Student: Claudia den Toonder
Studentennummer:
Klas:
Docent:
,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: Ontwikkelende levensbeschouwing..................................................................................3
Hoofdstuk 2: Voorbereiding praktijkopdracht........................................................................................6
Hoofdstuk 3: De praktijk.........................................................................................................................7
Bibliografie.............................................................................................................................................8
Bijlagen...................................................................................................................................................9
Bijlage 1............................................................................................................................................10
Bijlage 2............................................................................................................................................15
, Hoofdstuk 1: Ontwikkelende levensbeschouwing
De levensbeschouwelijke ontwikkeling van kinderen kan onderverdeeld worden in verschillende niveaus.
Kohlberg (in van Beemen, 2015) heeft hier in de jaren zeventig en tachtig onderzoek naar gedaan door aan
kinderen van verschillende leeftijden een casus voor te leggen. Aan de hand van hun antwoorden en redenaties
heeft hij stadia-theorie opgesteld. Bij elke levensfase hoort een ander stadium van ontwikkeling. Omdat niet elk
kind eenzelfde ontwikkeling doormaakt, kan het betreffende stadium minder sterk aan een leeftijd worden
gekoppeld maar mag men er wel van uit gaan dat de fasen in min of meer dezelfde volgorde worden doorlopen.
De fasen waar Kohlberg het over heeft zijn hieronder weergegeven.
Niveau en leeftijd
Preconventioneel niveau (vóór het 9e jaar) Directe consequenties (beloning nastreven).
Gericht op zichzelf.
Straf vermijden (hoe voorkom ik straf?).
Individuele handelingsdoeleinden en uitwisselingen
(wat heb ik er zelf aan?).
Conventioneel niveau (vanaf het 9e jaar tot puberteit) Wat vindt de maatschappij goed?
Wat is in het algemeen aanvaard?
In stand houden van de maatschappelijke orde (wat
zijn de regels?).
Postconventioneel niveau (vanaf volwassenheid) Goed en slecht zijn.
Universele en individuele principes hanteren.
Er zijn geen eenduidige regels, per persoon en situatie
anders (principes afwegen).
Wat is goed voor de mensheid, universum en aarde?
Ook Fowler (in De Schepper, 2017) heeft de levensbeschouwelijke ontwikkeling van kinderen beschreven en hij
introduceerde in 1981 de Faith Development Theory. Zijn theorie beschrijft de ontwikkeling van zingeving (faith).
Hij probeert een algemeen beeld te schetsen dat kenmerkend is voor de ontwikkeling van alle kinderen en hun
verschillende levensfasen. Hij erkent dat kinderen hierin sterk beïnvloed worden door de traditie of het geloof van
het gezin waarin ze opgroeien.
Fowler onderscheid 7 fasen waarbij de leeftijdsaanduidingen relatief zijn en waarbij de fasen vloeiend in elkaar
overlopen. De fasen die voor de onderbouw, middenbouw en bovenbouw op de basisschool van toepassing zijn:
Fase 1: intuïtief-projecterende levensbeschouwing (2/3 jaar -7 jaar).
Binnen deze fase noemt hij de levensbeschouwing projecterend (de bron van de betekenis van dingen en
gebeurtenissen ligt binnen buiten het kind en hij/zij ordent het bestaan door de nabootsing van en de identificatie
van deze bronnen) en intuïtief-projecterend (de identificatie met de bronnen gebeurt ongemerkt en onbewust). De
kenmerken die bij deze fase horen zijn:
De wereld in fragmenten. Dit wil zeggen dat de ervaring van het kind in losse flarden gezien wordt. De
flarden vormen nog geen geheel waardoor hun wereldbeeld uit losse ervaringen bestaat. Deze losse
ervaringen kunnen een hele diepe indruk op het kind achterlaten en verband houden met hun eigen
fundamentele levensgevoel op latere leeftijd. Robinson (in De Schepper, 2017) noemt deze
fragmentarische herinnering die ongewoon helde en levendig aanwezig blijven het ‘flitslicht-geheugen’.
Imitatie en identificatie. De samenhang in het leven komt op deze leeftijd niet uit eigen ervaring maar
wordt gevormd door imitatie van en identificatie met ouders (en directe opvoeders). Zij zijn hierin
almachtig en onaantastbaar.
Associatief denken en verbeelding. Het kind denkt nog niet logisch (in oorzaak en gevolg) maar eerder
associatief. Hij legt verbanden vanuit zijn directe ervaring en gevoel en hij kan nog geen onderscheid
maken tussen symbool en werkelijkheid en er is alle ruimte voor verbeelding en fantasie.
Ik-gericht. De kleuter is nog totaal ik-gericht en kan de buitenwereld niet los zien van zichzelf. Hierdoor
kan hij zich nog niet of moeilijk verplaatsen in het standpunt of in de zienswijze van een ander. Sociaal
gedrag zal in eerste instantie alleen vanuit externe motivatie groeien en vanuit het eigen profijt. Dit komt