Leerdoelen
- Het informatieverwerkingsmodel van onze cognitie beschrijven.
- Uitleggen hoe in dat model het zintuiglijk geheugen, het kortetermijngeheugen en het
langetermijngeheugen zich tot elkaar verhouden.
- De rol beschrijven van aandacht en van diverse executieve functies bij de werking van het
geheugen.
- Het werkgeheugen beschrijven, met name de manier waarop dit als fonologische lus kan
worden opgevat.
- De verschillende soorten geheugen beschrijven, zoals impliciet en expliciet, semantisch,
episodisch en procedureel geheugen.
- De factoren herkennen en benoemen die van invloed zijn op de geheugenopslag en
consolidatie.
- De factoren herkennen en benoemen die van invloed zijn op het terughalen van
informatie uit het geheugen.
Geheugen, aandacht en bewustzijn
• Judith Harris (2005) definieerde persoonlijkheid als de ontwikkeling tijdens de
kindertijd van chronische gedragspatronen (samen met cognitieve en emotionele
bijbehorende patronen) die van individu tot individu verschillen.
Aandacht: filter om informatie te onderverdelen; anders overbelast.
Bewustzijn: het ervaren van de eigen mentale gebeurtenissen op zo’n manier dat men
erover kan rapporteren aan anderen (Baars & Franklin, 2003). Zelfbewustzijn speelde een
belangrijke rol in de menselijke cognitieve evolutie.
1
,Soorten geheugen; informatieverwerkingsmodel
Sensorisch geheugen; de korte verlenging van sensorische ervaring
• Duur: zeer kort:
• Functie: houdt zintuiglijke input even vast zodat analyse mogelijk is.
• Elk sensorisch systeem (zien, horen, voelen, ruiken, proeven) heeft een aparte
sensorische geheugenopslag.
• Alle sensorische input wordt heel kort opgenomen, aandacht speelt geen rol. Meeste
info komt niet ons bewustzijn binnen. We worden ons alleen bewust van de items die
door het selectieve proces van aandacht worden omgezet in WG. Vb.: nabeeld van flits.
Kortetermijngeheugen/werkgeheugen; Bewuste waarneming en gedachten
• Wanneer je aandacht besteedt aan info uit SG (omgeving) of LG (kennis uit eerdere
ervaringen), komt het in KG.
• Functie: Tijdelijke opslag en bewerking van informatie, in prefrontale cortex.
▪ Bewust denken, voelen, waarnemen, rekenen etc. door:
➢ Aandacht → input uit sensorisch geheugen (huidige ervaring).
➢ Retrieval → info ophalen uit langetermijngeheugen (eerdere ervaringen).
• Capaciteit: erg klein: ongeveer 7 ± 2 items (Miller, 1956). Over langere termijn verwerkt
het heel veel info. Info verdwijnt na ca. 20 s zonder herhaling. Bijv. verificatiecode
onthouden.
• Alan Baddeley verdeelt het werkgeheugen in 3 (laatste later toegevoegd) componenten:
1. Phonological loop: verbale en auditieve info vasthouden, tel.nr. onthouden.
• Short-term memory span: max. aantal items dat je direct kan herhalen.
• Working memory span: minder items, want je voert tegelijk een taak uit, bijv.
rekenen. Is ongeveer 2 items korter dan de memory span.
2. Central executive; coördineert info en koppelt KG aan LG. Selecteert waar
aandacht naartoe gaat. Voorbeeld: tijdens hoofdrekenen gebruik je zowel je
fonologische lus (cijfers onthouden) als schetsblok (beeld van getallen), terwijl de
centrale verwerker regelt welke strategie je volgt.
3. Visuospatial sketch pad; houdt visuele en ruimtelijke informatie vast. Voorbeeld:
plattegrond onthouden.
4. Episodic buffer: integreert info tot samenhangende episodes. Helpt bij koppeling
aan LG.
➢ Belangrijk: multitasking bestaat eigenlijk niet, je wisselt gewoon snel en goed van taak.
➢ Het werkgeheugen verliest informatie snel zonder actieve verwerking (herhaling).
Langetermijngeheugen; Informatiebibliotheek van de geest
• Opslag van alles wat we weten. Vrijwel onbeperkte capaciteit, levenslange opslag.
• Hersengebieden:
o Hippocampus → nieuwe herinneringen.
o Amygdala → emotionele lading.
o Geen enkel specifiek gebied → geheugen zit in netwerken.
