Kunsten in de Nederlanden II
Samenvatting | Prof. Koenraad Jonckheere | 2025-2026
,Inhoudsopgave
HOOFDSTUK 1: Inleiding en algemene afspraken............................................................................................................. 5
1.1. Is there an issue? Waar Questie af is? Laten we discussiëren… ...................................................................... 5
1.2. Peter Paul Rubens – De Aanbidding der Koningen (1609, Museo del Prado, Madrid) ................................... 6
1.2.1. Het werk, de plaats en de historische timing ......................................................................................... 6
1.2.2. Compositie, onderwerp en symboliek herbekeken ................................................................................ 7
1.2.3. Met vuur spelen: de figuur v/h jongetje met de toorts en de traditie v/d emblemata ......................... 8
1.3. Historische Context: Barok in de Nederlanden (1566 – 1713) ........................................................................ 9
1.3.1. De gevolgen: een nieuwe kunstwereld en enkele historische data (zie BIJLAGE 1) ............................... 9
HOOFDSTUK 2: Babylon, Belgica en Batavia ................................................................................................................... 10
2.1. De Toren v. Babel........................................................................................................................................... 10
2.1.1. Babel als metafoor voor een tijdperk: e. spraakverwarring in de kunsten .......................................... 10
2.1.2. Babel als open politiek-, religieus- en maatschappelijk conflict ........................................................... 12
2.1.3. Babel als artistieke verwarring.............................................................................................................. 13
2.2. Rome: Autoriteit, contrareformatie en artistieke ambitie ............................................................................ 14
2.2.1. Het Concilie v. Trente (1545 – 63), het pausdom en de contrareformatie .......................................... 14
2.2.2. Rome als stad v. ambitie en attractiepool voor kunstenaars ............................................................... 14
2.3. Belgica en Batavia: de 80-jarige oorlog en de zieltjesvisserij ........................................................................ 16
HOOFDSTUK 3: Grondt – De theoretische en intellectuele basis v/d kunst in de Nederlanden .................................... 18
3.1. Van Losse Grondt naar…? Denken over kunst in een tijd v. verandering...................................................... 18
3.1.1. Lambert Lombard (Luik, 1505 – 1566) en het begin v/d artistieke reflectie ........................................ 18
3.1.2. Domenicus Lampsonius (Luik, 1532 – 1599) als eerste kunstbiograaf in de Nederlanden .................. 19
3.1.3. Lucas d’Heere (Gent, 1434 – 1484) en de rol v/d rederijkers............................................................... 19
3.1.4. Verdwaald? Italiaanse oudheid of Nederlandse traditie? .................................................................... 20
3.2. … naar Vaste Grondt? Karel van Mander’s Schilder-boeck (1604) ................................................................ 21
3.2.1. De “Grondt der Edel Vry Schilderconst” als ontologie v/d schilderkunst (zie BIJLAGE 2) .................... 21
3.2.2. De “In dry deelen ’t Leven der vermaerde doorluchtighe Schilders” als biografieën .......................... 22
3.2.3. De “D’wtlegghinghe op den Metamorphoseon” als iconografisch handboek ..................................... 22
3.3. Constencultuur: kennis, mens en kunsten in de Nederlanden (16de – 17de eeuw) ....................................... 23
3.3.1. Wat is “const”? De brede context v. kennis, mens en kunsten ............................................................ 23
3.3.2. Artes Liberales in het Trivium en het Quadrivium als ‘edelvrije schilderconst’ .................................... 24
3.3.3. Artes Incertae (toen mainstream, nu ‘occult’) ...................................................................................... 25
3.3.4. Artes Mechanicae (geacademiseerd vakmanschap)............................................................................. 26
3.3.5. De vervloeiende episteme: een amalgaam v. kennissystemen ............................................................. 26
3.4. De zintuigen: kennistheorie tussen lichaam en geest ................................................................................... 27
3.4.1. Het debat rond de oorsprong v. kennis: de hiërarchie v/d zintuigen................................................... 27
3.4.2. Zicht en Tast: het Bijbelse onderscheid tss similitudo en sculptile (zie ook infra; 5.1.2.) ..................... 27
3.5. Van de Bijbel, exegese en theologische kennissystemen… ........................................................................... 27
1
, 3.5.1. … naar de prille empirische natuurwetenschap ................................................................................... 27
HOOFDSTUK 4: Paragone en Aemulatio ......................................................................................................................... 28
