Werkwoorden:
Werkwoorden zeggen wat iets of iemand doet of overkomt.
o Ook wel 'doe-woorden' genoemd.
o Scheidbare werkwoorden (uitlachen, weglopen) splitsen zich als ze in
een zin worden gebruikt: (Paul liep zomaar weg van huis.)
o Een werkwoord kun je vervoegen (ik lach, jij/hij/zij lacht, wij lachen)
Er zijn drie soorten werkwoorden die je moet kennen:
Zelfstandig werkwoord (zww):
Een werkwoord met een duidelijke betekenis.
Een werkwoordelijk gezegde bevat altijd één zww. Een zww kan
zelfstandig (alleen) een werkwoordelijk gezegde vormen.
Bijvoorbeeld:
• De hond luistert naar zijn baas.
• Ik fiets iedere dag.
• Het ijs smelt.
Als er meerdere werkwoorden in de zin staan, dan staat het
zww ergens achter in de zin en dan zijn de overige
werkwoorden allemaal hulpwerkwoorden (hww).
Hulpwerkwoord (hww):
Een werkwoord met een minder duidelijke betekenis:
hebben, zijn, worden, kunnen, willen, zullen, mogen, moeten, hoeven.
Helpt mee het gezegde te vormen --> staat niet alleen in de zin.
Een hww kan samen met een zww in de zin staan.
Bij de hulpwerkwoorden hebben, zijn en worden is het zelfstandig
werkwoord een voltooid deelwoord.
Bijvoorbeeld:
• Zij heeft (hww) gedanst (zww).
• Hij is (hww) gevallen (zww).
• Hij wordt (hww) gezocht (zww).
Bij de hulpwerkwoorden kunnen, willen, zullen, mogen, moeten
en hoeven is het zelfstandig werkwoord een infinitief (=hele ww).
Bijvoorbeeld:
• Zij kan (hww) mooi dansen (zww).
• Hij mag (hww) niet vallen (zww).
• Hij wil (hww) niet zoeken (zww).
Een hww kan ook samen met een koppelwerkwoord (kww) in de
zin staan. Een hww helpt dus of een zww of een kww.
, Let op!:
o Zodra er meer dan één werkwoord in de zin staat, is de persoonsvorm altijd een
hulpwerkwoord.
o In een zin kunnen nooit alleen maar hulpwerkwoorden staan.
Zelfstandig naamwoord (zn):
Mensen, dieren, planten, dingen, gevoelens.
(Bijv.: dochter, bloemist, zeehond, tulp, telefoon, dorp, liefde)
Eigennamen en namen van plaatsen.
Je kunt er 'de', 'het' of 'een' voor zetten (de vriend, het boek)
Een zelfstandig naamwoord heeft meestal een enkelvoud en een
meervoud (vriend - vrienden; boek - boeken).
Je kunt er vaak een verkleinwoord van maken (vriend - vriendje;
boek - boekje).
Bijvoorbeeld:
• Die hond heet Henry.
• Dat meisje voelt verdriet en blijdschap tegelijk.
Bijvoeglijk naamwoord (bn):
Zegt iets over een zelfstandig naamwoord (Een spannende film).
Staat meestal vóór het zelfstandig naamwoord, maar kan er ook
achter staan (Het computerspel is duur).
Staat niet altijd dichtbij het zelfstandig naamwoord waar het bij
hoort (De leerlingen liepen na de les blij het lokaal uit.)
Bijvoorbeeld:
• Het aardige meisje (zn) verzorgt de eenzame ouderen (zn).
• De lange man (zn) draagt een stoffen vest (zn).
• Ik eet een gebakken ei (zn).
Een deelwoord als bijvoeglijk naamwoord
Van de werkwoordsvormen voltooid deelwoord (vd) en onvoltooid
deelwoord(od) kun je een bijvoeglijk naamwoord maken. Je benoemt
het dan ook als bijvoeglijk naamwoord. Grammatica woordsoorten
Bijvoorbeeld:
teleurstellen – teleurgesteld (vd) – teleurstellend (od)
bijvoeglijk naamwoord: teleurgesteld(e), teleurstellend(e)
De trainer was na de nederlaag een teleurgesteld mens.
De supporters vonden een verlies van 0-2 een teleurstellende uitslag.