Werkgroep 1: Subjectieve en objectieve belastingplicht, kosten,
onttrekkingen en stortingen
Vraag 1
Bart is 100% aandeelhouder van Bezorghelden Holding
B.V. (hierna: Holding). De Holding is op haar beurt
100% aandeelhouder van:
Bezorghelden AGF B.V. (AGF BV)
Bezorghelden Consumentenelektronica B.V. (CE
BV)
Bart Vastgoedbeleggingen B.V. (VGB BV)
Bart is tevens bestuurder van alle vennootschappen.
De zaken gaan goed, behalve bij AGF BV, omdat deze
vennootschap een groot tekort heeft aan bezorgauto’s en
-scooters. Tegelijkertijd staat de mobiliteitsvloot van CE
BV al lange tijd stil wegens een gewijzigde organisatie
van het distributieproces; CE BV besteedt de bezorging
namelijk uit aan zzp'ers.
Bart overweegt daarom om de mobiliteitsvloot van CE BV te gebruiken voor de activiteiten
van AGF BV.
a) Beschrijf de gevolgen als CE BV de mobiliteitsvloot om niet ter beschikking stelt aan
AGF BV. Ga uit van een zakelijke vergoeding van € 100.000 per maand.
Achtergrond:
Voor de winstbepaling is art. 8 Wet Vpb van toepassing, dat aansluit bij het
totaalwinstbegrip van art. 3.8 Wet IB.
Daarnaast is art. 8b lid 1 Wet Vpb van toepassing: het at arm’s length beginsel.
CE BV en AGF BV zijn ‘onmiddellijk’ met elkaar verbonden lichamen, omdat zij
beide 100% dochter zijn van dezelfde holding.
Op grond van art. 8b lid 1 Wet Vpb moet de winst van beide vennootschappen
worden bepaald alsof zij onder zakelijke voorwaarden met elkaar hebben gehandeld.
Het om niet ter beschikking stellen van de mobiliteitsvloot is onzakelijk, namelijk zou tussen
onafhankelijke partijen een vergoeding van €100.000 per maand zijn overeengekomen.
Dit onzakelijke element moet uit de winst worden geëlimineerd.
Gevolgen voor CE BV:
- Bij CE Bv is sprake van een onzakelijke handeling in de kostensfeer. CE BV had
onder zakelijke omstandigheden €100.000 per maand aan vergoeding moeten
ontvangen. Daarom moet dit bedrag bij haar belastbare winst worden bijgeteld.
- Fiscaal wordt dit aangemerkt als een ‘verkapt dividend’ van CE BV aan haar
aandeelhouder (de Holding). Dit is omdat de bevoordeling aan AGF BV puur tot
stand is gekomen door hun gezamenlijke moeder.
- Het verkapte dividend aan de moeder valt onder de deelnemingsvrijstelling (die van
toepassing is) en is bij de Holding daardoor onbelast.
- Dividendbelasting blijft hier buiten beschouwing.
Gevolgen voor AGF BV:
, - Voor AGF BV geldt dat zij onder zakelijke voorwaarden €100.000 per maand aan
kosten zou hebben gemaakt. Dit bedrag mag daarom in aftrek worden gebracht op
haar winst.
- Deze correctie wordt fiscaal aangeduid als een ‘informele kapitaalstorting’ in AGF
BV.
- Omdat er geen rechtstreekse aandeelhoudersrelatie bestaat tussen CE BV en AGF BV,
loopt deze correcite via de gemeenschappelijke aandeelhouder:
o CE BV keert een verkapt dividend uit aan de Holding;
o De Holding verricht vervolgens een informele kapitaalstorting in AGF BV.
Overige aandachtspunten:
Er moet sprake zijn van een ‘dubbele bewustheid’ bij de betrokken vennootschappen om te
kunnen spreken van een verkapt dividend en informele kapitaalstorting.
Daarnaast spelen de deelnemingsvrijstelling en eventuele dividendbelasting een rol in de
verdere fiscale afwikkeling.
b) Beschrijf de gevolgen als CE BV de mobiliteitsvloot om niet overdraagt aan AGF BV.
Ga uit van een zakelijke overdrachtswaarde van € 1.000.000.
