SAMENVATTING GOEDERENRECHT
Leereenheid 1 - Goederenrecht en goederen
Hoofdstuk 2 Een eerste overzicht
Vermogensrecht houdt zich bezig met de bestanddelen van het vermogen van personen, de
goederen en schulden.
Het goederenrecht bepaalt onder meer:
- Of en hoe bepaalde objecten of waardes als goederen geclassificeerd kunnen worden;
- Welke verhoudingen van personen tot goederen onderscheiden worden;
- Hoe een persoon goederen verkrijgt en verliest;
- Hoe het vermogen van personen moet worden vastgesteld; en
- Hoe op het vermogen van personen verhaal mogelijk is, hoe het kan worden uitgewonnen
en wat daarbij de rangorde is.
Personen zijn ofwel natuurlijke personen ofwel rechtspersonen.
Privaatrechtelijke rechtspersonen zijn verenigingen, coöperaties, onderlinge
waarborgmaatschappijen, nv’s, bv’s met beperkte aansprakelijkheid en stichtingen bezitten
rechtspersoonlijkheid (2:3 BW).
Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft gelijk met een natuurlijke persoon,
tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit (2:5 BW).
Elk persoon heeft een vermogen. Het vermogen van een persoon bestaat uit het geheel van
goederen en schulden dat aan deze persoon toebehoort.
- Het verband tussen die 2 onderdelen van het vermogen is als volgt: de goederen van een
persoon (3:1 BW) vormen zijn verhaalsvermogen dat uitwinbaar is voor zijn schulden
(3:276 BW).
- Of een persoon een concrete schuld uit verbintenis heeft (debiteurschap,
schuldenaarschap) en of een persoon een vorderingsrecht uit een verbintenis heeft
(crediteurschap, schuldeiserschap), wordt vooral door het verbintenissenrecht bepaald. Of
een persoon recht heeft op een concreet goed, wordt vooral door het goederenrecht
bepaald; daar vinden we de wijze van verkrijging en verlies van goederen en de reikwijdte
van beschikkingshandelingen over die goederen.
1
,Vermogensrecht weergegeven:
Subjectieve vermogensrechten worden onderverdeeld in:
- Relatieve rechten (rechten in personam): een aanspraak tegenover een bepaald persoon.
o Bijv. een vorderingsrecht, oftewel de actiefzijde uit een verbintenis.
▪ De verbintenis is de rechtsverhouding o.g.wv. de een, de crediteur (schuldeiser),
het recht heeft om een prestatie te vorderen van de ander, debiteur (schuldenaar),
die tot de prestatie verplicht is. De prestatie zal zijn een geven, een doen of een
nalaten (3:296 lid 1 BW).
• Men noemt het recht van de crediteur relatief omdat hij de prestatie alleen van
de debiteur kan vorderen.
- Absolute rechten (rechten in rem): definieert de verhouding tussen een persoon en een
goed.
o Een absoluut recht van een persoon op een goed is tegenover iedereen uit te oefenen.
o Ziet in beginsel op de exclusieve aanspraak van een persoon op een goed; het
eigendomsrecht is bijv. het meest omvattende recht dat een persoon kan hebben op
een zaak. Het recht is uit te oefenen tegenover eenieder en dus rust op eenieder de
rechtsplicht om zich te onthouden van inbreuken op het absolute recht.
Begrippenapparaat = een geheel van definities en onderverdelingen die een rol spelen in
rechtsregels en waar een rechtsgevolg verbonden kan zijn aan het voldoen aan de definitie van
een bepaald begrip.
2
,3:1 BW: Goederen zijn onder te verdelen in zaken en vermogensrechten.
- Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (3:2 BW)
Species vermogensrecht (3:6 BW): rechten die (a) hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een
ander recht, overdraagbaar zijn. (b) ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te
verschaffen, (c) of verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk
voordeel. Deze 3 vormen zijn alternatieven:
- Een recht dat wel ertoe strekt om stoffelijk voordeel te verschaffen maar niet
overdraagbaar is, kan dus ook een vermogensrecht zijn.
Voorbeelden van vermogensrechten:
- rechten van intellectueel eigendom (auteursrecht, patent)
- aandelen in een kapitaalvennootschap
- vorderingsrechten
- beperkte rechten op een goed
5:1 BW: Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben.
Eigendom van een zaak geeft de eigenaar de exclusieve aanspraak, met uitsluiting dus van
anderen, om van de zaak te genieten, de zaak te gebruiken en verbruiken (5:1 lid 2), of ook
niet te gebruiken, te beschadigen en te vernietigen, het recht om vrucht te trekken van de zaak
(lid 3), de zaak te vervreemden en te bezwaren (3:83), en ook de exclusieve
verantwoordelijkheid om de risico’s van de zaak te dragen.
