Week 1: Het strafproces
Het hoofddoel van het strafproces is het verzekeren van een juiste toepassing van het
abstracte materiële strafrecht, dus:
- Zorgen dat schuldigen worden bestraft
- Zorgen dat onschuldigen niet worden bestraft
Binnen het strafprocesrecht geldt het dubio pro reo-beginsel wat inhoudt dat de verdachte
het voordeel van de twijfel krijgt; alleen als de overtuigd is, wordt de verdachte bestraft.
De mogelijkheid van herziening (art. 457 e.v. Sv) bewerkstelligt zo, gezien de wettelijke
erkenning dat ons strafproces geen absolute garantie biedt, dat geen onschuldigen worden
veroordeeld.
Bijkomende doelen:
- Eerbiediging van de rechten en vrijheden van de verdachte:
- Eerbiediging van de rechten en vrijheden van andere betrokkenen:
- Procedurele rechtvaardigheid
- Demonstratiefunctie
Bronnen van het strafprocesrecht:
- Wetboek van Strafvordering
- Bijzondere wetten
- De Grondwet
- AMvB’s en beleidsregels
- Jurisprudentie
- Beginselen van een goede procesorde
- EVRM, EU-recht en internationale verdragen
Instrumentaliteit: instrumenteren die overheid tot beschikking heeft dat schuldige gestraft
worden.
Rechtsbescherming: het strafproces burgers ook waarborgen moet houden tegen de
machtige overheid. Overheid is ook gehouden aan het recht.
Beginselen behoorlijke procesorde:
- Vertrouwensbeginsel
- Gelijkheidsbeginsel
- Verbod van détournement de pouvoir (zuiverheid van oogmerk)
- Behoorlijke en billijke belangenafweging (proportionaliteit en subsidiariteit)
Kenmerken van het Nederlandse strafproces:
Accusatoir (OM vs. verdachte) Inquisitoir (rechtbank met daarnaast Ovj vs. verdachte)
Gelijkwaardige procespartijen Verdachte als voorwerp van onderzoek
Lijdelijke rechter Actieve rechter
Formele waarheid Materiële waarheid
Mondelinge procedure Dominantie schriftelijke stukken
Binnen Nederland wordt het ons strafproces beschrevene als gematigd accusatoir.
,Fasering van het strafproces
Opsporing Vervolging Berechting Tenuitvoerlegging
De strafvordering begint met de opsporing. De kern van het vooronderzoek bestaat
tegenwoordig in alle gevallen uit een opsporingsonderzoek. Dat onderzoek wordt verricht
onder het gezag van de OvJ (art. 132a Sv). Artt. 141 en 142 Sv geven een opsomming van de
personen die met opsporing belast zijn. De bevoegdheden die zij hebben staan in de artt. 53,
54, 56, 57 en 95 e.v. Sv.
Art. 167 Sv bepaalt dat het OM zo spoedig mogelijk tot vervolging overgaat als het op grond
van het opsporingsonderzoek van oordeel is dat die vervolging moet plaatshebben. Art. 242
Sv bepaalt dat, als het Om op grond van het voorbereidend onderzoek van oordeel is dat
verdere vervolging moet plaatshebben, het daartoe zo spoedig mogelijk overgaat. De
vervolging kan op drie manieren aanvangen: door rechtstreekse dagvaarding, door
vordering gerechtelijk vooronderzoek (gvo) en door vordering bewaring.
Veel strafbare feiten worden niet aan de rechter voorgelegd, maar buitengerechtelijk
afgedaan. Hierbij zijn drie vormen te onderscheiden:
1. Strafbeschikking (art. 257a Sv)
2. Transactie
3. Voorwaardelijk sepot
In art. 258 Sv is bepaald dat de zaak ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt door
dagvaarding end at daardoor het rechtsgeding (berechting) een aanvang neemt. De eerste
fase is die waarin de zaak al wel ter zitting aanhangig is, maar waarin het onderzoek ter
terechtzitting nog niet is begonnen. Met het uitroepen van de zaak belandt het rechtsgeding
in de volgende fase (behandeling van de zaak door de rechtbank). Het onderzoek ter
terechtzitting is het eigenlijke strafproces zoals dat door de pers wordt verslagen. Tijdens dit
proces worden de verdachte en eventuele getuigen en deskundigen ondervraagd, wordt
schriftelijk bewijsmateriaal voorgelezen, houdt de OvJ zijn requisitoir en voert de raadsman
van de verdachte het woord ter verdediging. Na sluiting van het onderzoek op de
terechtzitting volgt de beraadslaging. Tijdens de beraadslaging vormt de rechtbank een
oordeel over de zaak. Het komt uiteindelijk aan op de beantwoording van de vragen uit de
artt. 348 en 350 Sv. Met de uitspraak (tenuitvoerlegging) wordt het rechtsgeding afgesloten.
Het vonnis van de rechtbank is vatbaar voor hoger beroep. Tegen die uitspraak van het hof
kan nog cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad (gewone rechtsmiddelen). Hoger beroep
kan zowel door de verdachte als het OM worden ingesteld. Daarentegen kan een verdachte
die van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken niet in appel gaan (art. 404 lid 1 Sv). De
hoofdregel voor het instellen van hoger beroep (en cassatie) is 14 dagen (art. 408 Sv). Het
hof fungeert in appel als tweede feitelijk instantie. Anders dan de Hoge Raad, beperkt het
hof zich niet tot bepaalde juridische aspecten, maar beoordeelt hij de zaak in volle omgang.
