Het onderwerp van thema 7 is: "Basisprincipes 2: het welvaartsverlies van belastingheffing"
De voorgeschreven literatuur bij dit onderwerp is:
De Kam, Bolhuis en Lukkezen, hoofdstuk 18.1-18.3 [16e druk 19.1-19.3]
The Core Team, The Economy 1.0, Unit 3.7, Unit 8.7.
Vollebergh, H., 2023, Verbind meten van welvaart expliciet aan maatschappelijke
doelen, ESB 108, p. 178-181.
De twee korte kennisclips (weblectures) voor dit thema zijn hiernaast beschikbaar. Na afloop
van werkcollege 10 wordt ook de opname van het werkcollege geplaatst.
De Kennisclips bevatten verwijzingen naar de Kam et al. 16e druk. De relatie naar de
17e druk is als volgt:
o Paragraaf 17.5 is nu 16.5
o Paragraaf 17.3.2 is nu 16.3.2
o Paragraaf 17.3.3 is nu 16.3.3
o Paragraaf 19.3 is nu 18.3
o De stof uit Stiglitz, 1988 wordt besproken in CoreEcon.
Hoe kan de overheid kiezen tussen verschillende belastingen? (deels normatieve vraag)
- Brede welvaart
- Welvaart als kernbegrip
- Thema 7: elke belasting zorgt voor een welvaartsverlies: mensen werken minder,
mensen kopen minder, de Nederlandse concurrentiepositie verzwakt…etc. we kunnen
dit ook een maatschappelijke kost van belastingheffing noemen.
Wat is welvaart?
1. Wat is het verschil tussen het BBP, het totale surplus in een markt, en
welvaart?
BBP (Bruto Binnenlands Product): is de geldwaarde van productie of consumptie
Welvaart = er moet ook iets voor worden opgegeven, kan niet gratis!
Brede welvaart = is breder dan het BBP!
Welzijn bevat ook “gratis” geluk.
Totale surplus:
De som van het consumentensurplus en Producentensurplus is een proxy voor welvaart, maar
niet exact (marktfalen, verdeling, vaste kosten).
Welvaart vinden economen van belang, wanneer ze beleid evalueren!
- Onderste driehoek is Producentensurplus
- Bovenste driehoek is consumentensurplus
, BBP = financiële waarde van alle transacties die in de economie plaatsvinden. (gaat over de
waarde van hoeveelheden die geproduceerd zijn) (Jacobs 2021)
BBP = de geldwaarde van productie of consumptie.
Marktfalen = waarde externe kosten kan groter zijn dan het surplus!
De som van het consumenten en Producentensurplus is een proxy voor de welvaart, maar
niet exact. (Marktfalen, verdeling, vaste kosten)
Welvaart = gebaseerd op schaarse goederen waar nut aan ontleend wordt (vaak expliciet de
som van het nut)
Welke zaken behoren allemaal (niet) tot de “Brede welvaart”
Multidisciplinair begrip
Voor economen: economie gaat over schaarste, keuzes maken onder schaarste.
o Moet gaan over schaarste
Armoede en ongelijkheid (inkomensverdeling)
Psychisch welbevinden
Milieuvraagstukken (klimaatverandering en vervuiling)
Moeten we middelen/tijd eraan besteden om het voor elkaar te krijgen? Vaak ja brede
welvaart
Vrije tijd? Economen vinden dit onder brede welvaart vallen
Doelstellingen niet op het individu, maar als samenleving wil je bijvoorbeeld een
lage inflatie hebben overheid formuleert doelen waarvan je denkt dat de welvaart
voor iedereen stijgt (dus wel brede welvaart)
Zaken die van waarde zijn op basis van individuele voorkeuren/nutsbeleving.
Meer dan alleen geld verdienen! Bredere kijk op hoe gelukkig de samenleving als geheel is.
Rekening houdend met keuzes maken vanwege schaarste.
2. Welke zaken behoren allemaal tot de “brede welvaart” van de
maatschappij volgens Vollebergh, 2023? En wat niet!?
Vollebergh stelt dat de klassieke welvaartstheorie al een ruim kader biedt voor 'brede
welvaart'. De essentie is de welvaart die de inzet van schaarse middelen met zich
meebrengt.
Het omvat:
Maatschappelijke doelen: Deze moeten centraal staan in de
welvaartsmeting. Voorbeelden zijn het voorkomen van een temperatuurstijging boven
de 2 graden Celsius , en doelen op het gebied van klimaat, armoedebestrijding,
onderwijs en gezondheidszorg.
Ruime doelstellingen: Het is een formeel, 'leeg' begrip dat ruimte laat voor elke
doelstelling of preferentie waarbij schaarste een rol speelt.
Uitkomsten van schaarste-inzet: Denk aan consumptie, vervuiling, en psychisch
welbevinden (indien verbonden aan de inzet van middelen).