Chili bestaat uit een kustgebied langs de Grote Oceaan in het westen en het Andesgebergte
in het oosten. De winter duurt van juni tot en met augustus en de zomer van december tot
en met februari. Dat komt doordat Chili op het zuidelijk halfrond ligt.
Door de uitgestrektheid van het land heeft Chili veel verschillende klimaten. In het noorden
is het kurkdroog, daar ligt de Atacamawoestijn. Rond de hoofdstad Santiago is er een
mediterraan klimaat. Hoe meer je in Chili naar het zuiden reist, heerst er een koud en nat
zeeklimaat. In de Andes: hooggebergteklimaat. Tussen de 25 en $45^\circ$ Z.B. ligt voor de
kust van Chili een hogedrukgebied. Bij dit subtropische maximum stroomt de lucht aan het
aardoppervlak weg. Deze wegstromende lucht wordt vervangen door dalende lucht van
bovenaf die veel kouder is dan de lucht op het aardoppervlak. Dit warmt op.
Voor de kust van Chili stroomt een zeestroom die vanaf de zuidpool komt. Door de koude
zeestroom wordt de lucht die langs de westkust stroomt afgekoeld. Dit zorgt ervoor dat er
geen water verdampt, en er op lage breedte bijna niet regent. In het noorden van Chili houdt
het Andesgebergte lucht uit Argentinië tegen. Dit zorgt voor stuwingsregen. Ten zuiden
brengen aanlandige winden stuwingsregens aan de westkant van het Andesgebergte.
Het koude zeewater van de zeestroom zorgt voor veel zuurstof en voedingsstoffen. In
sommige tijden is het zeewater voor de kust van Chili warmer. Dit zorgt ervoor dat veel
vissoorten doodgaan, en kwallen en haaien overleven. Hieraan zien vissers dat er een El Niño
op komst is. Dit komt eens in de 2-7 jaar voor. Door de opwarming is er tijdens El Niño meer
verdamping en dus neerslag. Hierdoor regent het in Chili veel meer, wat leidt tot
natuurrampen. El Niño is wereldwijd merkbaar. Zuidoost-Azië en India hebben meer last van
droogte. In de VS regent het dan meer aan de westkust, zijn de winters zachter en er zijn
minder orkanen.
Samenvatting 3.2
De aardbeving in 1960 was heel erg sterk, onvoorstelbaar sterk. Hierna kwam als gevolg een
tsunami met veel slachtoffers. Na een beving volgen altijd naschokken. Dit zijn aardbevingen
die altijd uren, dagen of zelfs weken na de hoofdaardbeving volgen. De aardbevingen in Chili
ontstaan door bewegingen langs breuken in de aardkorst. Om een heftige aardbeving te
veroorzaken, moet de breukvlak honderden kilometers diep zijn en breed. Hierdoor ontstaat
convergentie van de Nazcaplaat met de Zuid-Amerikaanse plaat. Waar de oceanische en
continentale plaat elkaar raken, is er sprake van veel wrijving.
De naar beneden bewegende plaat trekt de bovenliggende plaat een beetje mee naar
beneden. Hierdoor ontstaat spanning. Als deze te groot wordt, schiet de oceanische plaat
omhoog. Een gebied waar al lang geen zware beving is voorgekomen - vergeleken met
omringende gebieden - noem je een seismisch gat. Een subductiezone heeft er ook voor
gezorgd dat het Andesgebergte is ontstaan. Heel diep onder de Zuid-Amerikaanse plaat smelt
de wegduikende Nazcaplaat. Het magma dat daarbij wordt gevormd, stijgt op en vormt een
reeks vulkanen. Door de druk van het opstijgende magma worden horizontale
gesteentelagen erboven opzij en omhoog gedrukt. Ze komen scheef te liggen en worden
geplooid. Zo ontstaat een plooiingsgebergte. Doordat de oceaanbodem wordt gedwongen
naar beneden te buigen is aan de westkust van Chili een trog ontstaan.