Kenmerken het meest omvattende recht dat men op een goed kan hebben:
- Het recht is niet beperkt in tijd (geen tijdelijk toebehoren).
- Het recht is niet beperkt in functie (geen doelgebonden toebehoren).
- Het recht omvat de exclusieve bevoegdheid om het object te gebruiken, de vruchten te
genieten en de verantwoordelijkheid om de lasten te dragen.
- De rechthebbende kan vrijelijk disponeren over het recht.
- De rechthebbende hoeft voor al deze bevoegdheden niet te betalen aan een ander.
- Het belang bij het recht kan niet gescheiden worden van de bijbehorende rechtsvorderlijke
acties zoals de opvorderingsactie (3:304).
Numerus clausus – gesloten systeem
Bij overeenkomsten geldt contractvrijheid; men kan de verbintenisrechtelijke
rechtsverhouding zo vormgeven als partijen goeddunkt. Het systeem van het
verbintenissenrecht is in die opvatting een open systeem.
Goederenrecht heeft een gesloten systeem.
- In het goederenrecht staat niet de partijautonomie maar numerus clausus centraal; de wet
bepaalt wat als goederenrechtelijk figuur erkend wordt en wat niet, de wet bepaalt wat het
wezen, de inhoud en de grenzen van het beperkte recht zijn en dus wat de bevoegdheden
van betrokken rechthebbenden zijn.
- Het goederenrecht is dus grotendeels dwingend van aard.
Genotsrechten (beperkt recht/ ook wel Zekerheidsrechten
gebruiksrechten genoemd)
Vruchtgebruik (3:201) Pand en hypotheek (3:227 lid 1)
Erfdienstbaarheid (5:70 lid 1)
Erfpacht (5:85 lid 1)
3
, Opstalrecht (5:101 lid 1)
Wat niet in deze lijst staat, wordt niet erkend als beperkt recht. Als een afspraak tussen 2
partijen niet valt te kwalificeren als een van deze beperkte rechten, dan is het dus
waarschijnlijk hooguit een verbintenisrechtelijke rechtsverhouding.
Gesloten is het systeem ook waar het gaat om de wijzen van verkrijgen van goederen. Een
goed kan alleen worden verkregen op de manieren die de wet noemt. (3:80)
Dispositievrijheid: elk persoon heeft een vermogen en is vrij en bekwaam om d.m.v.
rechtshandelingen goederen te verwerven en te vervreemden.
- De rechthebbende van een goed is vrij, autonoom en bekwaam om over dat goed te
beschikken.
- Het erfrecht kent wel belangrijke beperkingen aan deze dispositievrijheid, zoals het recht
van de legitieme portie: een wettelijke minimumaanspraak van kort gezegd de kinderen
van de erflater op een evenredig deel van de nalatenschap (4:63 e.v.)
3:276: De goederen van een persoon vormen zijn verhaalvermogen dat uitwinbaar is voor zijn
schulden. 3 uitgangspunten besloten:
- A is bevoegd zich te verhalen op de goederen van B als A de crediteur is van B;
- Goederen van anderen van B zijn niet uitwinbaar voor de schuld van B aan A;
- Als A crediteur is van B, dan is hij bevoegd om zijn vordering te verhalen op elk goed van
zijn debiteur B.
Uitwinbaarheid van goederen verondersteld materiele verhaalsbevoegdheid, de bevoegdheid
van een persoon om zich te verhalen op de goederen van een ander.
De wet geeft in bepaalde gevallen aan bepaalde schuldeisers voorrang (preferentie) boven
anderen. In art. 3:278 worden de gronden voor voorrang opgesomd: pand, hypotheek,
voorrecht (privilege) en ‘andere in de wet aangegeven gronden’. De gronden voor voorrang
maken dus onderdeel uit van een gesloten wettelijk stelsel.
Droit de suite, zaaksgevolg, volgrecht = een goederenrechtelijk recht dat op een goed rust,
blijft daar in beginsel op rusten ook als het goed in handen komt van een ander.
- Bijv. als A eigendom heeft van een zaak en deze wordt gestolen door B, dan blijft A
eigenaar. Hij kan de zaak opeisen (revindiceren) van B.
- De bescherming van derden verkrijgen te goeder trouw als bedoeld in art. 3:86 maakt een
eind aan het droit de suite van een beperkt gerechtigde.
o Als de verkrijger van de zaak niet wist en ook niet hoefde te vermoeden dat die
persoon niet volledig bevoegd was om te beschikken over de onbezwaarde eigendom,
4
Leereenheid 1 - Goederenrecht en goederen
Hoofdstuk 2 Een eerste overzicht
Vermogensrecht houdt zich bezig met de bestanddelen van het vermogen van personen, de
goederen en schulden.
