Week 1A Inleiding tot de interne markt
Drie karakteristieken van het EU-recht
1. Gelaagde structuur: onderscheid tussen primair recht en secundair recht
a. Primair recht zijn verdragen, zoals het VEU, VWEU en Handvest
b. Secundair recht wordt vastgesteld op basis van de verdragen, zoals
wetgeving en overige handelingen van de EU-instellingen
2. Veel open normen en een sterke focus op rechtspraak
3. Verdragsherzieningen en bijbehorende her-nummering van de verdragen
a. In de jurisprudentiebundel wordt gewezen naar bepaalde artikelen
en die artikelen zijn nu verwezenlijkt in een ander verdrag en/of
andere artikelen
De interne markt
De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije
verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd
volgens de bepalingen van de verdragen, art. 26 lid 2 VWEU
De interne markt is niet alleen bedoeld om de binnengrenzen weg te
nemen, maar ook om niet-economische doelstellingen te bewerkstelligen,
art. 3 lid 3 VEU
De interne markt is een economisch middel om bepaalde verdergaande
economische doelstellingen te bereiken, art. 1 en art. 3 lid 1 VEU
o Het uiteindelijke doel van de EU is het bevorderen van vrede, haar
waarden en het welzijn van haar volkeren
De interne markt bestaat uit de vier fundamentele vrijheden,
unieburgerschap (art. 20 en 21 VWEU) en een systeem van onvervalste
mededinging (art. 101-109 VWEU en protocol 27)
o De vier fundamentele vrijheden: vrij verkeer van goederen (art. 30,
34-36 en 110 VWEU), vrij verkeer van personen (werknemers (art.
45 VWEU) en zelfstandigen en bedrijven (art. 49 VWEU)), vrij
verkeer van diensten (art. 56-62 VWEU) en vrij verkeer van kapitaal
(art. 63-65 VWEU)
Negatieve en positieve integratie
Negatieve integratie: nationale regels die het vrije verkeer beperken
worden verboden omdat zij in strijd worden geacht met het EU-recht
o Het uitgangspunt van het Werkingsverdrag houdt niet in dat alle
nationale voorschriften die het verkeer belemmeren worden
verboden
o De focus ligt op nationale regelgeving die het functioneren van de
interne markt belemmert of in strijd is met de fundamentele
vrijheden
o De Verdragen vertellen lidstaten (en soms particulieren) door middel
van verboden wat ze niet mogen doen
Positieve integratie: verschillende nationale regels worden vervangen
door één regel van Europese oorsprong in een harmonisatieproces
o Nationale regelgeving wordt vervangen door uniforme EU-
standaarden, zoals de definitie van jam, waardoor er geen
verschillen tussen lidstaten zijn
, o De focus ligt op EU-regels die het functioneren van de interne markt
bevorderen. Het gaat om positief handelen van instellingen op
Europees niveau
Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van het nationale en het EU-
recht moet eerst worden gekeken naar de positieve integratiemaatregelen
in het secundaire EU-recht en pas daarna naar de bepalingen van het
Werkingsverdrag die betrekking hebben op de negatieve integratie
o Geen harmonisatie? De verboden in de Verdragen vormen het
beoordelingskader van nationale regels
o Harmonisatie? De Europese secundaire wetgeving vormt het
beoordelingskader van nationale regels
o De harmonisatieregels hebben voorrang
Constitutionalisering van het EU-recht
Het EU-recht heeft in de loop der jaren een andere status gekregen dan
internationaal recht. De achtergrond van het EU-recht is nu constitutioneel recht.
De methode die het Hof van Justitie heeft gebruikt is ‘integratie door recht’ of te
wel de constitutionalisering van Verdragen. Het recht komt in plaats van de
politiek centraal te staan in de integratie. Er staan drie beginselen aan ten
grondslag: autonomie, rechtstreeks werking en voorrang.
Wat is nodig om Europese integratie daadwerkelijk te doen slagen?