Voor de winstbepaling is art. 8 Wet Vpb van toepassing, dat aansluit bij het totaalwinstbegrip
van art. 3.8 Wet IB. Daarnaast is art. 8b lid 1 Wet Vpb van belang, waarin het at arm’s length
beginsel is vastgelegd.
CE BV en AGF BV zijn onmiddellijk met elkaar verbonden lichamen, aangezien zij beide
100% dochtervennootschappen zijn van dezelfde Holding. Op grond van art. 8b lid 1 Wet
Vpb moet de winst van beide vennootschappen worden bepaald alsof zij onder zakelijke
voorwaarden met elkaar hebben gehandeld.
Onzakelijk handelen in de vermogenssfeer:
- Het om niet overdragen van de mobiliteitsvloot betreft geen tijdelijke
terbeschikkingstelling, maar een definitieve vervreemding van activa.
- Dit kwalificeert als onzakelijk handelen in de vermogenssfeer.
- Anders dan bij vraag a) loopt deze handeling niet (primair) via de winst- en
verliesrekening maar via het vermogen van de betrokken vennootschappen.
- Volgens vaste fiscale leer moet ook hier het onzakelijke element worden geëlimineerd
door te verzakelijken naar de zakelijke overdrachtswaarde van €1.000.000
Fiscale gevolgen bij het bepalen van de fiscale winst:
- Bij CE BV wordt een voordeel van €1.000.000 geacht te zijn uitgekeerd aan haar
aandeelhouder (de Holding). Dit wordt aangemerkt als verkapt dividend.
- Bij AGF BV wordt ditzelfde bedrag aangemerkt als een informele kapitaalstorting,
afkomstig van de Holding.
Omdat er geen rechtstreekse aandeelhoudersrelatie bestaat tussen CE BV en AGF BV, lopen
deze correcties via de gemeenschappelijke aandeelhouder:
CE BV verkapt dividend aan de Hodling;
Holding informele kapitaalstorting in AGF BV.
Het verkapte dividend valt bij de Holding onder de deelnemingsvrijstelling en blijft daardoor
onbelast.
onttrekkingen en stortingen
Vraag 1
Bart is 100% aandeelhouder van Bezorghelden Holding
B.V. (hierna: Holding). De Holding is op haar beurt
100% aandeelhouder van:
Bezorghelden AGF B.V. (AGF BV)
Bezorghelden Consumentenelektronica B.V. (CE
BV)
Bart Vastgoedbeleggingen B.V. (VGB BV)
Bart is tevens bestuurder van alle vennootschappen.
De zaken gaan goed, behalve bij AGF BV, omdat deze
vennootschap een groot tekort heeft aan bezorgauto’s en
-scooters. Tegelijkertijd staat de mobiliteitsvloot van CE
BV al lange tijd stil wegens een gewijzigde organisatie
van het distributieproces; CE BV besteedt de bezorging
namelijk uit aan zzp'ers.
Bart overweegt daarom om de mobiliteitsvloot van CE BV te gebruiken voor de activiteiten
van AGF BV.
a) Beschrijf de gevolgen als CE BV de mobiliteitsvloot om niet ter beschikking stelt aan
AGF BV. Ga uit van een zakelijke vergoeding van € 100.000 per maand.
Achtergrond:
Voor de winstbepaling is art. 8 Wet Vpb van toepassing, dat aansluit bij het
totaalwinstbegrip van art. 3.8 Wet IB.
Daarnaast is art. 8b lid 1 Wet Vpb van toepassing: het at arm’s length beginsel.
CE BV en AGF BV zijn ‘onmiddellijk’ met elkaar verbonden lichamen, omdat zij
beide 100% dochter zijn van dezelfde holding.
Op grond van art. 8b lid 1 Wet Vpb moet de winst van beide vennootschappen
worden bepaald alsof zij onder zakelijke voorwaarden met elkaar hebben gehandeld.
Het om niet ter beschikking stellen van de mobiliteitsvloot is onzakelijk, namelijk zou tussen
onafhankelijke partijen een vergoeding van €100.000 per maand zijn overeengekomen.
