiden tot: stigma en slechtere therapietrouw
Bijvoorbeeld: “Ik slik een antipsychoticum, maar ik ben toch niet psychotisch?”
NbN-systeem - Neuroscience-based Nomenclature
gebaseerd op: werkingsmechanisme, neurobiologie en pharmacologisch gedreven
Nieuw (2018), ontwikkeld door 5 grote organisaties
- nog weinig ingeburgerd
- niet erkend door WHO
- soms onvoldoende bewijs over exacte werking
Dezelfde medicijnen krijgen heel andere namen, afhankelijk van het systeem.
Voorbeeld: antipsychotica
ATC: Antipsychotics
NbN: Serotonin/Dopamine antagonists with antipsychotic actions
NbN beschrijft: wat het doet op receptor-niveau en niet de stoornis
Voorbeeld: antidepressiva
ATC: Antidepressants
NbN: Monoamine reuptake inhibitors with antidepressant action
Voordeel NbN: minder stigmatiserend accurater bij off-label gebruik
Een overzicht van de belangrijkste psychotrope geneesmiddelgroepen volgens ATC.
Psychotrope middelen → stoffen die de hersenen en het gedrag beïnvloeden
Hoofdklassen:
Antipsychotics
Antidepressants
Anxiolytics
Mood stabilizers
Hypnotics (slaapmiddelen)
Antipsychotica
Conventioneel (typisch), bv. Haloperidol
Atypisch, bv. Risperidone
→ verschil zit in: receptorwerking en bijwerkingen
Antidepressiva
Tricyclics (TCA) – Imipramine
,SSRI’s – Prozac
MAOI’s – Nardil
Dit laat zien dat: “antidepressivum” geen één type middel is, maar meerdere farmacologische routes
kent
Anxiolytica
Benzodiazepines – Valium
Niet-benzodiazepines – Buspiron
Mood stabilizers
Lithium → vooral bij bipolaire stoornis
Psychofarmacologie gaat niet alleen over psychiatrische medicatie, overige belangrijke groepen:
Anti-epileptica
beïnvloeden neuronale prikkelbaarheid
vaak ook gebruikt bij: angst en bipolaire stoornis
Stimulants
verhogen activiteit van het CZS
zowel: therapeutisch (methylfenidaat bij ADHD) en recreatief (cocaïne)
Narcotische pijnstillers
opioïden, sterke invloed op beloning & verslaving
CNS suppressors
dempend effect op hersenactiviteit
Psychedelics & hallucinogenen
veranderen perceptie en bewustzijn
steeds relevanter in onderzoek (bv. psilocybine bij depressie)
“Drug” en “medicijn” zijn context-afhankelijk
Classificatie is niet neutraal
ATC = praktisch & klinisch
NbN = biologisch & toekomstgericht
Psychofarmacologie zit op het snijvlak van: hersenen, gedrag en maatschappij
Administratie
Vier belangrijke stadia: het basisproces dat elk geneesmiddel doorloopt in het lichaam. Dit wordt
ook wel ADME genoemd: Absorption – Distribution – Metabolism – Excretion. Dit geldt voor alle
farmacologisch actieve stoffen, ongeacht of ze therapeutisch of recreatief zijn.
Absorption (absorptie)
Van toedieningsplaats → bloed
Hoe komt een middel: van tablet, injectie, huid, longen, uiteindelijk in de bloedbaan terecht?
Niet elk middel wordt volledig opgenomen, snelheid en hoeveelheid verschillen sterk per
toedieningsvorm
Distribution (distributie)
Van bloed → rest van het lichaam
Hoe verspreidt het middel zich: naar organen, naar hersenen, naar vetweefsel?
Voor psychofarmaca is vooral belangrijk: komt het middel door de bloed-hersenbarrière?
Metabolism (metabolisme)
Omzetting door het lichaam
Meestal in de lever, enzymen breken het middel af of zetten het om
, Kan leiden tot: inactieve stoffen en actieve metabolieten (die óók effect hebben)
Excretion (excretie)
Uitscheiding uit het lichaam
Vooral via: nieren (urine) en gal / feces, soms via: zweet en adem
Dit bepaalt: hoe lang een middel werkzaam blijft en hoe vaak je moet doseren
Belangrijke zin onderaan
Important processes; Pharmacokinetics & Pharmacodynamics
Dit betekent:
Pharmacokinetics = wat het lichaam met de drug doet (ADME)
Pharmacodynamics = wat de drug met het lichaam doet
Dit wordt straks expliciet uitgewerkt in subonderwerp 3.
Absorption: routes of administration
De manier van toedienen enorme invloed heeft op: snelheid, intensiteit, voorspelbaarheid en
bijwerkingen
Overzicht van toedieningsvormen
Orale toediening, via de mond (slikken): tablet, capsule, drank, opname via het maagdarmkanaal
- langzamer
- first-pass effect (lever breekt al deel af)
- beïnvloed door voedsel
+ veilig
+ makkelijk
+ patiëntvriendelijk
Rectaal: zetpillen, deels omzeiling van first-pass effect
Wordt gebruikt als: orale toediening niet mogelijk is (misselijkheid, bewusteloosheid)
Topical (plaatselijk)
Via de huid: crèmes, pleisters
Via orale mucosa: slijmvlies van de mon
Sublinguaal: onder de tong
Buccaal: tussen wang en tandvlees
+ snelle opname
+ omzeilen vaak de lever
+ direct in bloed
Voorbeeld: nitroglycerine onder de tong
Parenteral (niet via het maagdarmkanaal)
Intravenous (IV): direct in de bloedbaan → snelste werking, 100% biologisch beschikbaar en
groot risico bij foutdosering
Intramuscular (IM): in spier
Langzamer dan IV, meer geleidelijke afgifte
Subcutaneous (SC): onder de huid
Nog langzamer, vaak bij insuline
Inhalation, via longen
Zeer snelle opname, groot oppervlak longblaasjes
Voorbeelden: nicotine, cannabis en anesthetica
De toedieningsvorm bepaalt hoe snel, hoe sterk en hoe lang een middel werkt
Distribution
Nu het middel in het bloed zit, is de volgende vraag: Waar gaat het naartoe?
In het bloed – albumine
Veel medicijnen: binden zich aan plasma-eiwitten (vooral albumine)