Inhoud
Hoofdstuk 1 – Introductie Cognitieve Psychologie ...................................................... 2
Hoofdstuk 6 – Andere sensorische systemen ............................................................. 6
Module 6.1 – gehoor ........................................................................................... 6
Module 6.2 – de mechanische zintuigen ................................................................. 9
Module 6.3 – de chemische zintuigen ...................................................................13
Hoofdstuk 5 – zicht ...............................................................................................19
Module 5.1 – visueel coderen ..............................................................................19
Module 5.2 – Informatie .....................................................................................20
Module 5.3 – parallelle verwerking in de visuele cortex ...........................................24
Hoofdstuk 3 – Perceptie ........................................................................................26
3.1 – De aard van de perceptie ............................................................................26
3.2 – Concepties van objectperceptie ...................................................................27
3.3 – Neuronen en kennis over de omgeving .........................................................29
4.1 – Pionierende studies: Aandacht als selectie ....................................................31
4.2 – Ruimtelijke aandacht: Openlijke en verborgen aandacht .................................33
4.3 – Wat gebeurt er als wij niet komen opdagen? .................................................34
Hoofdstuk 5 – Het kortetermijngeheugen en het werkgeheugen .................................35
5.1 – Het modale model van het geheugen ...........................................................35
5.2 – werkgeheugen ..........................................................................................36
Tekst 1 - Signaal-detectietheorie ............................................................................39
1
,Ashley Mulder – 5380952 – Cognitie en Gedrag (201500054) – 2025/2026
Hoofdstuk 1 – Introductie Cognitieve Psychologie
Cognitieve psychologie: de tak van de psychologie die zich bezighoudt met de
wetenschappelijke studie van de geest (mind)
Wat is de geest/mind?
➔ Verschillende definities
o De geest maakt en controleert mentale functies zoals perceptie, aandacht,
geheugen, emoties, taal, beslissen, denken en verklaren.
o De geest is een systeem dat representaties creëert van de wereld zodat we
onze doelen kunnen behalen.
Cognitie: mentale processen zoals perceptie, aandacht en geheugen.
In de 1800s was het belangrijk om te denken dat de geest niet te bestuderen was.
➔ Verschillende onderzoekers besloten om dit te negeren en toch de geest te
onderzoeken. Een bekende onderzoeker was Franciscus Donders, hij deed het
eerste experiment wat nu onder cognitieve psychologie zou vallen.
➔ Donders deed een experiment waarin hij wilde kijken hoelang het duurt voordat
iemand een beslissing neemt. Omdat je niet direct gedachten kunt zien, gebruikte
hij de reactietijd.
1. Eenvoudige reactietijd:
Druk zo snel mogelijk op een knop zodra een lampje aangaat
Stappen: lampje gaat aan, het lampje wordt waargenomen, knop wordt
ingedrukt
2. Keuze-reactietijd:
Er zijn twee lampjes. Druk op de linkerknop bij het linker lampje en op de
rechterknop bij het rechter lampje
Stappen: één van de lampjes gaat aan, het lampje wordt waargenomen,
beslissen of het links of rechts is, de juiste knop indrukken.
De keuze-reactietijd duurde ongeveer 100 milliseconde langer dan de eenvoudige
reactietijd. Dat extra stukje tijd komt overeen met de beslissingsfase.
➔ Een eenvoudige beslissing nemen kost ongeveer 100ms
Dit was een van de eerste experimenten van de cognitieve psychologie, en het laat zien
dat mentale responsen dus meetbaar kunnen zijn, en de geest wel bestudeerbaar is.
Wilhelm Wundt heeft het eerste laboratorium voor de wetenschappelijke psychologie tot
stand gebracht.
➔ Wundt’s aanpak heette het structuralisme: dit houdt in dat onze ervaring
bepaald wordt door basiselementen van ervaring die we sensaties noemen.
➔ Wundt dacht dat hij de wetenschappelijke uitleg van de componenten van
ervaring kan bereiken bij het gebruiken van analytische introspectie (een
techniek waarbij getrainde participanten hun sensatie, gevoelens en gedragen
beschreven als reactie op een stimuli.
➔ Introspectie: het naar binnen kijken
➔ Wundt wordt vaak gezien als iemand die de verschuiving leidde van rationele
benadering (denken en redeneren) naar een empirische benadering
(experimenten en observaties
Hermann Ebbinghaus gebruikte een andere benadering voor het meten van aspecten van
de geest.
➔ Ebbinghaus wilde begrijpen hoe geheugen en vergeten werken, en hoe snel
informatie verloren gaat na het leren.
➔ Hij gebruikte een kwantitatieve aanpak -> hij keek naar hoelang het duurde om
een lijst voor de eerste keer correct te leren, daarna wachtte hij een bepaalde tijd
(vertraging) en probeerde de lijst opnieuw te leren, omdat er vergeten was
2
,Ashley Mulder – 5380952 – Cognitie en Gedrag (201500054) – 2025/2026
opgetreden, ging het niet meteen perfect, maar hij kon de lijst sneller opnieuw
leren dan bij de eerste keer. Dit betekende dat er iets van de oorspronkelijke
leerervaring bewaard was gebleven in het geheugen.
➔ Hij bedacht een formule: savings = tijd eerste keer leren – tijd opnieuw leren na
vertraging.
