6.6.1 bloedcellen
, Erytrocyten (rode bloedcellen) vervoeren zuurstof
Leukocyten (witte bloedcellen) regelen afweer
Trombocyten (bloedplaatjes) bloedstolling
Erytrocyten
95% van totale hoeveelheid bloedcellen hematocriet erytrocytenvolume in
bloed.
Geen kern, golgicomplex en mitochondriën weinig stofwisselingsactiviteit.
Bijna helemaal vol met hemoglobine zuurstofbindend vermogen in zuurstofrijke
omgeving zuurstof loslaten in zuurstofarme omgeving.
Verbruiken geen zuurstof glucose voor eigen energiebehoefte.
Max 120 dagen leven afgebroken in lever en milt bilirubine.
Gemaakt in rode beenmerg.
Leukocyten
Granulocyten, monocyten, lymfocyten.
Granulocyten opruimen ziekteverwekkers en aangetaste of dode lichaamscellen
doden door fagocyteren neutrofiele granulocyten, eosinofiele granulocyten en
basofiele granulocuyten.
Monocyten aanmaak in rode beenmerg ziekteverwekkende bacteriën en
aangetaste lichaamscellen opruimen.
Lymfocyten specifieke immuniteit van het lichaam.
Trombocyten
Bloedstolling reguleren, immuunreacties en weefselherstel.
Plaatjesfactor komt vrij bij beschadiging kwetsbare celmembraan.
6.6.2 hemopoëse
Bloedcelvorming in rode beenmerg.
Gemeenschappelijke afkomst hemopoëtische stamcellen (bloedstamcellen)
via celdelingen differentiëren tot bepaald soort bloedcel.
Onrijpe fase blasten rijpere fase cyten.
Lymfocyten ook in lymfatisch weefsel differentiëren B en T lymfocyten.
Trombocyten megakaryocyt grote beenmergcel valt uiteen trombocyten.
6.6.3 hemostase
Lokale vasoconstrictie
Gladde spiervezels in de wand van arteriolen (kleine slagaders) contractie
beperkt bloedverlies.
Propvorming
Primaire hemostase trombocyten hechten zich aan wondranden en aan elkaar
onder invloed van vonwillebrandfactor (stollingsfactor in bloedplasma) losse
propvorming dicht min of meer gat in bloedvatwand.
Coagulatie
Secundaire hemostase weefselfactor en plaatjesfactor komen vrij
proconvertine activeren zet protrombine om in trombine stimuleert
omzetting fibrinogeen in fibrine vormen netwerk in wondopering bloedcellen
vangen stolsel.
Weefselherstel
Histamine ter plaatse gevormd vasodilatatie (vaatverwijding) meer
bloedtoevoer naar gebied.
, 6.6.4 bloedplasma
Water
Warmtebuffer overtollige warmte opnemen en afgeven.
Oplosmiddel voor stoffen die via bloedsomloop worden vervoerd.
Elektrocyten
Zouten die in water uiteenvallen in negatieve en positieve deeltjes.
Natrium, kalium, calcium, magnesium, chloor, waterstofcarbonaat.
Totale ionen belangrijk voor handhaving kristalloïd-osmotische druk (KOD) van het
bloed.
Plasma-eiwitten
Aangemaakt door lever watermantel colloïd-osmotische druk (COD)
veroorzaken.
KOD en COD bepalen osmotische druk van bloed.
Ondersteunen bufferwerking van elektrocyten en dragen bij aan viscositeit
(stroperigheid) van bloed.
Albumine helft van plasma eiwitten.
Globulinen verzameling plasma-eiwitten met uiteenlopende functies
alfaglobulinen, bètaglobulinen en gammaglobulinen alfa en beta hebben
transportfunctie gammaglobulinen belangrijke rol bij immuniteit van lichaam.
Stollingsfactoren grote rol bij hemostase.
Bloedgassen
Zuurstof, koolstofdioxide, stikstof.
Zuurstof kleine hoeveelheid vervoerd via erytrocyten.
Koolstofdioxide via bloedplasma vervoerd.
Stikstof doet niet mee aan stofwisseling diffundeert wel naar bloedplasma.
Tijdelijk aanwezige stoffen
Voedingsstoffen, afbraakproducten, hormonen, vitaminen.
6.9.1 niet-specifieke immuniteit
Fysieke barrière
Epidermis en slijmvliezen (neus, mond, ogen, vagina, urineweg).
Tussen uitwendige en inwendige milieu van lichaam.
Inwendige niet-specifieke immuniteit
Neutrofiele granulocyten, macrofagen, eosinofiele granulocyten,
naturalkillercellen, complementsysteem, interferon, ontsteking, koorts.
Neutrofiele granulocyten op plaats van infectie fagocyteren ze pathogenen
microfagen.
Macrofagen micro-organismen opruimen zonder zelf dood te gaan.
Eosinofiele granulocyten meercellige parasitaire ziekteverwekkers aanvallen.
Naturalkillercellen dodencellen die met virussen geinfecteerd zijn ruimen
cellen op die kunnen ontaarden in tumorcellen.
Complementsysteem celmembranen van pathogene cellen afbreken en
ontstekingsreactie bevorderen.
Interferon alfa-interferon, bèta-interferon, gamma-interferon alfa en bèta
remmen vermenigvuldiging van virusdeeltjes in lichaamscellen gamma activeert
en stimuleert de nabijgelegen macrofagen en naturalkillercellen.