Context: het falen van het internationaal recht in de voorafgaande
decennia om oorlog te voorkomen
Essentieel hierin is de “prejudiciëlevraagprocedure”: nationale rechters
kunnen vragen stellen aan het Hof over Europeesrecht
Autonomie EU-recht: Van Gend & Loos
Autonomie = het EU-recht is een zelfstandige, eigen rechtsorde die onafhankelijk
van de lidstaten werkt
“Het [EEG]-verdrag is meer dan een overeenkomst welke slechts
wederzijdse verplichtingen tussen de verdragssluitende mogendheden
schept”
o Het EU-recht is meer dan internationale afspraken tussen staten
o Het Verdrag vormt een eigen, bovenstatelijke rechtsorde
“Dat […] de Gemeenschap in het volkenrecht een nieuwe rechtsorde vormt
ten bate waarvan de Staten, zij het op een beperkt terrein, hun
soevereiniteit hebben begrensd en waarbinnen niet slechts deze Lid-
Staten, maar ook hun onderdanen gerechtigd zijn.”
o Het EEG-verdrag creëert een nieuwe rechtsorde
o De lidstaten zijn niet langer alleen Herren der Verträge, maar ook
onderdaan van de Unie die zij mede hebben opgericht wat betekent
dat zij verplicht zijn het recht van de Unie na te leven
“Dat het gemeenschapsrecht derhalve, evenzeer als het, onafhankelijk van
de wetgeving der lidstaten, ten laste van particulieren verplichtingen in het
leven roept, ook geëigend is rechten te scheppen welke zij uit eigen hoofde
kunnen geldig maken”
o Wijze waarop internationaal recht normaal gesproken doorwerkt in
de nationale rechtsorde
o Particulieren en lidstaten kunnen over en weer rechten (en de
overeenkomstige verplichtingen) ontlenen aan het EU-recht in hun
hoedanigheid van onderdanen daarvan
,Autonomie en rechtstreekse werking: Van Gend & Loos
“Dat het gemeenschapsrecht derhalve, evenzeer als het, onafhankelijk van de
wetgeving der lidstaten, ten laste van particulieren verplichtingen in het leven
roept, ook geëigend is rechten te scheppen welke zij uit eigen hoofde kunnen
geldig maken”
Wat lidstaten voor zichzelf hebben besloten met betrekking tot een
monistische of dualistische benadering van het internationale recht is
irrelevant voor het EU-recht
o Het is niet relevant voor de inroepbaarheid van het Unierecht in de
lidstaten, want het EU-recht werkt in alle lidstaten op dezelfde
manier door
o Het EU-recht kan rechten en plichten voor individuen creëren
“Dat de waakzaamheid der belanghebbenden op de verzekering van hun rechten
een doelmatige controle verschaft, die zich paart aan het toezicht dat de
artikelen [258 en 259 VWEU] aan de Commissie en de lidstaten opdragen.”
EU-recht moet effectief zijn en daarom onafhankelijk inroepbaar zijn bij de
nationale rechtsorde van de lidstaat, zodat particulieren zich op EU-recht
voor de nationale rechter kunnen beroepen
o Rechtstreekse werking: individuen kunnen een bepaling van het
Unierecht inroepen voor de nationale rechter van die lidstaat
Zorgt ervoor dat individuen zich aan het EU-recht gaan houden
De waakzaamheid der belanghebbenden (individuen) hebben belang bij
het Europeesrecht
Welke bepalingen kunnen individuen inroepen?
Van Gend en Loos, algemene criteria voor rechtstreekse werking: op het
moment dat een bepaling van het EU-recht voldoende duidelijk is en
onvoorwaardelijk is, kan een individu zich voor zijn of haar nationale
rechter zich op deze bepaling beroepen
Tegen wie kan de bepaling worden ingeroepen?