Dit onzakelijke element moet uit de winst worden geëlimineerd.
Gevolgen voor CE BV:
- Bij CE Bv is sprake van een onzakelijke handeling in de kostensfeer. CE BV had
onder zakelijke omstandigheden €100.000 per maand aan vergoeding moeten
ontvangen. Daarom moet dit bedrag bij haar belastbare winst worden bijgeteld.
- Fiscaal wordt dit aangemerkt als een ‘verkapt dividend’ van CE BV aan haar
aandeelhouder (de Holding). Dit is omdat de bevoordeling aan AGF BV puur tot
stand is gekomen door hun gezamenlijke moeder.
- Het verkapte dividend aan de moeder valt onder de deelnemingsvrijstelling (die van
toepassing is) en is bij de Holding daardoor onbelast.
- Dividendbelasting blijft hier buiten beschouwing.
Gevolgen voor AGF BV:
, - Voor AGF BV geldt dat zij onder zakelijke voorwaarden €100.000 per maand aan
kosten zou hebben gemaakt. Dit bedrag mag daarom in aftrek worden gebracht op
haar winst.
- Deze correctie wordt fiscaal aangeduid als een ‘informele kapitaalstorting’ in AGF
BV.
- Omdat er geen rechtstreekse aandeelhoudersrelatie bestaat tussen CE BV en AGF BV,
loopt deze correcite via de gemeenschappelijke aandeelhouder:
o CE BV keert een verkapt dividend uit aan de Holding;
o De Holding verricht vervolgens een informele kapitaalstorting in AGF BV.
Overige aandachtspunten:
Er moet sprake zijn van een ‘dubbele bewustheid’ bij de betrokken vennootschappen om te
kunnen spreken van een verkapt dividend en informele kapitaalstorting.
Daarnaast spelen de deelnemingsvrijstelling en eventuele dividendbelasting een rol in de
verdere fiscale afwikkeling.
b) Beschrijf de gevolgen als CE BV de mobiliteitsvloot om niet overdraagt aan AGF BV.
Ga uit van een zakelijke overdrachtswaarde van € 1.000.000.
Voor de winstbepaling is art. 8 Wet Vpb van toepassing, dat aansluit bij het totaalwinstbegrip
van art. 3.8 Wet IB. Daarnaast is art. 8b lid 1 Wet Vpb van belang, waarin het at arm’s length
beginsel is vastgelegd.
CE BV en AGF BV zijn onmiddellijk met elkaar verbonden lichamen, aangezien zij beide
100% dochtervennootschappen zijn van dezelfde Holding. Op grond van art. 8b lid 1 Wet
Vpb moet de winst van beide vennootschappen worden bepaald alsof zij onder zakelijke
voorwaarden met elkaar hebben gehandeld.
Onzakelijk handelen in de vermogenssfeer:
- Het om niet overdragen van de mobiliteitsvloot betreft geen tijdelijke
terbeschikkingstelling, maar een definitieve vervreemding van activa.
- Dit kwalificeert als onzakelijk handelen in de vermogenssfeer.
- Anders dan bij vraag a) loopt deze handeling niet (primair) via de winst- en
verliesrekening maar via het vermogen van de betrokken vennootschappen.
- Volgens vaste fiscale leer moet ook hier het onzakelijke element worden geëlimineerd
door te verzakelijken naar de zakelijke overdrachtswaarde van €1.000.000
Fiscale gevolgen bij het bepalen van de fiscale winst:
- Bij CE BV wordt een voordeel van €1.000.000 geacht te zijn uitgekeerd aan haar
aandeelhouder (de Holding). Dit wordt aangemerkt als verkapt dividend.
- Bij AGF BV wordt ditzelfde bedrag aangemerkt als een informele kapitaalstorting,
afkomstig van de Holding.
Omdat er geen rechtstreekse aandeelhoudersrelatie bestaat tussen CE BV en AGF BV, lopen
deze correcties via de gemeenschappelijke aandeelhouder:
CE BV verkapt dividend aan de Hodling;
Holding informele kapitaalstorting in AGF BV.
Het verkapte dividend valt bij de Holding onder de deelnemingsvrijstelling en blijft daardoor
onbelast.