Hoofdstuk 1
Wat is politiek?
Als mensen iets samendoen → duidelijke afspraken hebben om dingen te regelen +
inperking vrijheid
Grote groep = meer regels
Definitie
= alles wat te maken heeft met het sturen van een samenleving.
Polis (Grieks: stad) = samenleving
Griekse politika = De zaken die met de polis te maken hebben
Politiek geldt voor elke vorm van samenleven.
Bv internationale gemeenschap, staat België, studentenvereniging,
etc.
Waarom nood aan sturing?
o Aristoteles: mens = zoon politikón (politiek wezen → Sociaal wezen dat van
nature met anderen samenleeft).
o Maar: conflicten zijn onvermijdelijk door:
Diversiteit (verschillende noden, voorkeuren, visies).
Schaarste (middelen, tijd, energie zijn beperkt)
Verdeling nodig
Politiek = niet alleen Navo, partijen, EU, etc. → ook elk burger die op diverse
manieren telkens aan politiek doen
Politiek = collectieve besluitvorming om samenleven mogelijk te maken.
Variaties in politiek
Samenleving = belangrijkste aspect van politiek
Politiek aantreffen in alle organisaties en verenigen (school, werk)
1) Niveau van de samenleving
Territoriaal: staten, regio’s, gemeenten, internationale organisaties.
o Je bent eraan gebonden (bv woning) en kan niet zomaar ontwijken
Niet-territoriaal: verenigingen, kerk, universiteit, studentenbewegingen, online
community.
o Makkelijker wegtrekken want niet grondgebonden
, o Binnen die grens ben je onderworpen aan de regels, erbuiten niet
Variatie:
o Impact op dagelijks leven verschilt.
Bv staat bepaalt je belastingen
Online groep beïnvloedt je leven minder direct
o Vrijwilligheid: kan je eruit stappen (opt-out)?
Opstappen is niet altijd mogelijk.
Europese geschiedenis → RKKerk had veel invloed
o Loop der jaren geconfronteerd geweest met nationale staten
o 16de eeuw: strijd met protestanten
In praktijk: politiek afbakenen tot Alles wat te maken heeft met het besturen van een
territoriaal gefundeerde samenleving
o Dus politiek vooral aanwezig in samenleving met grondgebied
Definitie zegt ook niet wat er in een samenleving geregeld wordt → verschilt enorm
hard
2) Niveau van inhoud en reikwijdte
Wat wordt er geregeld?
Grenzen van de politiek verschuiven.
o Vroeger: minimale staat + beperkte aangelegenheid (justitie, politie,
defensie, financiën)
Zorgden voor een aantal basisregels, mensen in werking, grenzen
beschermd zijn en belastingen betaald werden
o Loop der jaren: Vraag van (arbeidersbeweging) om nieuwe aspecten van de
samenleving door de staat te laten regelen
o Nu: uitgebreide verzorgingsstaat.
T.H. Marshall: burgerschap = 3 categorieën:
Burgerlijke rechten
Onderlinge verhouding tussen burgers
(privaatrecht: huwelijk, contracten, eigendom).
Politieke rechten
Relaties tussen burger en overheid
(staatsrecht: stemrecht, vrijheid van meningsuiting, vergadering,
bescherming tegen willekeur).
(Politiek meer bezig tegenwoordig met burgerlijke recht voor stabiliteit)
Ook Sociaal-economische rechten vanaf 20ste E
Menswaardig leven leiden
(art. 23 Belgische GW: recht op arbeid, sociale zekerheid, huisvesting,
leefmilieu, cultuur, gezinsbijslag, onderwijs, wetenschap).
Nu vanzelfsprekend, vroeger niet → echt naar gevraagd worden
, Geen volwaardige burger zonder socio-eco rechten
2.1) Toenemende reikwijdte van de politiek
Kinderrechten.
Vroeger eigendom van ouders
Nu recht op onderwijs, bescherming, etc.
Feminisme (1960s): “het persoonlijke is politiek”.
Dwang, Abortus, seksuele vrijheid zijn collectieve en structurele problemen
Sociale media & recht op “ontkoppelen”.
Politiek moet regels maken rond privacy data en digitale rechten
Terrorisme vs privacy.
Eenzaamheid als collectief probleem.
Politisering & depolitisering
Politisering: een thema publiek maken
Collectieve besluitvorming maken.
Elk samenleving heeft (ongeschreven) regels over wat politiek kan worden en wat
niet
Westerse samenleving heeft grens tussen:
o Privaat: domein waarin individu autonoom kan handelen + oordelen zonder
politieke invloeden
Bv relaties zijn privé, maar als er sprake is van dwang komt politiek
kijken want regels worden overschreden
Varieert van land tot land wat privé is
o Publiek: Sociaal leven/domein waar mensen elkaar ontmoeten
Voorbeeld: eenzaamheid linken aan structurele oorzaken
(individualisering, gezinsstructuren).
Persoonlijke ervaring linken aan gemeenschap
Depolitisering: thema terug naar privé trekken.
Voorbeeld: kritiek op seksismewet (2014):
seksisme = individueel probleem, geen structureel.
3) Vormen en regimes
Classificatie van politieke vormen op basis van de vraag wat de grootste principes
zijn die liggen aan het functioneren van een bestel = Regime
Wie heeft recht om beslissingen te nemen? Geïnspireerd door de regels van
een godsdienst of is bestuur en godsdienst van elkaar gescheiden? Zijn er
geschreven regels waaraan de politieke overheden zelf zich moeten houden?
Etc.
Democratisch ↔ autoritair.
, Macht = tijdelijk/gespreid over verschillende groepen
Burgers kiezen volksvertegenwoordigers uit (ook zij beslissen over regels)
Basisrechten van burger beschermd en gerespecteerd worden
Unitair ↔ federaal.
Territorium bestuurd vanuit een punt of hebben deelgebieden ook eigen
bestuur?
Meerderheid ↔ consensus.
Unicameraal ↔ bicameraal.
Andere spelregels: kieskringen, rol staatshoofd, enz.
Politiek = méér dan instellingen → ook praktijken, actoren, bewegingen.
Architectuur parlementen = onderlinge betekenissen
Politieke wetenschap: politicologie, huh?
Politicologie ≠ gewoon “vertellen over de samenleving” (zoals journalisten,
opiniemakers, kunstenaars).
Verslag uitbrengen van debatten, beslissingen, geven commentaar en betere
oplossingen
Het is wetenschap (analyseren, begrijpen en verklaren), dus gebonden aan
regels:
1. Intellectuele distantie
o Niet de bedoeling dat PolWetenschappers deelnemen aan debat
en zeggen hoe het moet of wat juist en fout is
o PolWeten zijn ook lid van samenleving die ze bestuderen →
hebben ook meningen over van alles in de politiek
o Gevaar: bias (waarden, normen, context beïnvloeden onderzoek).
Interpretatie van data
o Oplossing: reflexiviteit, twijfel toelaten, transparant rapporteren.