Genen&Omgeving 1
Samenspel genen en omgeving
Hoorcollege 1: belangrijkheid + geschiedenis
Genen (menselijke genetica en kwantitatieve genetica): wat maakt ons hetzelfde en wat
maakt ons anders.
Menselijke genetica= hoe erfelijke eigenschappen en genetische variaties bij mensen
worden doorgegeven (ziektes bijvoorbeeld)
Kwantitatieve genetica= studie van erfelijke eigenschappen die continu variëren (lengte
of IQ) en worden beïnvloed door meerdere genen en omgevingsfactoren (statistisch).
Historisch perspectief:
Oude wereld: Ouders geven kenmerken door aan nakomelingen
Het Griekse perspectief:
Pythagoras stelde voor dat de vader de essentiële kenmerken levert (“vorm”) en de
moeder de materiële bouwstenen levert
Aristoteles dacht dat kinderen werden gemaakt van “gezuiverd bloed uit de testikels”
(sperma) en menstruatiebloed.
Antonie van Leeuwenhoek (1632 – 1723) & Nicolaas Hartsoeker (1656 –1725):
Deze twee Nederlandse wetenschappers vonden de microscoop uit en begonnen het
vakgebied microbiologie
Ze ontwikkelden/verfijnden de theorie van het preformationisme: we komen allemaal af
van miniatuurversies van onszelf. Sperma bevat complete voorgevormde individuen die
“homunculus” worden genoemd. De homunculus hoefde dus alleen maar te groeien
(soort voorgevormde baby)
,Genen&Omgeving 2
Francis Galton:
Oprichter van psychometrie, diTerentiële psychologie en gedrag en genen.
Hij bestudeerde stambomen (stamboom) om erfelijke/genetische invloeden te begrijpen
Galton analyseerde de neiging van tweelingparen om in de loop van de tijd meer op
elkaar te lijken of te verschillen
Hij wilde eminent status graag uitleggen, dus uitzonderlijke talenten of prestaties die
erfelijk zijn. Eminent status waren geclusterd in families—Galton wilde dit linken aan
nature.
Galton was een racist, klassiek en gebruikte voor zijn onderzoek identieke tweelingen.
Darwin:
Voyage of the Baegle (een van de belangrijkste reizen van de wetenschap)
Evolutietheorie: alle soorten zijn ontstaan door natuurlijke selectie van kleine, geërfde
variaties die het vermogen van het individu om te overleven en zich voort te planten
vergroten. Alleen de best aangepaste geven hun eigenschappen door.
Hij was niet goed in het verklaren van erfenis van genen: volgens hem was elk deel van
het lichaam verantwoordelijk voor bevruchting van de eicel.
Charles Darwins theorie van pangenesis: elk deel van het lichaam kleine deeltjes reizen
naar de eicel of spermacel. Ook impliceerde blending inheritance= erfelijke
eigenschappen ouders mengen in hun kinderen.
,Genen&Omgeving 3
Hoorcollege 2: Mendel’s wet en uitzondering tweede wet
Gregor Mendel (1822-1884)
Dit diagram laat een klassieke Mendeliaanse kruising zien van een dominant en
recessief kenmerk, in dit geval de gladde (Smooth) en gerimpelde (Wrinkled) eigenschap
van zaden, zoals onderzocht door Gregor Mendel
Wrinkled= recessief
Smooth= dominant
Allelen= variaties van genen doorgegeven door ouders
F1= eerste generatie
F2= tweede generatie
Zijn twee wetten op een rijtje:
1. Mendel zijn eerste wet: De Wet van Segregatie
2. Mendel zijn tweede wet: De Wet van onafhankelijke sortering
, Genen&Omgeving 4
Links: "Blending Inheritance" (Vermengende overerving): Darwin
o Dit model stelt dat eigenschappen van ouders mengen in de
nakomelingen, waardoor een tussenvorm ontstaat.
o In dit geval zou een kruising tussen een gladde (smooth) en een
gerimpelde (wrinkly) erwt leiden tot een half-gerimpelde (semi-wrinkly)
erwt in de F1-generatie.
o Dit model werd vroeger gedacht, maar is onjuist gebleken.
Rechts: Mendel’s resultaten: Mendel
o Volgens Gregor Mendel’s experimenten erven eigenschappen zich niet
als mengvorm, maar volgens dominante en recessieve overerving.
o In de F1-generatie zijn alle erwten glad omdat het gladde kenmerk
dominant is.
o De gerimpelde eigenschap verdwijnt niet, maar is verborgen in
heterozygote planten (Ss).
o Pas in de F2-generatie (wanneer F1 onderling kruist) verschijnt de 1/4
gerimpelde zaden door de klassieke 3:1-verhouding.
o Is grotendeel waar gebleken, met enkele aanvullingen
Samenspel genen en omgeving
Hoorcollege 1: belangrijkheid + geschiedenis
Genen (menselijke genetica en kwantitatieve genetica): wat maakt ons hetzelfde en wat
maakt ons anders.
