H6:
6.1
Leren wordt eigenlijk gezien als een manier waarbij je profiteert van een ervaring,
zodat je beter bent aangepast aan je omgeving en voorbereid bent op wat gaat
komen. Het leren wordt onderverdeeld in 3 soorten: niet-associatief leren (dit is
een herhaalde blootstelling aan een stimulus of gebeurtenis, de trein naast je
nieuwe huis), associatief leren (koppeling van 2 gebeurtenissen die na elkaar
plaatsvinden, riem wordt gepakt hond rent naar deur) en sociaal leren (hier wordt
ook gekeken naar een verband tussen stimuli maar via sociale middelen, social
media die mondkapjes liet zien tegen het virus)
6.2
Het niet-associatief leren heeft 2 vormen: gewenning, habituation (afname van
reactie op stimulus, we negeren het omdat het niet belangrijk is)(wel heb je te
mogelijk te maken met dishabituation, dit is een toename van een reactie omdat
er dan iets veranderd is in wat bekend is (sirenes die opeens stoppen)) en
sensibilisatie, sensitization (toename van reactie op stimulus, dit is een reactie op
iets dreigends of pijnlijks). Onderzoek toont aan dat verandering in werking van
de synapsen zorgen voor gewenning of sensibilisatie, het komt door
neurotransmitter afgifte. Bij gewenning is er een afname van afgifte en bij
sensibilisatie een toename van afgifte.
6.3
Associatief leren heeft ook 2 soorten leervormen: klassieke conditionering,
pavloviaanse conditionering (de ene gebeurtenis die de andere voorspeld, naald
+ spuit bij de dokter is het krijgen van een prik) en operante conditionering. Ivan
pavlov was geïnteresseerd in het speekselreflex; de automatische reactie op het
presenteren van voedsel als een dier hongerig is. Pavlov voerde een
conditioneringproef uit door een neutrale stimulus (klikken) samen te geven met
voedsel (zorgt voor het reflex). Aan de hand van Pavlov de stimulus en respons.
Ongeconditioneerde stimulus (US) Voedsel
Ongeconditioneerde respons (UR) Speeksel die werd geproduceerd
Geconditioneerde stimulus (CS) Het klikken (wat is na een training)
Geconditioneerde respons (CR) Toename van speekselvorming na
horen geklik
De aangeleerde reactie (CR) is meestal minder sterk dan de niet-aangeleerde
reactie (UR).
6.4
Een associatieproces, bijvoorbeeld dat het geklik zorgt voor voedsel, wordt
acquisitie genoemd. Een acquisitie is een associatie tussen de geconditioneerde
stimulus en de ongeconditioneerde stimulus. Als de geconditioneerde stimulus
, vaak wordt aangeboden, maar er geen ongeconditioneerde stimulus wordt
gegeven verdwijnt (extinctie) geconditioneerde respons langzaam. Wel heb je
ook te maken met een spontaan herstel. Dus doving bij CS US CR. Als de
gedoofde CS wordt gegeven komt er weer een CR, dit zal snel verdwijnen tenzij
de CS wordt gekoppeld aan US.
6.5
Klassieke conditionering wordt gebruikt om gebeurtenissen te voorspellen en de
sterkte van de geconditioneerde respons wordt bepaald door de nauwkeurigheid
van de geconditioneerde stimulus (voorbeeld is de donkere wolken bij regen,
voorspelt altijd regen). Rescorla-Wagner-model leert je te verwachten dat de ene
voorspeller beter zijn dan de andere. Het verschil tussen de verwachte en echte
uitkomst wordt hierbij een voorspellingsfout genoemd. Deze kun je onderverdelen
in 2 categorieën: de positieve (onverwachte gebeurtenis of sterker dan
verwachting) en de negatieve (verwachte gebeurtenis is er niet). Dit wordt niet
als goed of slecht beschouwd!
6.6
Er wordt gesproken van stimulusgeneralisatie als er een stimuli die vergelijkbaar
maar niet identiek is aan de geconditioneerde stimulus zorgt voor de
geconditioneerde respons. Ook kan er onderscheid worden gemaakt tussen
stimuli, stimulusdiscriminatie, dan wordt er een onderscheid gemaakt tussen 2
vergelijkbare stimuli (giftige planten). Tweede-orde conditionering is wanneer CR
wordt aangeleerd zonder dat de CS ooit gekoppeld werd aan de US. Een
voorbeeld hiervan is Air Jordans, de schoen (CS) wordt gekoppeld aan de
basketballer (oude CS) waardoor hij leuk gevonden wordt.
6.7
Operante conditionering heeft juist te maken met dat een dier een actie
onderneemt die leidt tot een gevolg (straf of beloning). Thorndike ontwikkelde de
theorie van leren, wet van effect (Law of effect), deze theorie zegt dat de kans
groot is dat elk gedrag wat bevredigd (positief) wordt opnieuw voordoet en
negatief natuurlijk niet. Watson bedacht het behaviorisme, omgevingseffecten op
waarneembaar gedrag.
6.8
BF skinner kwam met het reinforcement als stimulus die optreedt als een respons
wordt herhaald. Het versterken/bekrachtigen verhoogt altijd het gedrag. Een straf
vermindert het herhaalde gedrag.
Versterking Straf
(bekrachtiging)
Positief Iets wordt toegevoegd, Stimulus wordt
vaak een beloning. Na toegevoegd
het werken een hogere (onaangenaam). Het
beloning. krijgen van een boete
om te zorgen dat je niet
te hard rijdt.