4.1. Paragone en de zintuigen: de beste conste… ? ............................................................................................. 28
4.1.1. Paragone als ARTISTIEKE en INTELLECTUELE uitdaging: artistieke superioriteit .................................. 29
4.1.2. Paragone als RELIGIEUS probleem in de Nederlanden: morele en theologische legitimiteit .............. 30
4.1.3. Parogone in 4D: de factor ‘tijd’ ............................................................................................................. 30
4.2. Aemulatio: competitie en samenwerking ..................................................................................................... 31
4.2.1. Lange artistiek/ambachtelijke traditie v. samenwerking in de ‘consten’ ............................................. 32
4.2.2. Het idee ‘atelier’ in de 16de – 17de eeuw ............................................................................................... 33
4.2.3. Aemulatio v/d Natuur als Gods schepping: van nabootsing naar herschepping.................................. 35
4.2.4. Aemulatio v/d Oudheid als probleem, bron en uitdaging .................................................................... 36
4.2.5. Economische stimuli voor aemulatio: markt, competitie en artistieke vrijheid................................... 37
HOOFDSTUK 5: Ghebruyck – Het gebruik van kunst in de 16de en 17de eeuw ................................................................ 38
5.1. Kunst als Ghebruycksobject: functie, agency en materiële cultuur............................................................... 38
5.1.1. Maatschappelijke veranderingen in het kunstgebruik ......................................................................... 38
5.2. De verschillende ghebruycken van de kunst: politiek, religieus en burgerlijk .............................................. 39
5.2.1. Politiek gebruik van kunst: Dürers Triomfboog voor Keizer Maximiliaan (1559) ................................. 39
5.2.2. Religieus gebruik van kunst: katholieken vs. protestanten en de privé-devotie.................................. 40
5.2.3. Burgerlijk gebruik van kunst: differentiatie en stratificatie .................................................................. 42
5.3. Kunstmarkt, verzamelen, opdrachtgevers, economie en de publieke kunst ................................................ 43
5.3.1. Casussen van grote verzamelaars en hun collecties............................................................................. 43
5.3.2. Grote investeringen: kunst als macht, representatie en memorie door kerk, overheid en privé ........ 44
HOOFDSTUK 6: Vormen, lijnen, kleuren en texturen ..................................................................................................... 45
6.1. Herdenken v/d lijn: de tekenkunst als basis v. alle kunsten.......................................................................... 45
6.1.1. Noord-Europese traditie? ..................................................................................................................... 45
6.1.2. Italiaanse traditie met F. Zuccaro (ca. 1540 – 1609) en G.P. Bellori (1613 – 96).................................. 46
6.1.3. Synthese v. beide tradities en de opkomst v/d kunstacademiën (17de eeuw) ..................................... 47
6.2. Herdenken v. kleur, materialen en texturen: denken in de verf ................................................................... 48
6.2.1. Het herdenken v. kleur, materialen en texturen .................................................................................. 48
6.2.2. Het zoeken naar Licht in de 17de eeuw ................................................................................................. 49
6.3. Synthese: Verwe als materie, substantie en de scheppende kunst .............................................................. 50
6.3.1. Verwe en Substantie: de Theologische Achtergrond en God als eerste schilder ................................. 50
6.3.2. Denken in de Verwe: Alchemie, Geneeskunde, Wetenschap en Gendervisies .................................... 51
6.4. Casus – De productie v. prenten: technieken en productieproces ............................................................... 52
6.4.1. (1) Vorm en (2) productie ..................................................................................................................... 52
6.4.2. (3) Technieken binnen de prentkunst: houtsneden, kopergravures en etsen ..................................... 53
6.4.3. Spelers in het productieproces ............................................................................................................. 54
6.4.4. Paradox v/d overleving: hoe groter de oplage, hoe minder exemplaren bewaard ............................. 54
2
,HOOFDSTUK 7: Portret en Landschap............................................................................................................................. 55
7.1. De factor ‘tijd’: tussen duurzaamheid (Kronos) en ‘het moment’ (kairos) ................................................... 55
7.2. Het Landschap ............................................................................................................................................... 56
7.2.1. Pioniers in het ontstaan v/h landschap als autonoom kunstobject ..................................................... 56