➔ Hoe groter de savings, hoe meer informatie behouden is
➔ Ebbinghaus ontdekte dat geheugen snel afneemt in de eerste twee dagen na het
leren -> savings curve
➔ Het belang is dat hij liet zien dat geheugen meetbaar en kwantificeerbaar is, net
als Donders gebruikte hij gedrag om een eigenschap van de geest te
onderzoeken.
William James baseerde zijn inzichten niet op experimenten, maar op zelfobservatie van
zijn eigen geest.
➔ Hij stelde dat onze ervaring wordt bepaald door wat we besluiten aandacht te
geven. Aandacht betekent dat de geest een object of gedachte kiest en zich daar
helder en intensief op richt, terwijl andere dingen worden genegeerd.
➔ Kernidee: aandacht is dus altijd een selectieproces, focussen op het ene betekent
afstand doen van het andere.
Samen met Wundt, Donders, Ebbinghaus en James -> vormden veelbelovende start van
de cognitieve psychologie
Toch werd het onderzoek naar de geest in het begin van de 20e eeuw teruggedrongen
➔ Er kwam veel kritiek op analytische introspectie, omdat dit te subjectief werd
gevonden. Hierdoor verschoof de psychologie tijdelijk de focus weg van mentale
processen naar meer observeerbaar gedrag
John Watson kwam met het idee dat onderzoek naar gedrag puur gebaseerd is op
objectieve observaties. Introspectie speelt hier geen rol.
➔ Behaviorisme
Hierbij wordt het idee van ‘de geest’ compleet uitgeschakeld en wordt er alleen gekeken
naar observeerbaar gedrag.
Dit idee gaat ook hand in hand met de klassieke conditionering door Ivan Pavlov
➔ Pavlov liet zien dat hij honden speeksel kon laten aanmaken door het geluid van
een bel, wanneer dit geluid hiervoor met eten gepaard werd.
➔ Dit liet zien dat menselijk gedrag geanalyseerd kan worden zonder dat er naar de
geest, dit was niet relevant
B. F. Skinner kwam met een andere manier die ook binnen dit idee past, namelijk
operante conditionering
➔ Dit focuste op hoe gedrag kan bijgesteld worden door beloningen of straffen
3
, Ashley Mulder – 5380952 – Cognitie en Gedrag (201500054) – 2025/2026
➔ Ook Skinner was niet geïnteresseerd wat er in de geest gebeurde, maar alleen op
het controleren van het gedrag
Kritiek op de stimulus-respons theorie is dat er gezegd wordt dat een stimulus een vast
reactie oproept, terwijl dit in werkelijkheid anders is. Mensen reageren vaak op
verschillende aspecten van dezelfde stimulus, en welk aspect iemand kiest, wordt pas
duidelijk nadat de reactie is gegeven.
➔ Doordat er bij deze theorie dus niet gefocust wordt op cognitieve processen,
worden de subjectieve betekenis bepaald door de persoon zelf over het hoofd
gezien. Er wordt alleen gekeken naar de objectieve eigenschappen van de
stimulus.
Edward Tolman’s experiment (1938):
o Een rat verkende eerst een doolhof
o Daarna werd de rat op punt A gezet en voedsel op punt B. De rat leerde al snel
dat hij rechtsaf moest slaan om het voedsel te bereiken.
o Dit paste perfect in de behavioristische voorspelling: gedrag (rechtsaf slaan)
wordt versterkt door beloning (voedsel)
o Tolman zette de rat later op punt C.
o Behavioristen voorspelden dat de rat weer rechtsaf zou slaan, omdat dat eerder
beloond was
o Maar de rat ging linksaf en bereikte toch het voedsel bij B.
➔ Tolman’s verklaring: De rat had tijdens de verkenning een cognitieve kaart
gevormd: een mentale representatie van het doolhof.
➔ Daardoor kon hij flexibel beslissen en een andere route nemen, ook al was die
niet eerder beloond.
➔ Dit idee dat er mentale processen meespelen ging verder dan het strikte stimulus-
respons denken.
Skinner stelde dat kinderen taal leren via operante conditionering:
o Ze imiteren wat ze horen, correcte taal wordt herhaald omdat die beloond
wordt.
➔ Noam Chomsky had kritiek -> hij wees erop dat kinderen vaak zinnen produceren
die nooit beloond zijn zoals ‘i hate you mummy’. Ook gebruiken kinderen foutieve
grammatica zelfs zonder dat dit ooit versterkt is. Volgens Chomsky komt
taalontwikkeling niet voort uit beloning of imitatie, maar uit een aangeboren
biologisch programma dat universeel is
➔ Dit leidde tot een heropleving van de studie van de geest en vormde een
belangrijke stap richting de cognitieve revolutie in de psychologie
De 1950s worden gezien als het begin van de cognitieve revolutie (een verschuiving in
de psychologie van behavioristen naar een aanpak waarvan het algemene geloof van het
begrijpen van de geest belangrijk werd)
Er waren een aantal redenen dat dit versterkt werd, een daarvan was de opkomst van de
computers
In de jaren 50 begonnen psychologen computers te zien als een model voor het
menselijke denken
Een computer verwerkt informatie door 4 stappen:
o Input processor (ontvangen informatie)
o Geheugenunit (Informatie tijdelijk opslaan)
o Rekenunit (informatieverwerking)
o Output (levert het resultaat)
4