Taal 1.5 mondelinge taalvaardigheid &
woordenschat
Domein 1 mondelinge taalvaardigheid
Luistervaardigheid
Bij luistervaardigheid gaat het om het begrijpen, interpreteren, evalueren
en samenvatten van wat je hoort.
De luisteraar moet de volgende bekaamheden bezitten;
- Beschrijving kunnen volgen
- Gevoelens en meningen begrijpen en waarderen
- Inhoud kunnen interpreteren en beoordelen of uitleg volgen.
- De luisteraar doorziet de strategie van de spreker en kan passende
feedback geven aan de spreker. Dit noemen we ook wel interactief
luisteren.
Het fundamentele niveau 1F stelt dat de leerlingen kunnen luisteren naar
eenvoudige teksten over het alledaagse en concrete onderwerpen die
aansluiten bij de leefwereld. Het streefniveau 1S houdt in dat de leerling
kan luisteren naar gesprekken over alledaagse onderwerpen en
onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld van de leerlingen of die er
nog verder weg van staan.
De eindniveaus zijn 1F 1S/2F. Om dit te behalen moet de leerkracht inzicht
hebben in de doorlopende lijnen.
Spreekvaardigheid
Spreken is een complexe vaardigheid. De spreker brengt zijn gedachten
onder woorden, structureert zijn verhaal en sluit aan bij zijn doel en het
publiek. Tijdens het spreken zendt de spreker non-verbale signalen uit.
Door mimiek, gebaren en lichaamshouding kan hij het verhaal
ondersteunen en de aandacht vasthouden van het publiek.
Na het voeren van gesprekken leren kinderen een monoloog te houden.
Dit is een presentatie of een spreekbeurt.
Aan het einde van de basisschool moeten leerlingen het 1F niveau behaald
hebben; eenvoudige gesprekken voeren over onderwerpen van het
dagelijkse leven en buiten schol. Het 1S niveau geeft aan dat leerlingen
een persoonlijke mening, informatie kan uitwisselen en gevoelens onder
worden kunnen brengen in gesprekken die over alledaagse en niet-
alledaagse onderwerpen gaan.
, Er zijn verschillende kenmerken die zichtbaar zijn wanneer leerlingen een
spreektaak uitvoeren;
- Beurten nemen en bijdragen aan samenhang
- Afstemming op doel
- Afstemming op de gesprekspartner(s)
- Woordgebruik en woordenschat
- Vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing.
Het niveau van de spreekvaardigheid kan op basis van deze kenmerken
worden vastgesteld.
Luisterdoelen
Voorbeelden van luisterdoelen;
- Iets te eten willen komen
- Een bepaald gevoel willen ondergaan
- Zich een mening willen vormen
- Een bepaalde handeling willen uitvoeren
- Een spel mee willen spelen.
Luisterstrategieën
Er zijn verschillende luisterstrategieën die de luisteraar bewust of
onbewust kiest. De volgende manieren zijn er om te luisteren;
- Globaal luisteren ( de grote lijnen volgen)
- Intensief luisteren (details ook belangrijk vinden)
- Gericht luisteren (specifieke informatie oppikken)
- Kritisch luisteren (mening vormen)
Spreekdoelen
Bewust of onbewust heeft de spreker altijd een doel. De volgende doelen
zijn er, en daar moet je als leerkracht aandacht aan besteden;
- Amuseren (vertellen van iets grappigs, een mop)
- Informeren (iets informatiefs vertellen, bijvoorbeeld hoe laat het is)
- Instrueren ( een opdracht geven, bijvoorbeeld iemand de weg
wijzen)
- Overtuigen ( je mening over willen dragen aan iemand anders
(bijvoorbeeld zeggen dat je een boek echt moet lezen en vertellen
hoe goed het is)
Je moet je strategie afstemmen op wat je wil vertellen en wat je
spreekdoel is. Op die manier kun je kiezen voor een bepaalde vorm of
taalgebruik om iets te vertellen.