Doelstellingen modernisering Nieuw Wetboek van Strafvordering:
- Toekomstbestendigheid, toegankelijkheid, overzichtelijkheid
- Vereenvoudiging voorbereiding onderzoek en regeling opsporingsbevoegdheden
- Duidelijke regeling van bevoegdheden en procespositie procesdeelnemers
, - Facilitering digitaal strafproces
- Stimuleren voortvarende procesgang, zoveel mogelijk afronden onderzoek vóór
inhoudelijke behandeling ter zitting: ‘Beweging naar voren’
De centrale doelstelling is nog steeds “te bevorderen dat de strafwet wordt toegepast op de
werkelijk schuldige, en te voorkomen dat de onschuldige veroordeeld of zelfs vervolgd
worden.” De nevendoelstellingen zijn:
- Eerbiediging van de rechten en vrijheden van verdachte
- Recht doen aan de belangen van het slachtoffer
De drie belangrijkste echten van het EVRM voor het strafprocesrecht zijn:
- Recht op persoonlijke vrijheid (art. 5 EVRM)
- Recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM)
- Recht op privacy (art. 8 EVRM)
De jurisprudentie van het EHRM heeft een aantal bijzondere kenmerken:
- Veroordeling van de staat
- Staten zijn vrij in de methode
- Marge of appreciation
- Procedure toetsing van feitelijke oordelen
- Geen toetsing van wettelijke regeling
- Casusgebonden oordeel
- Uitleg van het verdrag gericht op daadwerkelijke rechtsbescherming
- Autonome begripsvorming
De formele vragen (art. 348 Sv):
1. Is de dagvaarding geldig?
2. Is de rechter bevoegd om over de voorgelegde zaak te beoordelen?
3. Is het OM/de OvJ ontvankelijk in de door hem ingestelde vervolging?
4. Zijn er redenen om de vervolging te schorsen?
Materiële vragen (art. 350 Sv):
1. Is bewezen dat het feit daadwerkelijk door de verdachte is begaan?
Nee? Vrijspraak (art. 352 Sv)
2. Welk strafbaar feit levert dit op?
Nee? OVAR (art. 352 Sv)
3. Is de verdachte strafbaar?
Nee? OVAR (art. 352 Sv)
4. Welke straf en/of maatregel is dan toepasselijk?
Straf en/of maatregel of eventueel schuldverklaring zonder straf (art. 9a Sr)
Bij de vraag naar de bevoegdheid van de rechter kan een onderscheid gemaakt worden
tussen:
- Absolute competentie: welke soort rechter is bevoegd? In beginsel zijn de
rechtbanken bevoegd om strafzaken in eerste aanleg te berechten (art. 45 lid 1 Wet
RO). De enige uitzondering op deze regel is te vinden in art. 76 Wet Ro, dat de HR
bevoegd verklaart om in eerste instantie, kennis te nemen van ambtsdelicten begaan
door parlementariërs en bewindslieden. Hoven oordelen uitsluitend in hoger beroep
(art. 60 lid 1 Wet RO). De HR is weer bevoegd in cassatie (art. 78 Wet RO).
, - Relatieve competentie: welke rechter is bevoegd? De relatieve bevoegdheid wordt
geregeld in art. 2 Sv. De regeling van de relatieve bevoegdheid heeft vier doelen:
o Forumshopping voorkomen: het kiezen van een bepaald gerecht omdat je
denkt dat je daar meer kans maakt
o Zorgen dat berechting plaatsvindt waar de belangen liggen
o Het mogelijk maken dat bepaalde categorieën strafzaken vervolgd worden bij
de daarin gespecialiseerde rechtbanken
o Te verzekeren dat er altijd een rechter is die relatief bevoegd is
Zodra bekent is welke rechter bevoegd is, moet er ook gekekene worden naar de interne
bevoegdheid:
- Economische kamer
- Politierechter
- Kinderrechter
- Kantonrechter
- Niet door de wet voorgeschreven kamers
- Gedeconcentreerde kamers
Beslissingen die ter terechtzitting worden genomen heten uitspraken. Beslissingen die uit
een raadkamerprocedure volgen heten beschikkingen.
Het OM bestaat uit zes parketten (art. 134 Wet RO):
1. Het Parket-Generaal
2. De arrondissementsparketten
3. Het landelijk parket
4. Het functioneel parket
5. Het parket centrale verwerking openbaar ministerie
6. Het ressortparket
J.H. Crijns en M.J. Dubelaar, ‘Mr. Big maatje te groot voor Nederland? Over de
toelaatbaarheid en normering van undercoveroperaties’, Ars Aequi 2020/8, p. 748-764
De Mr. Big-methode is een undercovertechniek waarbij de politie een fictieve criminele
organisatie opzet om een verdachte te laten bekennen tegenover een verzonnen leider, ‘Mr.
Big’. De methode is gebaseerd op art. 126j Sv (stelselmatige informatie-inwinning) en werd
onder meer toegepast in de zaak HR Posbank. Ze wordt vooral ingezet bij zware delicten of
cold cases, maar roept veel juridische en ethische bezwaren op:
- Aantasting van de verklaringsvrijheid: verdachten worden onder druk gezet of
verleid tot bekentenissen, in strijd met het zwijgrecht (art. 29 Sv)
- Risico op valse bekentenissen: omdat verdachten door beloningen of sociale druk tot
verklaren worden gebracht
- Integriteit van de opsporing: door gebrek aan transparantie en controle bij zulke
heimelijke trajecten
De HR heeft beoordelingscriteria opgesteld om te bepalen of verklaringen in vrijheid zijn
afgelegd. Factoren als de duur van het traject, psychische druk, misleiding en beloningen
spelen een rol. In de zaak HR Posbank oordeelde de HR dat de verklaringsvrijheid was