7.2.2. Landschap als Boek der Natuur (1561): religieuze en wetenschappelijke context .............................. 57
7.2.3. Ruimtelijke ordening als perspectief op de schepping in 8 thema’s .................................................... 58
7.3. Het Portret ..................................................................................................................................................... 59
7.3.1. Tussen Kronos en Kairon: de 4 fundamenten v/h portret (16de en 17de eeuw) ................................... 59
7.3.2. Sociaal onderscheid in portretgebruik.................................................................................................. 60
HOOFDSTUK 8: Stilleven ................................................................................................................................................. 61
8.1. Inleiding: Stilleven en de ontologie v/d schilderkunst – ‘verwe’ als sleutelbegrip ....................................... 61
8.2. Genese v/d verschillende types stilleven ...................................................................................................... 62
8.2.1. De artistieke traditie v/h stilleven: ‘ik heb vogels bedrogen, maar Parrhasius een schilder’ .............. 62
8.2.2. De drie typologieën v/h stilleven: symboliek, empirie en ontologie .................................................... 64
HOOFDSTUK 9: Genretaferelen ...................................................................................................................................... 66
9.1. Het ‘ontstaan’ v/d ‘genrekunst’ in de 16de eeuw .......................................................................................... 66
9.1.1. De ‘avant-propos’: een eerste vorm v. genre in de miniatuurkunst .................................................... 66
9.1.2. De 5 sporen in de ontwikkeling naar de genrekunst ............................................................................ 66
9.1.3. Hoe moeten we deze soorten ordenen? .............................................................................................. 68
9.2. De ontwikkelingen in de 2de helft v/d 16de – 17de eeuw ................................................................................ 68
9.2.1. Actualiteitskunst ≠ historiekunst: sociale dynamieken in genretaferelen ........................................... 68
9.2.1.1. Het ‘grove register’ en Adriaen Brouwer (1605 – 1638 ) als stamvader v/h lowlife-genre .......... 69
9.2.1.2. Het ‘verfijnde register’ en het concept v. ‘nettigheid’ ................................................................. 70
9.2.1.3. Ruimte, licht en empirische observatie: kennis en macht in vorm en/of inhoud ........................ 71
9.2.2. Caravaggisme of ‘alla Romana’ en Italiaanse stijlmiddelen in vorm en/of inhoud .............................. 72
HOOFDSTUK 10: Historiekunst........................................................................................................................................ 73
10.1. Inleiding: de impact v/d beeldenstorm (na 1566) ......................................................................................... 73
10.2. Historieschilderkunst in de barok vanaf ca. 1610 ......................................................................................... 74
10.2.1. Historiekunst voor ‘religioos ghebruyck’ .............................................................................................. 74
9.2.1.4. In de publieke ruimte ....................................................................................................... 74
9.2.1.5. In de private ruimte ......................................................................................................... 75
10.2.2. Historiekunst voor ‘borgherlyck ghebruyck’ ......................................................................................... 77
9.2.1.6. In de publieke ruimte ....................................................................................................... 77
9.2.1.7. In de private ruimte ......................................................................................................... 78
BIJLAGE 1: Historische data en gebeurtenissen .............................................................................................................. 79
BIJLAGE 2: “Substantia” en de ontologische structuur v/d schepping ........................................................................... 81
1.1. Van God tot Mens: de keten van het zijn ...................................................................................................... 81
3
,1.2. Van Mander’s interpretatie: twee dimensies v/d scheppingsdaad in de schilderkunst ............................... 81
1.3. De tweedeling tussen God en de Natuur: de Confession de Foy (1561) ....................................................... 82
4
, HOOFDSTUK 1: Inleiding en algemene afspraken
Zoals in de eerste les reeds duidelijk werd, zal in de komende colleges de nadruk liggen op de ontwikkeling v/h kunstbegrip in de
Nederlanden tss de late 15de eeuw tot het begin v/d 18de eeuw. We onderzoeken dus niet enkel wat kunstenaars creëerden, maar
vooral hoe kunst in deze periode werd begrepen, ervaren en betekenis kreeg. Logischerwijs stond dit niet los van haar hist. context,
maar hierover later meer.
