3.1
- Een infectie is een ontstekingsreactie van het lichaam op het binnendringen van micro-organismen
in weefsels. Ondanks de beschikbaarheid van medicijnen en vaccins vormen infectieziekten nog een
groot risico dit komt voor een groot deel doordat het voorkomen van infectieziekte vooral gaat om
bestrijden van armoede, beschikking over schoon drinkwater, adequate rioleringsstelsels en een
goede hygiëne. Het onjuist en overmatig gebruik van antibiotica zorgt ervoor dat bacteriën er reistent
tegen worden, waardoor ze zich weer kunnen verspreiden. Ook nieuwe infectieziekten kunnen de
mens treffen, bijvoorbeeld die van dier naar mens overgaan (zoönosen)
3.2
- Infectieziekten worden veroorzaakt door micro-organismen, ook wel verwekkers. Dit zijn zeer kleine
organismen die niet met het blote oog waarneembaar zijn. Ze kunnen het lichaam binnendringen en
ziekteverschijnselen oproepen. De ziekteverwekkende micro-organismen -> pathogenen. Niet alle
micro-organismen zijn schadelijk, degene die met ons samenleven noemen we commensalen of
commensale flora. Ze voorkomen door hun aanwezigheid dat pathogenen een kans krijgen, ook
helpen ze bij gezonde spijsvertering, immuunsysteem en produceren ze sommige belangrijke
vitamines. Wanner het immuunsysteem verzwakt kunnen deze micro-organismen zich plotseling
vermenigvuldigen en een infectie veroorzaken -> opportunistische infectie. Overdracht van micro-
organismen van de ene naar de andere plek wordt besmetting of contaminatie genoemd. Medisch
gezien is er sprake van contaminatie als bijvoorbeeld materiaal, water of voedsel verontreinigd is met
micro-organismen. Bij besmetting gaat het meestal over overdracht van mensen of dieren. Als
iemand besmet wordt vertoont deze persoon niet gelijk ziekteverschijnselen. De tijd tussen het
besmet worden en de eerste ziekteverschijnselen noemen we de incubatieperiode. Infectie ziekten
die van mens op mens worden overgedragen -> besmettelijke ziekten of overdraagbare ziekten.
- Het statisch bestuderen en analyseren van ziektegegevens heet epidemiologie. De incidentie van
een aandoening is het aantal nieuwe gevallen van een aandoening per tijdseenheid. De prevalentie is
het aantal mensen dat ziek is in relatie tot de totale populatie. Als een infectieziekte permanent
aanwezig is onder de bevolking in een bepaald land/gebied spreekt men van een endemische ziekte.
Als een infectieziekte in korte tijd onder een groot deel van de bevolking verspreid om daarna weer
bijna geheel te verdwijnen spreken we van een epidemie. Als die uitbraak over een of meerdere
continenten/ wereldwijd is spreken we van een pandemie. Als er plotseling in en beperkt geografisch
gebied sprake is van een toename van de besmettingen met een bepaalde infectie ziekte -> uitbraak
3.3
, - Virussen zijn zeer kleine deeltjes van ong 10-100 nanometer met een
eenvoudige bouw. Ze hebben een kern die bestaat uit erfelijk materiaal
van DNA of RNA dat wordt omgeven door een eiwitmantel, het capside
dat de vorm bepaalt en het virus beschermt. Bij dierlijke virussen zit om
de eiwitmantel nog een lipidemembraam waarmee het virus aan de
gastheercel hecht. Virussen hebben geen eigen stofwisseling en kunnen
zich niet voortplanten, hiervoor koppelt het aan en cel en injecteert
daarin zijn eigen DNA of RNA. Doordat virussen het DNA van de
gastheercellen veranderen weet het immuunsysteem dat de gastheercel is geïnfecteerd met het virus
en deze cel wordt opgeruimd door de afweercellen. Soms veroorzaken virussen ook zelf lysis
(kapotgaan). Sommige virussen (herpesvirussen) kunnen lange tijd latent (sluimerend) aanwezig zijn,
waarbij ze zich wel in een cel nestelen, maar zich niet reproduceren. Door een trigger (vaak
verzwakking immuunsysteem) kan het virus reactiveren
eb gaan vermenigvuldigen waarna pas symptomen
ontstaan. Andere virussen (humaan papillomavirus
HPV) integreren hun DNA met het gastheer-DNA en
kunnen de celgroei dereguleren, waardoor cellen
abnormale groei gaan vertonen en kanker kan
ontstaan.
- Bacteriën zijn eencellige, prokaryote organismen die
zeer wisselend van grootte zijn: het overgrote deel is
tussen 1-10 micrometer. Prokaryoten hebben een
andere celopbouw dan eukaryote organismen (dieren,
planten, schimmel en parasieten) Bacteriën hebben
geen celkern, het kernmateriaal ligt los in het
cytoplasma en bestaat veelal uit een chromosoom in de
vorm van een streng DNA . In het cytoplasma bevinden
zich plasmiden (stukjes DNA die onderling worden uitgewisseld) Door deze overdracht van erfelijk
materiaal kunnen bacteriën hun genetische eigenschappen snel uitwisselen. Het cytoplasma wordt
omgeven door een sterke celwand, die de bacterie beschermt tegen schadelijke invloeden. Van
buitenaf. De fimbraie, fijne ‘haartjes’ helpen bij hechten. Sommige bacteriën kunnen zich
voortbewegen door middel van flagellen. De groep waar de bacterie toe behoort, bepaalt met welke
groep antibiotica de bacterie bestreden kan worden. Er zijn veel uiteenlopende vormen: de
staafvormige bacteriën (bacillen) en de bolvormige bacteriën (kokken) vormen de grootste groep.
Sommige bacteriën hebben de vorm van een kurkentrekken (spirocheten), spiraal (spirillen) of
komma (vibronen). Bacteriën verschillen in opbouw van hun celwand want bepaalt of zij kleurstof
kunnen opnemen of niet. Bacteriën zijn grampositief als zij makkelijk kleurstof opnemen en
gramnegatief als zij dit niet doen. Bacteriën kunnen ook worden ingedeeld op zuurstofbehoefte:
aerobe bacteriën hebben zuurstof nodig om te overleven, anaerobe bacteriën leven juist in
zuurstofvrije omstandigheden. Sporen zijn bacteriën die in ‘winterslaap’ gaan als hun
levensomstandigheden niet optimaal zijn. Het erfelijk materiaal wordt goed beschermd en is bestand
tegen uitdroging, extreme temperaturen en zelfs straling. Als de omstandigheden weer gunstig zijn
ontwikkelen de sporen weer en kunnen ze verschillende aandoeningen veroorzaken (tetanus, antrax
en botulisme
- Een aantal bacteriën geeft toxinen af, giftige chemische stoffen die gastheercellen beschadigen.
Toxinen kunnen ook vrijkomen wanner bacteriën doodgaan. Als dit massaal gebeurt, kunnen deze
stoffen een levensbedreigende shock veroorzaken.