Biologie H3
§1 fenotype en genotypen
Fenotype = de waarneembare eigenschappen van een individu, dat wordt bepaald door genotype en
milieufactoren bloedgroep
Genotype = de info voor alle erfelijke eigenschappen van een individu
Chromosomen komen in 22 paren (autosomen) voor in een rangschikking (karyotype).
Het 23e paar heten geslachtschromosoom.
Gen = deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor 1 erfelijke eigenschap
Locus = plaats van een gen op het chromosoom
Allel = verschijningsvorm van een gen blond (volgorde stikstofbasen anders dan bij zwart)
Modificatie = veranderingen worden aangebracht in het fenotype terwijl er geen verandering
plaatsvindt in het genotype
§2 genenparen
Homologe chromosomen komen naast lengte en vorm ook overeen in loci en bevatten ook genen voor
dezelfde erfelijke eigenschap.
Personen die heterozygoot zijn, zijn drager van de recessieve eigenschap.
Onvolledig dominant allel = een dominant allel dat bij een heterozygoot individu een recessief gen ook
enigszins tot uiting laat komen in het fenotype
Intermediair fenotype = 2 ongelijke allelen komen beide tot uiting in fenotype (even “sterk”, dus mix)
Codominantie = beide allelen komen volledig tot uiting (even “sterk”, maar bijv. rode en witte bloemen)
Door genetische variatie is de overlevingskans van een soort groter
§3 monohybride kruisingen
Monohybride kruisingen = kruising waarbij wordt gelet op de overerving van 1 eigenschap (1 genenpaar)
Bij stamboom kijken naar dezelfde ouders met ander kind(eren) ouders hebben allebei Aa, kind aa
§4 geslachtschromosomen
Man: ongelijke geslachtchromosomen XY
Vrouw: gelijke geslachtschromosomen XX
X-chromosomaal = genen die alleen in het X-chromosoom voorkomen
Een vrouw kan heterozygoot (draagster) zijn voor X-chromosomaal.
Een man kan niet heterozygoot of homozygoot zijn voor eigenschappen die X-chromosomaal over
worden geërfd, aangezien hij geen 2 Xen heeft.
§5 dihybride kruisingen
Dihybride kruisingen = kruising waarbij wordt gelet op de overerving van 2 eigenschappen
(2 genenparen).
Onafhankelijke overerving = de genenparen liggen in
verschillende chromosomenparen
Berekenen
1. Bepaal voor een van beide eigenschappen de
kans op een nakomeling met het gewenste
genotype of fenotype
2. Bepaal voor de andere eigenschap de kans
3. Vermenigvuldig beide kansen met elkaar
Als je bij. AABbCcdd hebt, zoek de mogelijkheden op 1 (A) x 2 (B,b) x 2 (C,c) x 1 (d)
Voorbeeld van berekenen:
§1 fenotype en genotypen
Fenotype = de waarneembare eigenschappen van een individu, dat wordt bepaald door genotype en
milieufactoren bloedgroep
Genotype = de info voor alle erfelijke eigenschappen van een individu
Chromosomen komen in 22 paren (autosomen) voor in een rangschikking (karyotype).
Het 23e paar heten geslachtschromosoom.
Gen = deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor 1 erfelijke eigenschap
Locus = plaats van een gen op het chromosoom
Allel = verschijningsvorm van een gen blond (volgorde stikstofbasen anders dan bij zwart)
Modificatie = veranderingen worden aangebracht in het fenotype terwijl er geen verandering
plaatsvindt in het genotype
§2 genenparen
Homologe chromosomen komen naast lengte en vorm ook overeen in loci en bevatten ook genen voor
dezelfde erfelijke eigenschap.
Personen die heterozygoot zijn, zijn drager van de recessieve eigenschap.
Onvolledig dominant allel = een dominant allel dat bij een heterozygoot individu een recessief gen ook
enigszins tot uiting laat komen in het fenotype
Intermediair fenotype = 2 ongelijke allelen komen beide tot uiting in fenotype (even “sterk”, dus mix)
Codominantie = beide allelen komen volledig tot uiting (even “sterk”, maar bijv. rode en witte bloemen)
Door genetische variatie is de overlevingskans van een soort groter
§3 monohybride kruisingen
Monohybride kruisingen = kruising waarbij wordt gelet op de overerving van 1 eigenschap (1 genenpaar)
Bij stamboom kijken naar dezelfde ouders met ander kind(eren) ouders hebben allebei Aa, kind aa
§4 geslachtschromosomen
Man: ongelijke geslachtchromosomen XY
Vrouw: gelijke geslachtschromosomen XX
X-chromosomaal = genen die alleen in het X-chromosoom voorkomen
Een vrouw kan heterozygoot (draagster) zijn voor X-chromosomaal.
Een man kan niet heterozygoot of homozygoot zijn voor eigenschappen die X-chromosomaal over
worden geërfd, aangezien hij geen 2 Xen heeft.
§5 dihybride kruisingen
Dihybride kruisingen = kruising waarbij wordt gelet op de overerving van 2 eigenschappen
(2 genenparen).
Onafhankelijke overerving = de genenparen liggen in
verschillende chromosomenparen
Berekenen
1. Bepaal voor een van beide eigenschappen de
kans op een nakomeling met het gewenste
genotype of fenotype
2. Bepaal voor de andere eigenschap de kans
3. Vermenigvuldig beide kansen met elkaar
Als je bij. AABbCcdd hebt, zoek de mogelijkheden op 1 (A) x 2 (B,b) x 2 (C,c) x 1 (d)
Voorbeeld van berekenen: