In het 1e leerjaar van de studie toegepaste psychologie krijg je bij
basiskennis verschillende toetsen. Deze basiskennis toets gaat over de
hoofdstukken 3,4 en 5. Deze hoofdstukken gaan over de hersenen en alle
gebeurtenissen die spelen in je hersenen.
, H3:
3.1
Het zenuwstelsel is verdeeld in 2 delen: het centrale zenuwstelsel (CNS), zijn de
hersenen en het ruggenmerg, en het perifere zenuwstelsel (PNS), alle andere
zenuwcellen in het lichaam. Zenuwcellen, ookwel neuronen genoemd zijn als
netwerken aan elkaar verbonden. Deze zenuwcellen ontvangen en verzenden
elektrische/chemische berichten. Elk neuron heeft een andere functie en locatie
in het zenuwstelsel. Ook heb je nog 2 soorten neuronen die genoemd worde:
sensorische neuronen (detecteren info uit wereld en geven info door aan
hersenen) en somatosensorische neuronen (info van huid en spieren aan
hersenen). In de synaps vindt de chemische communicatie tussen verschillende
neuronen plaats. Dit gebeurd met chemicaliën.
3.2
Neurale communicatie, een neuron reageert op een signaal aan de hand van een
actiepotentiaal. Je hebt hier verschillende stadia’s van: het
rustmembraanpotentiaal (dan is de elektrische lading in het neuron negatiever
dan erbuiten, -70 millivolt)(dit wordt ook wel een gepolariseerd neuron, zorgt
voor elektrische energie om te vuren, natrium en kalium (natrium-kaliumpomp
verhoogt kalium en verlaagt natrium voor behouden rustmembraanpotentieel)),
het actiepotentiaal (als er sprake is van exciterende signalen, zal hij
depolariseren, verlaging negatieve lading en zal het neuron vuren en als er
sprake is van remmende signalen, zal hij hyperpolariseren, negatieve lading
verhoging, zal hij niet gaan vuren), relatieve refractaire periode (als natrium erin
stroomt en gestopt is en kalium eruit stromen en stoppen. Het
membraanpotentiaal is negatiever dan rustpotentiaal), absolute refractaire
periode (het ionkanaal kan op dit moment niet open).
3.3
Het neuron dat het signaal verzend heet de presynaptische neuron en degene die
ontvangt wordt postsynaptische neuron genoemd. In de terminale knoppen van
een presynaptisch neuron bevinden zich neurotransmitters. Dus als er een
actiepotentiaal in de terminale knoppen is worden neurotransmitters vrijgegeven
in de synaps, vervolgens hechten die neurotransmitters zich aan de receptoren
van postsynaptische neuronen. Er zijn 3 gebeurtenissen die de invloed van
neurotransmitters beindigen namelijk heropname (terug inname in
presynaptische terminale knoppen), enzymdeactivering (dan breken de enzymen
de neurtransmitters af) en autoreceptie (dan binden neurotransmitters zich op
receptoren van de presynaptische neuron, dit wordt gebruikt bij een overmaat
van neurotransmitters). Ook heb je nog agonisten, versterken de werking van
neurotransmitters en antagonisten die remmen de werking.