Menselijke genetica= hoe erfelijke eigenschappen en genetische variaties bij mensen
worden doorgegeven (ziektes bijvoorbeeld)
Kwantitatieve genetica= studie van erfelijke eigenschappen die continu variëren (lengte
of IQ) en worden beïnvloed door meerdere genen en omgevingsfactoren (statistisch).
Historisch perspectief:
Oude wereld: Ouders geven kenmerken door aan nakomelingen
Het Griekse perspectief:
Pythagoras stelde voor dat de vader de essentiële kenmerken levert (“vorm”) en de
moeder de materiële bouwstenen levert
Aristoteles dacht dat kinderen werden gemaakt van “gezuiverd bloed uit de testikels”
(sperma) en menstruatiebloed.
Antonie van Leeuwenhoek (1632 – 1723) & Nicolaas Hartsoeker (1656 –1725):
Deze twee Nederlandse wetenschappers vonden de microscoop uit en begonnen het
vakgebied microbiologie
Ze ontwikkelden/verfijnden de theorie van het preformationisme: we komen allemaal af
van miniatuurversies van onszelf. Sperma bevat complete voorgevormde individuen die
“homunculus” worden genoemd. De homunculus hoefde dus alleen maar te groeien
(soort voorgevormde baby)
,Genen&Omgeving 2
Francis Galton:
Oprichter van psychometrie, diTerentiële psychologie en gedrag en genen.
Hij bestudeerde stambomen (stamboom) om erfelijke/genetische invloeden te begrijpen
Galton analyseerde de neiging van tweelingparen om in de loop van de tijd meer op
elkaar te lijken of te verschillen
Hij wilde eminent status graag uitleggen, dus uitzonderlijke talenten of prestaties die
erfelijk zijn. Eminent status waren geclusterd in families—Galton wilde dit linken aan
nature.
Galton was een racist, klassiek en gebruikte voor zijn onderzoek identieke tweelingen.
Darwin:
Voyage of the Baegle (een van de belangrijkste reizen van de wetenschap)
Evolutietheorie: alle soorten zijn ontstaan door natuurlijke selectie van kleine, geërfde
variaties die het vermogen van het individu om te overleven en zich voort te planten
vergroten. Alleen de best aangepaste geven hun eigenschappen door.
Hij was niet goed in het verklaren van erfenis van genen: volgens hem was elk deel van
het lichaam verantwoordelijk voor bevruchting van de eicel.
Charles Darwins theorie van pangenesis: elk deel van het lichaam kleine deeltjes reizen
naar de eicel of spermacel. Ook impliceerde blending inheritance= erfelijke
eigenschappen ouders mengen in hun kinderen.
,Genen&Omgeving 3
Hoorcollege 2: Mendel’s wet en uitzondering tweede wet
Gregor Mendel (1822-1884)
Dit diagram laat een klassieke Mendeliaanse kruising zien van een dominant en
recessief kenmerk, in dit geval de gladde (Smooth) en gerimpelde (Wrinkled) eigenschap
van zaden, zoals onderzocht door Gregor Mendel
Wrinkled= recessief
Smooth= dominant
Allelen= variaties van genen doorgegeven door ouders
F1= eerste generatie
F2= tweede generatie
Zijn twee wetten op een rijtje:
1. Mendel zijn eerste wet: De Wet van Segregatie
2. Mendel zijn tweede wet: De Wet van onafhankelijke sortering
, Genen&Omgeving 4
Links: "Blending Inheritance" (Vermengende overerving): Darwin
o Dit model stelt dat eigenschappen van ouders mengen in de
nakomelingen, waardoor een tussenvorm ontstaat.
o In dit geval zou een kruising tussen een gladde (smooth) en een
gerimpelde (wrinkly) erwt leiden tot een half-gerimpelde (semi-wrinkly)
erwt in de F1-generatie.
o Dit model werd vroeger gedacht, maar is onjuist gebleken.
Rechts: Mendel’s resultaten: Mendel
o Volgens Gregor Mendel’s experimenten erven eigenschappen zich niet
als mengvorm, maar volgens dominante en recessieve overerving.
o In de F1-generatie zijn alle erwten glad omdat het gladde kenmerk
dominant is.
o De gerimpelde eigenschap verdwijnt niet, maar is verborgen in
heterozygote planten (Ss).
o Pas in de F2-generatie (wanneer F1 onderling kruist) verschijnt de 1/4
gerimpelde zaden door de klassieke 3:1-verhouding.
o Is grotendeel waar gebleken, met enkele aanvullingen