o “Verticaal”: tegen de staat (lidstaat)
o “Horizontaal”: tegen een ander individu (particulier, alleen in
sommige gevallen)
Autonomie en voorrang: Costa/ENEL
“…[dat] het verdragsrecht, dat uit een autonome bron voortvloeit, op
grond van zijn bijzonder karakter niet door enig voorschrift van nationaal
recht opzij kan worden gezet, zonder zijn gemeenschapsrechtelijk karakter
te verliezen en zonder dat de rechtsgrond van de gemeenschap zelf
daardoor wordt aangetast”
o De voorrang van Unierecht is absoluut. Er zijn geen uitzonderingen
mogelijk
o Als het nationale recht in strijd is met enige bepaling van het EU-
recht, dan moet de nationale bepaling opzij worden gezet door de
nationale rechter. EU-recht heeft voorrang op het moment dat
nationaal recht daarmee in conflict is
“Dat […] latere eenzijdig afgekondigde [nationale] wettelijke voorschriften,
die tegen het stelsel van de Gemeenschap ingaan, iedere werking
ontberen”
Bovendien hebben lidstaten een plicht tot loyaliteit (art. 4 lid 3 VEU) jegens
elkaar en de EU, die geldt voor alle entiteiten van de lidstaten
o Dit geldt voor Nederland als lidstaat, maar ook voor iedere nationale
rechter (kantonrechter tot aan Hoge Raad) en bestuursorganen
, o Zij moeten altijd voorrang geven
Prejudiciëlevraagprocedure, art. 267 VWEU
“Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële
beslissing, een uitspraak te doen
a. over de uitlegging van de Verdragen,
b. over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de
instellingen, de organen of de instanties van de Unie.
Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke
instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit
punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof verzoeken over
deze vraag een uitspraak te doen.”
Nationale rechters kunnen dus vragen stellen over EU-recht. Het Hof is bevoegd
om de vragen van nationale rechters van de lidstaten over het EU-recht te
beantwoorden. Het antwoord is bindend voor de nationale rechter.
Bevoegdheidsverdeling: attributie
Het systeem van de specifieke bevoegdheidstoedeling is neergelegd in art. 4 lid 1
VEU en art. 5 lid 1 en 2 VEU. Op grond van deze artikelen van de Unie slechts
optreden als zij daartoe uitdrukkelijk door de Verdragen is gemachtigd. In de
praktijk betekent dit dat er een rechtsgrondslag moet zijn voor het optreden van
de EU.
Art. 4 lid 1 VEU: de EU heeft alleen de bevoegdheden die de lidstaten aan
haar hebben toegedeeld. Bevoegdheden die niet aan de EU zijn
toegedeeld behoren toe aan de lidstaten
Art. 5 lid 1 en lid 2 VEU: de EU handelt slechts binnen de grenzen van haar
bevoegdheden om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken
o De uitoefening van bevoegdheden wordt beheerst door de
beginselen van subsidiariteit en evenredigheid
De EU heeft drie soorten bevoegdheden:
1) Exclusieve bevoegdheden, art. 3 VWEU: volledig weggegeven
bevoegdheden
2) Gedeelde bevoegdheden, art. 4 VWEU: de Unie en de lidstaat hebben
beide de bevoegdheid
3) Ondersteunende bevoegdheden, art. 6 VWEU: de Unie is bevoegd om het
optreden van lidstaten te ondersteunen, coördineren of aan te vullen
Bevoegdheidsgrondslag: rechtsgrondslag
De verboden in de Verdragen (negatieve integratie) kunnen meteen
worden toegepast op maatregelen van lidstaten. De verboden hebben
rechtstreekse werking
Voor positieve integratie is nadere (secundaire) wetgeving van de EU nodig
binnen de grenzen van de bevoegdheidsverdeling. Secundaire wetgeving
vereist een specifieke rechtsgrondslag in de Verdragen
o VWEU stelt rechtsgrondslagen vast over hoe instellingen EU-recht
kunnen maken, bijvoorbeeld art. 113 VWEU, 114 VWEU en art. 192
VWEU
In een rechtsgrondslag staan altijd de volgende vereisten:
1. Welk soort maatregel mag worden aangenomen (inhoud en doel);
2. Welke EU-instelling(en) deze maatregel kunnen aannemen;