Thema 1.1 sociale wetenschappen:
Om een compleet beeld te krijgen van de ontwikkeling van de mens, zijn er een
aantal sociale wetenschappen.
Psychologie: is een wetenschap die het gedrag en de ontwikkeling van de gezonde
mens onderzoek. Psychologen bestuderen hoe mensen denken, voelen en
handelen. Ze kijken ook naar de neurologische processen die daarin ten onderslag
liggen.
Sociologie: kijkt naar de manier waarop mensen met elkaar omgaan en elkaar
beïnvloeden. Sociologen onderzoeken patronen in de maatschappij en de effecten
daarvan op het individu.
Psychiatrie: behoort tot de geneeskunde en houdt zich bezig met diagnose en de
behandeling van psychische stoornissen, emotionele stoornissen en
gedragsstoornissen. Deze wetenschap geeft inzicht in wat gezond en afwijkend
gedrag is.
Pedagogiek: houdt zich bezig met de invloed van de opvoeding op de ontwikkeling.
Orthopedagogie: onderzoekt stoornissen in de normale ontwikkeling. Daarnaast
richt de orthopedagogie zich op de behandeling van kinderen en jongeren die in het
dagelijks leven in hun ontwikkeling geremd worden.
Antropologie: kijkt naar de mens in al zijn aspecten, zowel lichamelijk als cultureel.
Deze wetenschap wordt daarom zowel onder de sociale wetenschappen als onder
de gedragswetenschappen geplaatst
Onderwijswetenschappen: houden zich bezig met hoe kinderen en volwassene
leren. Het doel is om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen en erachter te komen
hoe kennis het beste kan worden overgedragen.
Thema 1.2 indeling in ontwikkelingsgebieden
De mens ontwikkelt zich op verschillende gebieden:
Lichamelijke ontwikkeling: hoe je lichaam groeit en hoe het verandert. Maar ook:
hoe je het gezond houdt. Dit zijn allemaal lichamelijke en motorische aspecten.
Cognitieve ontwikkeling: hierbij kijk je naar de ontwikkeling van het brein en de
manier waarop mensen leren, denken en begrijpen. Ook de creativiteit, de
waarneming en de fantasie en het geheugen vallen onder de cognitieve
ontwikkeling.
, Sociaal-emotionele ontwikkeling: dit aspect gaat over het gevoelsleven en de
sociale omgang met elkaar.
Communicatieve ontwikkeling: de manier waarop je communiceert met anderen.
Je zet hierbij spraak en taal in om je boodschap over te brengen en de ander te
begrijpen.
Morele ontwikkeling: het besef van goed en kwaak ontwikkelen en je eigen
standpunt hierover vormen.
Seksuele ontwikkeling: hier gaat over seksuele gevoelens zoals lust, bevrediging of
het ontdekken wat prettig voelt. Tot aan de puberteit is er van seksualiteit nog geen
sprake van. Daarom hebben we het voor die tijd over sensuele ontwikkeling.
Thema 1.3 de lichamelijke ontwikkeling
Anatomie brengt alle inwendige lichaamsdelen in beeld, maar dan weet je nog niet
hoe ze precies werken. Dat is waar fysiologie over gaat. Fysiologie houdt zich bezig
met de werking (functie) van de organen. De normale en gezonde werking van de
menselijke organen wordt bestudeerd.
Voorbeelden van de verschillende deelgebieden van fysiologie:
Celfysiologie: de werking van cellen.
Neurofysiologie: de werking van het zenuwstelsel.
De menselijke anatomische ontwikkeling:
De eerste tandjes zie je gemiddeld tussen de 3 en 5 maanden. Rond de 6 maanden
wordt het tijd om bij te voeden. Een baby haalt dan onvoldoende energie uit enkel
melk. Het lichaam van een baby groeit vooral tijdens de slaap, het is daarom van
belang dat een baby genoeg slaapt en rust.
Peuters groeien van een baby met babyvet naar een klein minimens. Het melkgebit
wordt aangevuld en het groeien in lichaamslengte lijkt maar niet te stoppen. Peuters
zijn ondernemend en willen de wereld ontdekken. Ze worden steeds meer bewust
van hun eigen lichaam en de mogelijkheden hiervan.
Kleuters wisselen geleidelijk hun melkgebit in voor het gebit dat ze hun leven lang
houden. Pubers hebben lange ledematen. Ze kunnen zich onhandig voelen met hun
lange armen en benen. De groei van het lichaam stopt bij meisjes bij 12 tot 13 jaar.
Bij jongens is dit gemiddeld als ze 13 tot 14 jaar zijn. Dit is een anatomisch verschil.
Jongens groeien vaak nog twee jaar langer door in de lengte in vergelijking met
meisjes. Bij jongens zijn de botten gemiddeld zwaarder dan bij meisjes en neemt
spiermassa toe.
Rond het 5e tot 7e jaar is de handvoorkeur duidelijk. Voor die tijd kunnen ze nog
voorkeur hebben voor zo wel links als rechts.