▪ Centrale gedachte? We stellen de vraag hoe kunst zich, in wisselwerking met haar artistieke, religieuze en intellectueel-
spirituele context, ontwikkelde tot e. steeds complexer systeem v. ideeën, symbolen en vormen. We benaderen kunst
niet als e. geïsoleerd object, maar als e. uitdrukking v. denken, geloof, spiritualiteit en wereldbeeld.
Doorheen de lessen zullen # thema’s aan bod komen die samen e. breed beeld schetsen v. deze evolutie. Elk thema belicht e.
ander facet v/d manier waarop kunstenaars en toeschouwers over kunst nadachten. We sommen ze op.
1.1. Is there an issue? Waar Questie af is? Laten we discussiëren…
Dit gezegd zijnde kunnen we beginnen. Grofweg met de 16 de eeuw ontwikkelt zich in de kunst e. nieuw denkkader dat men kan
samenvatten onder de noemer v. “questie” – e. woord dat zijn oorsprong vindt in het Latijnse quaestio, hetgeen lett. vraag of
onderzoek betekent.1 De term verwijst immers niet alleen naar het stellen v. vragen, maar ook naar de kunst v/h redeneren en
spreken, de oefening v/h denken zelf dus. Waarin moeten we dit plaatsen?
▪ Context Tachtigjarige Oorlog (1568 – 1648): de splitsing v/d Nederlanden i.n.v. de godsdienstperikelen (Reformatie)
zorgde voor e. periode v. diepe pol. en relig. verdeeldheid. Het is hierin dat de “questie” bijzonder gewicht krijgt.
o Gevolg? De wereld v/d kunstenaar is plots verworden in één v. onzekerheid en instabiliteit, waarin oude
zekerheden – over geloof, macht, moraal en mensbeeld – fundamenteel zou veranderen. Kunstenaars begonnen
zich daarom fund. vragen te stellen over de wereld en over hun eigen plaats daarin.
▪ Context v/d ontdekkingen, opkomende wetenschap (empirisch denken) en humanistische ideeën hetgeen de
intelligentsia aanzette om te discussiëren over het ongrijpbare, waarneming v/d werkelijkheid. Tegelijk bleef de SLV erg
gelovig, waardoor men e. rare cocktail kreeg v. christelijke theologie en (her)nieuwde inzichten o.b.v. de klassieken.
o Gevolg? Die kritische houding maakte dat kunst niet langer enkel e. middel was om schoonheid of religie te
verbeelden, maar ook e. instrument v. reflectie en betekenisgeving. Kunst werd ook e. intellectuele handeling:
e. vorm v. denken in beelden. Deze visie ging gepaard met e. fund. andere visie op de kunstenaar zelf: v.
ambachtsman of maker tot kunstenaar als denker, redenaar, theoloog en wetenschapper die e. questie voorlegt
en verbeeldt – e. probleem, spanning of vraagstuk!2
Vanaf de 16de eeuw wordt kunst m.a.w. steeds meer e. middel om te denken, om te onderzoeken. De vraag “Waar questie af is?”
wordt zo e. intellectuele sleutel: elk kunstwerk wordt gelezen als e. antwoord op e. probleem of als een poging om e. idee
zichtbaar te maken.
1 Opmerkelijk: Deze humanistische traditie v/d 16de eeuw ontleende de “questie” v/d middeleeuwse scholastiek als methode: men stelde e.
vraag (utrum…?) en onderzocht ze systematisch vanuit # standpunten.
2 Aanvullend zou je dus kunnen de volgende vragen kunnen stellen bij het bekijken v. kunst: Wat is het probleem of de vraag die dit kunstwerk
stelt? Wat onderzoekt of bevraagt de kunstenaar hier over de wereld, over het geloof, over de mens of over de kunst zelf?
5