Het goederenrecht bepaalt onder meer:
- Of en hoe bepaalde objecten of waardes als goederen geclassificeerd kunnen worden;
- Welke verhoudingen van personen tot goederen onderscheiden worden;
- Hoe een persoon goederen verkrijgt en verliest;
- Hoe het vermogen van personen moet worden vastgesteld; en
- Hoe op het vermogen van personen verhaal mogelijk is, hoe het kan worden uitgewonnen
en wat daarbij de rangorde is.
Personen zijn ofwel natuurlijke personen ofwel rechtspersonen.
Privaatrechtelijke rechtspersonen zijn verenigingen, coöperaties, onderlinge
waarborgmaatschappijen, nv’s, bv’s met beperkte aansprakelijkheid en stichtingen bezitten
rechtspersoonlijkheid (2:3 BW).
Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft gelijk met een natuurlijke persoon,
tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit (2:5 BW).
Elk persoon heeft een vermogen. Het vermogen van een persoon bestaat uit het geheel van
goederen en schulden dat aan deze persoon toebehoort.
- Het verband tussen die 2 onderdelen van het vermogen is als volgt: de goederen van een
persoon (3:1 BW) vormen zijn verhaalsvermogen dat uitwinbaar is voor zijn schulden
(3:276 BW).
- Of een persoon een concrete schuld uit verbintenis heeft (debiteurschap,
schuldenaarschap) en of een persoon een vorderingsrecht uit een verbintenis heeft
(crediteurschap, schuldeiserschap), wordt vooral door het verbintenissenrecht bepaald. Of
een persoon recht heeft op een concreet goed, wordt vooral door het goederenrecht
bepaald; daar vinden we de wijze van verkrijging en verlies van goederen en de reikwijdte
van beschikkingshandelingen over die goederen.
1
,Vermogensrecht weergegeven:
Subjectieve vermogensrechten worden onderverdeeld in:
- Relatieve rechten (rechten in personam): een aanspraak tegenover een bepaald persoon.
o Bijv. een vorderingsrecht, oftewel de actiefzijde uit een verbintenis.
▪ De verbintenis is de rechtsverhouding o.g.wv. de een, de crediteur (schuldeiser),
het recht heeft om een prestatie te vorderen van de ander, debiteur (schuldenaar),
die tot de prestatie verplicht is. De prestatie zal zijn een geven, een doen of een
nalaten (3:296 lid 1 BW).
• Men noemt het recht van de crediteur relatief omdat hij de prestatie alleen van
de debiteur kan vorderen.
- Absolute rechten (rechten in rem): definieert de verhouding tussen een persoon en een
goed.
o Een absoluut recht van een persoon op een goed is tegenover iedereen uit te oefenen.
o Ziet in beginsel op de exclusieve aanspraak van een persoon op een goed; het
eigendomsrecht is bijv. het meest omvattende recht dat een persoon kan hebben op
een zaak. Het recht is uit te oefenen tegenover eenieder en dus rust op eenieder de
rechtsplicht om zich te onthouden van inbreuken op het absolute recht.
Begrippenapparaat = een geheel van definities en onderverdelingen die een rol spelen in
rechtsregels en waar een rechtsgevolg verbonden kan zijn aan het voldoen aan de definitie van
een bepaald begrip.
2
,3:1 BW: Goederen zijn onder te verdelen in zaken en vermogensrechten.
- Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (3:2 BW)
Species vermogensrecht (3:6 BW): rechten die (a) hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een
ander recht, overdraagbaar zijn. (b) ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te
verschaffen, (c) of verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk
voordeel. Deze 3 vormen zijn alternatieven:
- Een recht dat wel ertoe strekt om stoffelijk voordeel te verschaffen maar niet
overdraagbaar is, kan dus ook een vermogensrecht zijn.
Voorbeelden van vermogensrechten:
- rechten van intellectueel eigendom (auteursrecht, patent)
- aandelen in een kapitaalvennootschap
- vorderingsrechten
- beperkte rechten op een goed
5:1 BW: Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben.
Eigendom van een zaak geeft de eigenaar de exclusieve aanspraak, met uitsluiting dus van
anderen, om van de zaak te genieten, de zaak te gebruiken en verbruiken (5:1 lid 2), of ook
niet te gebruiken, te beschadigen en te vernietigen, het recht om vrucht te trekken van de zaak
(lid 3), de zaak te vervreemden en te bezwaren (3:83), en ook de exclusieve
verantwoordelijkheid om de risico’s van de zaak te dragen.