Spreekstrategieën
woordenschat
Domein 1 mondelinge taalvaardigheid
Luistervaardigheid
Bij luistervaardigheid gaat het om het begrijpen, interpreteren, evalueren
en samenvatten van wat je hoort.
De luisteraar moet de volgende bekaamheden bezitten;
- Beschrijving kunnen volgen
- Gevoelens en meningen begrijpen en waarderen
- Inhoud kunnen interpreteren en beoordelen of uitleg volgen.
- De luisteraar doorziet de strategie van de spreker en kan passende
feedback geven aan de spreker. Dit noemen we ook wel interactief
luisteren.
Het fundamentele niveau 1F stelt dat de leerlingen kunnen luisteren naar
eenvoudige teksten over het alledaagse en concrete onderwerpen die
aansluiten bij de leefwereld. Het streefniveau 1S houdt in dat de leerling
kan luisteren naar gesprekken over alledaagse onderwerpen en
onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld van de leerlingen of die er
nog verder weg van staan.
De eindniveaus zijn 1F 1S/2F. Om dit te behalen moet de leerkracht inzicht
hebben in de doorlopende lijnen.
Spreekvaardigheid
Spreken is een complexe vaardigheid. De spreker brengt zijn gedachten
onder woorden, structureert zijn verhaal en sluit aan bij zijn doel en het
publiek. Tijdens het spreken zendt de spreker non-verbale signalen uit.
Door mimiek, gebaren en lichaamshouding kan hij het verhaal
ondersteunen en de aandacht vasthouden van het publiek.
Na het voeren van gesprekken leren kinderen een monoloog te houden.
Dit is een presentatie of een spreekbeurt.
Aan het einde van de basisschool moeten leerlingen het 1F niveau behaald
hebben; eenvoudige gesprekken voeren over onderwerpen van het
dagelijkse leven en buiten schol. Het 1S niveau geeft aan dat leerlingen
een persoonlijke mening, informatie kan uitwisselen en gevoelens onder
worden kunnen brengen in gesprekken die over alledaagse en niet-
alledaagse onderwerpen gaan.
, Er zijn verschillende kenmerken die zichtbaar zijn wanneer leerlingen een
spreektaak uitvoeren;
- Beurten nemen en bijdragen aan samenhang
- Afstemming op doel
- Afstemming op de gesprekspartner(s)
- Woordgebruik en woordenschat
- Vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing.
Het niveau van de spreekvaardigheid kan op basis van deze kenmerken
worden vastgesteld.
Luisterdoelen
Voorbeelden van luisterdoelen;
- Iets te eten willen komen
- Een bepaald gevoel willen ondergaan
- Zich een mening willen vormen
- Een bepaalde handeling willen uitvoeren
- Een spel mee willen spelen.
Luisterstrategieën
Er zijn verschillende luisterstrategieën die de luisteraar bewust of
onbewust kiest. De volgende manieren zijn er om te luisteren;
- Globaal luisteren ( de grote lijnen volgen)
- Intensief luisteren (details ook belangrijk vinden)
- Gericht luisteren (specifieke informatie oppikken)
- Kritisch luisteren (mening vormen)
Spreekdoelen
Bewust of onbewust heeft de spreker altijd een doel. De volgende doelen
zijn er, en daar moet je als leerkracht aandacht aan besteden;
- Amuseren (vertellen van iets grappigs, een mop)
- Informeren (iets informatiefs vertellen, bijvoorbeeld hoe laat het is)
- Instrueren ( een opdracht geven, bijvoorbeeld iemand de weg
wijzen)
- Overtuigen ( je mening over willen dragen aan iemand anders
(bijvoorbeeld zeggen dat je een boek echt moet lezen en vertellen
hoe goed het is)
Je moet je strategie afstemmen op wat je wil vertellen en wat je
spreekdoel is. Op die manier kun je kiezen voor een bepaalde vorm of
taalgebruik om iets te vertellen.
Spreekstrategieën