Inhoudsopgave
Hoorcollege 1.1hcCL 1- introductie college + paradigma’s .............................................................. 2
Hoorcollege: 1.1hcCL2- wat is handelen? ...................................................................................... 4
Werkcollege: 1.1wcCL1 – eigen dagelijks handelen en context............................................................6
Hoorcollege: 1.1hc/CL4- Introductie ICF en het ergotherapeutische inhoudsmodel PEOP ................ 7
Werkcollege: 1.1wcCL/2- Betekenis van het handelen gekoppeld aan het PEOP en ICF ...................... 10
Hoorcollege: 1.1hcCL5- hoe kijkt kinesiologie naar handelen? .......................................................11
Werkcollege: 1.1wcCL4- kenniskaart bewegingen en gewrichten en botten ....................................... 19
Kenniskaart bewegingen ............................................................................................................ 19
Sagittaal vlak................................................................................................................................ 20
Gewrichten en botten................................................................................................................ 21
Hoorcollege: 1.1hcCL6- neurologie en handelen ...........................................................................22
Werkcollege 1.1wcCL5................................................................................................................... 26
Hoorcollege: 1.1hcCL/7 - psychologie en handelen .......................................................................28
Werkcollege: 1.1wcCL6.................................................................................................................. 37
Hoorcollege: 1.1hcCL8- sociologie en diversiteit ...........................................................................37
Werkcollege 1.1wcCL7- sociologie ................................................................................................. 41
Hoorcollege 1.1hcCL9- praktijkcontexten .....................................................................................42
1
,Hoorcollege 1.1hcCL 1- introductie college + paradigma’s
Hoorcollege: 1.1hcCL1- introductie college
Overal waar de ergotherapeut werkt, het dagelijks handelen centraal staat. Het dagelijks
handelen vindt plaats in de omgeving van de cliënt. Ergotherapeuten werken bij voorkeur
zoveel mogelijk op de plek waar het handelen plaatsvindt. (In de wijk waar mensen
wonen, op de werkvloer of bij mensen thuis.)
Paradigma’s ergotherapie
Ergotherapeutische paradigma’s*
*paradigma= een samenhangend geheel van theorieën en theoretische denkkaders
Hieronder valt: de kern van het beroep, de fundamentele uitgangspunten en wat een
beroepsgroep in een bepaalde periode heeft vastgesteld
- Preparadigma (tussen 1800- 1900)
Gekenmerkt door:
• Moral treatment
Gestart in Frankrijk, het idee was om het gedrag van geesteszieken te
normaliseren in afgelegen gestichten. De focus lag op de morele waarde. Invloed
van de moral treatment nog steeds zichtbaar in moderne ergotherapie, waar
patiënten met de voor hun zinvolle activiteiten centraal staan.
• Arts and crafts
In Engeland vergelijkbaar initiatief gestart, tijdens Industriële Revolutie waarbij
arbeid als therapie werd gezien en dat je werd benaderd met respect,
vriendelijkheid en aandacht voor gewoonten en voorkeuren van die patiënten.
• Non- restraint beweging
Dwangvrije behandeling van psychiatrische patiënten waarbij vriendelijkheid,
onderwijs en ondersteuning gebruikt werd om sociale vaardigheden te herstellen
zodat die patiënten terug konden gaan naar hun normale leven.
Philip Phinel was een invloedrijke arts en introduceert werktherapie aan geesteszieken.
Hij streef naar terugkeer van vroegere interesses en werk, dit ziet hij als onderdeel voor
herstel van de patiënt. Arbeid ziet hij als de manier om mensen met afwijkend gedrag te
disciplineren.
- Paradigma van het handelen (tussen 1900-1950)
Ergotherapie ontwikkelde zich;
• Het beroep ergotherapie ontstond in Verenigde Staten en was erop gericht
psychiatrische en tuberculosepatiënten te activeren door arbeid en
activiteiten.
• In Europa ontstond behoefte aan experts in revalidatie en rehabilitatie als
gevolg na Eerste Wereldoorlog voor gewonde soldaten.