Kenmerken het meest omvattende recht dat men op een goed kan hebben:
- Het recht is niet beperkt in tijd (geen tijdelijk toebehoren).
- Het recht is niet beperkt in functie (geen doelgebonden toebehoren).
- Het recht omvat de exclusieve bevoegdheid om het object te gebruiken, de vruchten te
genieten en de verantwoordelijkheid om de lasten te dragen.
- De rechthebbende kan vrijelijk disponeren over het recht.
- De rechthebbende hoeft voor al deze bevoegdheden niet te betalen aan een ander.
- Het belang bij het recht kan niet gescheiden worden van de bijbehorende rechtsvorderlijke
acties zoals de opvorderingsactie (3:304).
Numerus clausus – gesloten systeem
Bij overeenkomsten geldt contractvrijheid; men kan de verbintenisrechtelijke
rechtsverhouding zo vormgeven als partijen goeddunkt. Het systeem van het
verbintenissenrecht is in die opvatting een open systeem.
Goederenrecht heeft een gesloten systeem.
- In het goederenrecht staat niet de partijautonomie maar numerus clausus centraal; de wet
bepaalt wat als goederenrechtelijk figuur erkend wordt en wat niet, de wet bepaalt wat het
wezen, de inhoud en de grenzen van het beperkte recht zijn en dus wat de bevoegdheden
van betrokken rechthebbenden zijn.
- Het goederenrecht is dus grotendeels dwingend van aard.
Genotsrechten (beperkt recht/ ook wel Zekerheidsrechten
gebruiksrechten genoemd)
Vruchtgebruik (3:201) Pand en hypotheek (3:227 lid 1)
Erfdienstbaarheid (5:70 lid 1)
Erfpacht (5:85 lid 1)
3
, Opstalrecht (5:101 lid 1)
Wat niet in deze lijst staat, wordt niet erkend als beperkt recht. Als een afspraak tussen 2
partijen niet valt te kwalificeren als een van deze beperkte rechten, dan is het dus
waarschijnlijk hooguit een verbintenisrechtelijke rechtsverhouding.
Gesloten is het systeem ook waar het gaat om de wijzen van verkrijgen van goederen. Een
goed kan alleen worden verkregen op de manieren die de wet noemt. (3:80)
Dispositievrijheid: elk persoon heeft een vermogen en is vrij en bekwaam om d.m.v.
rechtshandelingen goederen te verwerven en te vervreemden.
- De rechthebbende van een goed is vrij, autonoom en bekwaam om over dat goed te
beschikken.
- Het erfrecht kent wel belangrijke beperkingen aan deze dispositievrijheid, zoals het recht
van de legitieme portie: een wettelijke minimumaanspraak van kort gezegd de kinderen
van de erflater op een evenredig deel van de nalatenschap (4:63 e.v.)
3:276: De goederen van een persoon vormen zijn verhaalvermogen dat uitwinbaar is voor zijn
schulden. 3 uitgangspunten besloten:
- A is bevoegd zich te verhalen op de goederen van B als A de crediteur is van B;
- Goederen van anderen van B zijn niet uitwinbaar voor de schuld van B aan A;
- Als A crediteur is van B, dan is hij bevoegd om zijn vordering te verhalen op elk goed van
zijn debiteur B.
Uitwinbaarheid van goederen verondersteld materiele verhaalsbevoegdheid, de bevoegdheid
van een persoon om zich te verhalen op de goederen van een ander.
De wet geeft in bepaalde gevallen aan bepaalde schuldeisers voorrang (preferentie) boven
anderen. In art. 3:278 worden de gronden voor voorrang opgesomd: pand, hypotheek,
voorrecht (privilege) en ‘andere in de wet aangegeven gronden’. De gronden voor voorrang
maken dus onderdeel uit van een gesloten wettelijk stelsel.
Droit de suite, zaaksgevolg, volgrecht = een goederenrechtelijk recht dat op een goed rust,
blijft daar in beginsel op rusten ook als het goed in handen komt van een ander.
- Bijv. als A eigendom heeft van een zaak en deze wordt gestolen door B, dan blijft A
eigenaar. Hij kan de zaak opeisen (revindiceren) van B.
- De bescherming van derden verkrijgen te goeder trouw als bedoeld in art. 3:86 maakt een
eind aan het droit de suite van een beperkt gerechtigde.
o Als de verkrijger van de zaak niet wist en ook niet hoefde te vermoeden dat die
persoon niet volledig bevoegd was om te beschikken over de onbezwaarde eigendom,
4