• Niet bewust van info in LG, alleen als ze naar KG zijn geplaatst. Als boeken op een
bibliotheekplank.
2
,Controleprocessen
Strategieën om informatie door het geheugensysteem te verplaatsen en prestaties te
verbeteren.
1. Attention: bepaalt welke info van SG → KG gaat. Omdat SG veel info bevat en KG beperkt
is, moet aandacht de instroom beperken.
o Cocktailparty-effect: je hoort je naam vallen op een druk feest, ondanks alle afleiding.
2. Encoding: proces waarbij informatie van KG → LG gaat. Bewust (leren van gedicht) of
onbewust (door interesse iets onthouden). Gezicht koppelen aan een naam.
3. Retrieval: is het terughalen van informatie uit LG → KG. Bewust (herinneren) of
automatisch. Weg naar school herinneren.
• Onderscheid tussen moeilijke (effortfull) en automatische processen:
o Moeilijke (effortfull) processen: vergen bewuste aandacht en mentale
inspanning, maar kunnen met oefening automatischer worden.
o Automatische processen: verlopen zonder aandacht, verstoren andere taken niet,
verbeteren niet met oefening, geen invloed door intelligentie of motivatie.
Dual-processing theorie; Daniel Kahneman
• Systeem 1: Fast-thinking
o Intuïtief, automatisch en onbewust. Gebruikt weinig mentale inspanning.
o Werkt op basis van ervaring, associaties en patronen. Voorbeeld: 2 + 2 = ?
• Systeem 2: Slow-thinking
o Bewust, logisch en inspannend. Gebruikt meer mentale energie.
o Nuttig voor nieuwe of complexe problemen die aandacht vereisen.
o Voorbeeld: 14 x 39 = ?
• S1 is verantwoordelijk voor veel visuele illusies (zoals Müller-Lyer-illusie →), trekt
automatische conclusies op basis van waargenomen patronen.
• S2 is uniek ontwikkeld bij mensen en minder bij dieren. Voordelen: redeneren,
herinneringen op te halen, problemen doelgericht oplossen.
3
, Aandacht: De poort naar bewustzijn
• Evolutionair voordeel aandacht: we focussen op belangrijke prikkels, maar blijven alert
op onverwachte gevaren.
• 2 tegengestelde behoeften van ons aandachtsysteem:
o Gerichte aandacht: mentale energie concentreren op één taak of stimulus.
o Waakzame aandacht: snel kunnen reageren op nieuwe, onverwachte of
bedreigende prikkels.
• Cognitieve psychologen onderzoeken hoe onze geest deze twee eisen in balans houdt.
Het aandachtsmodel
Model waarin aandacht wordt gezien als poort tussen SG en KG.
• Alle zintuiglijke informatie komt eerst kort in SG terecht, waar het onbewust en
automatisch wordt geanalyseerd op relevantie: pre-attentive processing.
• Alleen info, belangrijk voor bewustzijn of overleving, mag “door de poort” naar KG en
ons bewustzijn.
• Dit selectieproces wordt deels van bovenaf gecontroleerd door onze bewuste doelen en
verwachtingen: top-down control.
• Blijft een discussie hoe selectie precies plaatsvindt en hoe hersenen “openheid” van
poort regelen. Nieuwere theorieën zien aandacht als dynamisch systeem, dat constant
wordt beïnvloed door zowel omgeving als interne toestand (motivatie, alertheid).
Het vermogen om aandacht te richten en irrelevante prikkels te negeren
• Selectief luisteren: Mensen zijn zeer goed in concentreren op relevante info en storende
prikkels te negeren. Vaak onderzoek via cocktailparty-fenomeen. Mensen kunnen
irrelevante info wegfilteren, hoewel een deel daarvan onbewust nog steeds wordt
verwerkt.
• Selectieve waarneming: aandacht kan enkel worden gericht op hetgeen waar we naar
kijken, je kan niet 360 graden kijken. Bij het laten zien van veel beelden achter elkaar,
vinden mensen het lastig om specifieke info (kleur van object) te onthouden.
o Gorilla experiment, Simons en Chabris (1999): studenten keken naar video waarin
twee teams bal overgooiden en moesten het aantal keren overgooien tellen. Er
liep een vrouw in gorillapak door het beeld. Bijna 50% van de kijkers merkte de
gorilla niet op. Wanneer iets duidelijk zichtbaar is, maar we het niet waarnemen
omdat onze aandacht elders is gericht: inattentional blindness. Goochelaars en
zakenrollers gebruiken dit ook.
4