Goederenrecht Hoofdstuk 3
3.1 Inleiding
Art. 5:1 BW bepaalt dat eigendom ( volledig recht) het meest omvattende recht is dat een
persoon op een zaak kan hebben.
3.2 Aard
Eigendom is een goederenrechtelijk recht, dat brengt met zich mee dat het tegen ieder
inroepbaar is (absolute werking, droit de suit).
Eigendom is een subjectief recht, het heeft betrekking op de juridische verhouding tussen
een persoon en een zaak, in tegenstelling tot bezit en houderschap, die de feitelijke
verhouding tussen een persoon en een goed regelen (art. 3:107 e.v. BW).
Alle beperkte rechten zijn afgeleid uit meer omvattende rechten (art. 3:8 BW).
3.3 Subject
Alle door het recht erkende subjecten, te weten alle natuurlijke personen en
rechtspersonen, kunnen eigenaar zijn. Het is mogelijk dat meerdere personen gezamenlijk
een eigendomsrecht hebben.
Op één zaak kan slechts één eigendomsrecht rusten. Hebben twee personen een zaak in
mede-eigendom, dan oefenen twee personen het eigendomsrecht gezamenlijk uit (art.
3:166 BW). Ieder heeft een aandeel in de zaak. Het aandeel is een vermogensrecht (art. 3:6
BW) en geeft gerechtigdheid met betrekking tot de gemeenschappelijke zaak aan.
3.4 Object
Degene die gerechtigd is tot een vermogensrecht is geen eigenaar maar rechthebbende.
Een aanvullende eis voor het hebben van een eigendomsrecht op een zaak is dat duidelijk is
op welke zaak de eigendom precies betrekking heeft. Indien een zaak bij soortgelijke zaken
van een ander terecht komt en niet meer onderscheiden kan worden welke zaak aan welke
persoon toebehoort, is een eigendomsrecht op de eerstgenoemde zaak niet meer
aantoonbaar -> oneigenlijke vermenging (zaken blijven bestaan).
Degene die de feitelijke macht heeft over een zaak wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed
eigenaar te zijn.
Eigendom omvat blijkens art. 5:3 BW alle bestanddelen van een zaak (art. 3:4 BW). Een
bestanddeel heeft goederenrechtelijk geen zelfstandige status. Zijn lot volgt dat van de
hoofdzaak (eenheidsbeginsel).
Van natrekking (art. 5:14 BW) is sprake indien een zaak bestanddeel wordt van een andere
roerende zaak. Het bestanddeel houdt op een zelfstandige zaak te zijn. De eigenaar van de
hoofdzaak is tevens eigenaar van het bestanddeel. Eenzelfde regel geldt voor het geval
meerdere zaken door vermenging tot een zaak worden verenigd (art. 5:15 BW). De
eigendom komt toe aan de eigenaar van de hoofdzaak of aan de eigenaar van de
oorspronkelijke zaken gezamenlijk (vloeistoffen).
Het eenheidsbeginsel speelt ook een rol bij zaaksvorming, die optreedt indien uit meerdere
zaken één nieuwe zaak wordt gevormd (art. 5:16 BW).
3.1 Inleiding
Art. 5:1 BW bepaalt dat eigendom ( volledig recht) het meest omvattende recht is dat een
persoon op een zaak kan hebben.
3.2 Aard
Eigendom is een goederenrechtelijk recht, dat brengt met zich mee dat het tegen ieder
inroepbaar is (absolute werking, droit de suit).
Eigendom is een subjectief recht, het heeft betrekking op de juridische verhouding tussen
een persoon en een zaak, in tegenstelling tot bezit en houderschap, die de feitelijke
verhouding tussen een persoon en een goed regelen (art. 3:107 e.v. BW).
Alle beperkte rechten zijn afgeleid uit meer omvattende rechten (art. 3:8 BW).
3.3 Subject
Alle door het recht erkende subjecten, te weten alle natuurlijke personen en
rechtspersonen, kunnen eigenaar zijn. Het is mogelijk dat meerdere personen gezamenlijk
een eigendomsrecht hebben.
Op één zaak kan slechts één eigendomsrecht rusten. Hebben twee personen een zaak in
mede-eigendom, dan oefenen twee personen het eigendomsrecht gezamenlijk uit (art.
3:166 BW). Ieder heeft een aandeel in de zaak. Het aandeel is een vermogensrecht (art. 3:6
BW) en geeft gerechtigdheid met betrekking tot de gemeenschappelijke zaak aan.
3.4 Object
Degene die gerechtigd is tot een vermogensrecht is geen eigenaar maar rechthebbende.
Een aanvullende eis voor het hebben van een eigendomsrecht op een zaak is dat duidelijk is
op welke zaak de eigendom precies betrekking heeft. Indien een zaak bij soortgelijke zaken
van een ander terecht komt en niet meer onderscheiden kan worden welke zaak aan welke
persoon toebehoort, is een eigendomsrecht op de eerstgenoemde zaak niet meer
aantoonbaar -> oneigenlijke vermenging (zaken blijven bestaan).
Degene die de feitelijke macht heeft over een zaak wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed
eigenaar te zijn.
Eigendom omvat blijkens art. 5:3 BW alle bestanddelen van een zaak (art. 3:4 BW). Een
bestanddeel heeft goederenrechtelijk geen zelfstandige status. Zijn lot volgt dat van de
hoofdzaak (eenheidsbeginsel).
Van natrekking (art. 5:14 BW) is sprake indien een zaak bestanddeel wordt van een andere
roerende zaak. Het bestanddeel houdt op een zelfstandige zaak te zijn. De eigenaar van de
hoofdzaak is tevens eigenaar van het bestanddeel. Eenzelfde regel geldt voor het geval
meerdere zaken door vermenging tot een zaak worden verenigd (art. 5:15 BW). De
eigendom komt toe aan de eigenaar van de hoofdzaak of aan de eigenaar van de
oorspronkelijke zaken gezamenlijk (vloeistoffen).
Het eenheidsbeginsel speelt ook een rol bij zaaksvorming, die optreedt indien uit meerdere
zaken één nieuwe zaak wordt gevormd (art. 5:16 BW).