homeostase?
1
,A. Het volledig constant houden van alle lichaamswaarden
B. Het dynamisch reguleren van de interne omgeving rond een instelpunt
C. Het tijdelijk aanpassen van lichaamsfuncties bij ziekte
D. Het uitschakelen van variatie in fysiologische processen
2. Waarom wordt het extracellulaire vocht de ‘interne
omgeving’ genoemd?
A. Omdat het zich uitsluitend in de bloedvaten bevindt
B. Omdat het door hormonen wordt gereguleerd
C. Omdat veranderingen hierin direct invloed hebben op celfunctie
D. Omdat het dezelfde samenstelling heeft als intracellulair vocht
3. Welke combinatie beschrijft correct de opbouw van een
homeostatische regelkring?
A. Effector → sensor → instelpunt
B. Sensor → effector → controller
C. Controller → sensor → effector
D. Sensor → controller → effector
4. Welke eigenschap van het celmembraan maakt selectieve
uitwisseling van stoffen mogelijk?
A. De elektrische lading van de cel
B. De aanwezigheid van een lipidedubbellaag met transporteiwitten
C. De hoge concentratie eiwitten in het cytoplasma
D. De constante activiteit van de natrium-kaliumpomp
5. Wat is het belangrijkste gevolg van selectieve
membraanpermeabiliteit?
A. Vrije diffusie van alle ionen
B. Behoud van een stabiel intracellulair milieu
C. Verhoogde snelheid van metabole reacties
D. Permanente elektrische neutraliteit van de cel
6. Welke uitspraak over diffusie is juist?
A. Diffusie vereist altijd energie in de vorm van ATP
B. Diffusie kan alleen plaatsvinden via membraaneiwitten
C. Diffusie verloopt langs een concentratiegradiënt
D. Diffusie is onafhankelijk van membraanpermeabiliteit
2
, 7. Wat onderscheidt actief transport van gefaciliteerde
diffusie?
A. Actief transport verloopt sneller
B. Actief transport gebruikt altijd membraankanalen
C. Actief transport kan tegen een gradiënt in plaatsvinden
D. Actief transport is alleen mogelijk voor kleine moleculen
8. Welke ion speelt de grootste rol bij het bepalen van de
rustmembraanpotentiaal van neuronen?
A. Natrium
B. Calcium
C. Chloride
D. Kalium
9. Waarom is de natrium-kaliumpomp essentieel voor
zenuwfunctie?
A. Omdat zij actiepotentialen initieert
B. Omdat zij ionengradiënten herstelt en onderhoudt
C. Omdat zij neurotransmitters vrijmaakt
D. Omdat zij calciumionen transporteert
10. Wat kenmerkt een actiepotentiaal in een neuron?
A. De amplitude neemt af tijdens voortgeleiding
B. Het is afhankelijk van de prikkelsterkte
C. Het volgt het alles-of-niets-principe
D. Het duurt zolang de prikkel aanhoudt
11. Wat is het functionele voordeel van myelinisatie van
axonen?
A. Verlaging van de drempelwaarde
B. Verhoging van de rustpotentiaal
C. Snellere voortgeleiding van actiepotentialen
D. Verhoogde neurotransmitterafgifte
12. Waarom kan tetanus niet optreden in hartspierweefsel?
A. Door afwezigheid van calciumkanalen
B. Door de korte actiepotentiaal
C. Door de lange refractaire periode
D. Door parasympathische remming
3