• Pioniers: Elizabeth Casson (startte de eerste ergotherapeutische afdeling voor
vrouwen met psychiatrische klachten in Verenigd Koninkrijk en lanceerde
eersye Ergotherapie afdeling) en Margaret Barr Fulton (eerste pioniers in
Europa)
2
, • In dit paradigma wordt arbeid beschouwd als middel om de gedachten van
patiënten af te leiden en vervelen te voorkomen.
• Aandacht voor dagelijks handelen, maar gefocust op arbeid en activiteiten in
de psychiatrie.
- Mechanistisch/reductionistisch paradigma (tussen 1950- 1980)
• In dit paradigma startte de ergotherapie in Nederland
• Oprichting arbeidstherapieafdelingen in revalidatiecentra na de Tweede
Wereldoorlog. (doel: arbeidsinvaliden terugkeren naar maatschappij)
• Holistische visie naar functiegerichte aanpak.
Holistisch visie is de mens zien als geheel
Functiegerichte visie is kijken naar de functie van de spieren en gewrichten
• In dit paradigma wordt de mens en het denken en doen verklaard op basis van
biologische eigenschappen
• Industriële arbeidsactiviteiten (bollen plukken) werden ingezet voor
functietraining.
• Psychiatrie behield focus op arbeid, maar er ontstond kritiek op verplicht
industrieel werk.
• Omschakeling naar persoonlijke ontplooiing en resocialisatie in de jaren
zestig en zeventig.
- Huidige paradigma (vanaf 1980 tot heden)
• Nadruk op handelen, context en betekenisvolle activiteiten
→ Holistische visie teruggekomen
• Persoon en zijn beleving centraal in plaats van enkel fysiek herstel
• Verschillende ergotherapeutische modellen en assessment instrumenten
ontwikkeld
• Uitgangspunten ergotherapie:
Persoonsgericht, gebaseerd op context, bewijs (evidence- practice), technologie en
gemeenschappen
Definities van het beroep ergotherapie
Definitie ergotherapie uit het Nederlandse
beroepsprofiel (2010):
‘Ergotherapie is gericht op het mogelijk maken
van het handelen, participatie- het
deelnemen van mensen aan het dagelijks en
maatschappelijk leven- gerealiseerd wordt
ten behoeve van gezondheid en welzijn. Dit
wordt bereikt door de mogelijkheden van personen, organisaties of populaties met
betrekking tot het handelen te benutten en te vergroten, dan wel door de omgeving aan
te passen en/of te gebruiken.’
3
, Hoorcollege: 1.1hcCL2- wat is handelen?
Hoorcollege: 1.1hcCL2
- Wat is handelen?
Vb: de handeling: ’s morgens aankleden
- Kleed jij je ’s morgens aan?
- Zijn er ook dagen dat je hele dag in pyjama blijft?
- In de auto aangekleed/ omgekleed?
- Denk je lang na bij aankleden?
→ Zou jij je kunnen aankleden met een verlamde arm?
Handelen verschilt tussen personen:
- Bv door culturele achtergrond (klederdracht etc.)
Ergotherapie: kerndomein = het ‘dagelijks handelen’ of ‘occupation’
Het handelen is de uitvoering van activiteiten en taken: handelen is doelgericht, vindt
plaats in de context en is gerelateerd aan de ervaring en de betekenis die de persoon
eraan geeft.
Participatie: ergotherapeuten zijn erop gericht op het mogelijk maken van de dagelijkse
activiteiten waardoor mensen weer mee kunnen doen in de maatschappij.
PEO (= inhoudsmodel)
Person- Environment- Occupation
- Person: persoon die handelt
- Environment: de context of omgeving
- Occupation: uitvoering van de activiteiten
Het dagelijks handelen is het resultaat van de
dynamisch interactie tussen de drie elementen.
Uitkomst= het handelen= samenwerking
Doelgroepen: kinderen, volwassenen en ouderen met beperkingen op fysiek, mentaal of
gedragsmatig gebied kan ook een groep zijn.
De omgeving/ context:
- Fysieke omgeving,
- Sociale omgeving
- Technologische omgeving.
→ Heeft grote invloed op handelen
4