, Erytrocyten (rode bloedcellen) vervoeren zuurstof
Leukocyten (witte bloedcellen) regelen afweer
Trombocyten (bloedplaatjes) bloedstolling
Erytrocyten
95% van totale hoeveelheid bloedcellen hematocriet erytrocytenvolume in
bloed.
Geen kern, golgicomplex en mitochondriën weinig stofwisselingsactiviteit.
Bijna helemaal vol met hemoglobine zuurstofbindend vermogen in zuurstofrijke
omgeving zuurstof loslaten in zuurstofarme omgeving.
Verbruiken geen zuurstof glucose voor eigen energiebehoefte.
Max 120 dagen leven afgebroken in lever en milt bilirubine.
Gemaakt in rode beenmerg.
Leukocyten
Granulocyten, monocyten, lymfocyten.
Granulocyten opruimen ziekteverwekkers en aangetaste of dode lichaamscellen
doden door fagocyteren neutrofiele granulocyten, eosinofiele granulocyten en
basofiele granulocuyten.
Monocyten aanmaak in rode beenmerg ziekteverwekkende bacteriën en
aangetaste lichaamscellen opruimen.
Lymfocyten specifieke immuniteit van het lichaam.
Trombocyten
Bloedstolling reguleren, immuunreacties en weefselherstel.
Plaatjesfactor komt vrij bij beschadiging kwetsbare celmembraan.
6.6.2 hemopoëse
Bloedcelvorming in rode beenmerg.
Gemeenschappelijke afkomst hemopoëtische stamcellen (bloedstamcellen)
via celdelingen differentiëren tot bepaald soort bloedcel.
Onrijpe fase blasten rijpere fase cyten.
Lymfocyten ook in lymfatisch weefsel differentiëren B en T lymfocyten.
Trombocyten megakaryocyt grote beenmergcel valt uiteen trombocyten.
6.6.3 hemostase
Lokale vasoconstrictie
Gladde spiervezels in de wand van arteriolen (kleine slagaders) contractie
beperkt bloedverlies.
Propvorming
Primaire hemostase trombocyten hechten zich aan wondranden en aan elkaar
onder invloed van vonwillebrandfactor (stollingsfactor in bloedplasma) losse
propvorming dicht min of meer gat in bloedvatwand.
Coagulatie
Secundaire hemostase weefselfactor en plaatjesfactor komen vrij
proconvertine activeren zet protrombine om in trombine stimuleert
omzetting fibrinogeen in fibrine vormen netwerk in wondopering bloedcellen
vangen stolsel.
Weefselherstel
Histamine ter plaatse gevormd vasodilatatie (vaatverwijding) meer
bloedtoevoer naar gebied.
, 6.6.4 bloedplasma
Water
Warmtebuffer overtollige warmte opnemen en afgeven.
Oplosmiddel voor stoffen die via bloedsomloop worden vervoerd.
Elektrocyten
Zouten die in water uiteenvallen in negatieve en positieve deeltjes.
Natrium, kalium, calcium, magnesium, chloor, waterstofcarbonaat.
Totale ionen belangrijk voor handhaving kristalloïd-osmotische druk (KOD) van het
bloed.
Plasma-eiwitten
Aangemaakt door lever watermantel colloïd-osmotische druk (COD)
veroorzaken.
KOD en COD bepalen osmotische druk van bloed.
Ondersteunen bufferwerking van elektrocyten en dragen bij aan viscositeit
(stroperigheid) van bloed.
Albumine helft van plasma eiwitten.
Globulinen verzameling plasma-eiwitten met uiteenlopende functies
alfaglobulinen, bètaglobulinen en gammaglobulinen alfa en beta hebben
transportfunctie gammaglobulinen belangrijke rol bij immuniteit van lichaam.
Stollingsfactoren grote rol bij hemostase.
Bloedgassen
Zuurstof, koolstofdioxide, stikstof.
Zuurstof kleine hoeveelheid vervoerd via erytrocyten.
Koolstofdioxide via bloedplasma vervoerd.
Stikstof doet niet mee aan stofwisseling diffundeert wel naar bloedplasma.
Tijdelijk aanwezige stoffen
Voedingsstoffen, afbraakproducten, hormonen, vitaminen.
6.9.1 niet-specifieke immuniteit
Fysieke barrière
Epidermis en slijmvliezen (neus, mond, ogen, vagina, urineweg).
Tussen uitwendige en inwendige milieu van lichaam.
Inwendige niet-specifieke immuniteit
Neutrofiele granulocyten, macrofagen, eosinofiele granulocyten,
naturalkillercellen, complementsysteem, interferon, ontsteking, koorts.
Neutrofiele granulocyten op plaats van infectie fagocyteren ze pathogenen
microfagen.
Macrofagen micro-organismen opruimen zonder zelf dood te gaan.
Eosinofiele granulocyten meercellige parasitaire ziekteverwekkers aanvallen.
Naturalkillercellen dodencellen die met virussen geinfecteerd zijn ruimen
cellen op die kunnen ontaarden in tumorcellen.
Complementsysteem celmembranen van pathogene cellen afbreken en
ontstekingsreactie bevorderen.
Interferon alfa-interferon, bèta-interferon, gamma-interferon alfa en bèta
remmen vermenigvuldiging van virusdeeltjes in lichaamscellen gamma activeert
en stimuleert de nabijgelegen macrofagen en naturalkillercellen.