Deel 1: plaatsbepaling, functies en vestiging van aansprakelijkheid (vestigingsfase)
Leereenheid 1 – plaatsbepaling en functies van het aansprakelijkheidsrecht
Aansprakelijkheidsrecht en het verbintenissenrecht
Het aansprakelijkheidsrecht maakt deel uit van het verbintenissenrecht, dat wordt geregeld
in Boek 6 van het BW. Het verbintenissenrecht omvat de regels betreffende verbintenissen.
Verbintenis = is een vermogensrechtelijke rechtsverhouding tussen twee of meer personen
krachtens welke de een tot een prestatie is gerechtigd (de crediteur of de schuldeiser)
waartoe de ander verplicht is (de debiteur of de schuldenaar).
A: schuldenaar of debiteur -> B: schuldeiser of crediteur.
Een verbintenis kan ontstaan door een overeenkomst en de onrechtmatige daad.
- Bij een overeenkomst: vrijwillig aangegaan, bepalend voor rechtsgevolgen.
- Bij een onrechtmatige daad: uit de wet, rechtsgevolgen van rechtswege.
Op grond van een overeenkomst en de onrechtmatige daad kan aansprakelijkheid ontstaan.
Daaruit kan een schadeverplichting voortvloeien (contractuele en buitencontractuele
aansprakelijkheid).
Het onderscheid tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid
Contractuele aansprakelijkheid:
Ontstaat wanneer iemand een verbintenis uit overeenkomst niet nakomt. Een toerekenbare
tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst = wanprestatie.
Wanprestatie kan leiden tot een vordering tot schadevergoeding art. 6:74 BW.
Buitencontractuele aansprakelijk:
De wet kent ook gevallen waarin iemand een ander tot betaling van een schadevergoeding
kan aanspreken zonder dat er sprake hoeft te zijn van een contractuele relatie. De
aansprakelijk vloeit dan voort uit de wet. Een voorbeeld hiervan is de onrechtmatige daad
art. 6:162 BW. Daarnaast kan aansprakelijkheid ook voortvloeien uit kwalitatieve
aansprakelijkheidsgrondslagen zoals art. 6:173 en art. 6:85 BW.
De contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid kunnen samenlopen. Dit is het
leerstuk van samenloop. Bij samenloop zijn meerdere rechtsregels van toepassing op
eenzelfde gebeurtenis. De benadeelde mag dan zelf de rechtsgrond kiezen waarop hij zijn
vordering baseert. In beginsel dus cumulatief, tenzij de wet een bepaalde rechtsgrond
dwingend voorschrijft of onvermijdelijk met zich meebrengt. Een voorbeeld hiervan is: art.
6:74 BW (wanprestatie) werkt exclusief ten opzichte van art. 6:162 BW (onrechtmatige
daad). Er is hier GEEN keuzevrijheid.
Uitzondering: in sommige gevallen is samenloop tussen wanprestatie en onrechtmatige daad
toch mogelijk. De benadeelde kan dan kiezen op welke rechtsgrond hij de vordering baseert.
Dit kan alleen wanneer de gedraging onafhankelijk van de tussen partijen bestaande
contractuele verhouding een zelfstandige onrechtmatige daad oplevert.
,Plaatsbepaling onrechtmatige daad en overeenkomst in het verbintenissenrecht
Een rechtsfeit is een feit waaraan het objectieve recht een rechtsgevolg koppelt. Een
rechtsfeit kan worden onderscheiden in een rechtshandeling en in een feitelijke handeling.
Een rechtshandeling zijn handelingen met beoogde rechtsgevolgen. Hier treden
rechtsgevolgen in afhankelijk van de bedoeling van partijen. Een voorbeeld hiervan is de
overeenkomst.
Een feitelijke handeling zijn handelingen waarbij de rechtsgevolgen van rechtswege intreden.
Het objectieve recht verbindt aan een bepaald feitencomplex een rechtsgevolg. Dit zijn
verbintenissen uit de wet. De belangrijkste grondslag is de onrechtmatige daad. Het is
onafhankelijk van de wil van partijen. Het is niet dat je zelf dit recht beoogd, maar het
objectieve recht koppelt dit aan een situatie. Een feitelijke handeling kan worden
onderscheiden in een onrechtmatige daad en rechtmatige daden (niet-beoogd rechtsgevolg).
Rechtmatige daden zijn: zaakwaarneming, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde
verrijking.
Doelen en functies van het aansprakelijkheidsrecht:
Onder welke voorwaarde ontstaat er een verbintenis tot schadevergoeding?
Twee beginselen:
- ‘Ieder draagt zijn eigen schade’ <-> ‘breng geen schade toe’
Autonomiebeginsel vs. zorgplicht = aan de ene kant heb je de vrijheid van handelen en aan
de andere kant heb je ook het maatschappelijk belang om de rechten en belangen van
anderen te beschermen.
Onderliggende rechtvaardigingstheorieën (waar baseren we de regels van het
aansprakelijkheidsrecht op?):
- Corrigerende rechtvaardigheid: het herstel van de onrechtmatige verstoring van het
bestaande evenwicht tussen het slachtoffer en de normschender staat centraal.
- Distributieve rechtvaardigheid: er moet een rechtvaardige verdeling zijn tussen de
lasten en de gemeenschap. Dit hangt samen met het stelsel van verzekeringen.
Functies van het aansprakelijkheidsrecht:
- Compensatie, genoegdoening en preventie.
Preventie:
De mogelijkheid om een gebod of een bevel te vorderen is een uitingsvorm van de
preventiefunctie van het aansprakelijkheidsrecht.
De begrippen schuldaansprakelijkheid, kwalitatieve aansprakelijkheid ofwel
risicoaansprakelijkheid
Schuldaansprakelijkheid is gebaseerd op een verwijtbare gedraging art. 6:162 BW.
Bij risicoaansprakelijkheid is er GEEN sprake van een verwijtbare gedraging, maar de wet
bepaalt dat bepaalde vergoeding schade voor eigen risico komt. Dan kunnen gedragingen
, ook buiten schuld worden toegerekend art. 6:162 lid 3 BW. Op grond van de wet ben je
verplicht om de schade te vergoeden.
In art. 6:162 BW is zowel een schuld-element als een risico-element terug te vinden.
Kwalitatieve aansprakelijkheid ontstaat op grond van een bepaalde kwaliteit (hoedanigheid)
die de aansprakelijkgestelde heeft met betrekking tot de schadeveroorzakende persoon of
zaak. Over het algemeen geldt bij kwalitatieve aansprakelijkheden dat aansprakelijkheid niet
berust op verwijtbaarheid van de aansprakelijke, maar op een risico dat de wetgever voor
diens rekening laat komen. Kwalitatieve aansprakelijkheden neigen naar
risicoaansprakelijkheid, maar hebben ook elementen van schuldaansprakelijkheid.
Vestiging en omvang van aansprakelijkheid
Vestigingen van aansprakelijkheid:
- Aansprakelijkheid voor eigen gedrag art. 6:162 BW
- Kwalitatieve aansprakelijkheden afd. 6.3.2. BW
Omvang van aansprakelijkheid:
- De leer van de toerekening naar redelijkheid art. 6:98 BW
- Eigen schuld art. 6:101 BW
- Schadeposten
Leereenheid 2 – het begrenzen van aansprakelijkheid: causaliteit en eigen schuld
Wettelijke grondslag aansprakelijkheid voor eigen gedrag
Vereisten art 6:162 BW
1. Onrechtmatigheid;
2. Toerekenbaarheid;
3. Schade;
4. Causaal verband;
5. Relativiteit.
Vereiste 1: onrechtmatigheid
Wanneer spreken we van een ‘daad’?
- Doen
- Nalaten (HR struikelende broodbezorger)
Art. 6:162 lid 2 BW noemt 3 onrechtmatigheidsgronden:
- Een inbreuk op een recht;
- Een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht;
- Een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer beaamt.
Let op: rechtvaardigingsgrond ontneemt onrechtmatigheid!
Onrechtmatigheidsgrond 1: een inbreuk op een recht
Het moet gaan om een inbreuk op een subjectief recht. ALLEEN indien directe, rechtstreekse
of opzettelijke inbreuk (HR Zwiepende tak). Bijvoorbeeld: