SECRETORISCHE ROUTE:
1. Ruw ER
2. Golgi complex
3. Secretorische vesikels
4. PM
5. Endolysosomaal compartiment
SGLT CYCLUS:
1. Binding Na+ en glucose (extracellulair) = coöperatief
2. Conformatiewijziging
3. Intracellulaire afgave Na+ en glucose = coöperatieve dissociatie
4. Conformatiewijziging
TRANSEPITHELIAAL GLUCOSE TRANSPORT:
1. Glucose opname apicale membraan (SGLT1: Na+-gekoppeld)
2. Passieve diffusie doorheen epitheelweefsel
3. Uitstoot door basolateraal membraan (in bloed door GLUT2: uniporter)
4. Opname doelcellen (GLUT4: spiercellen)
5. Na+/K+ ATPase Na+ terug uit epitheelweefsel
6. Basolat wordt + (door Na+ van lumen basolat)
Apicaal wordt –
7. Cl - door tight-junctions (lumen basolat)
ACTIEPOTENTIAAL:
1. rustconditie Na+ gesloten K+ gesloten Vm = -70mV
2. depolarisatie Na+ open K+ gesloten Vm = +40mV
3. repolarisatie Na+ inactief K+ open Vm = -70mV
4. hyperpolarisatie Na+ gesloten K+ open Vm = -80mV
5. rustconditie Na+ gesloten K+ gesloten Vm = -70mV
SYNAPTISCHE COMMUNICATIE:
1. AP in synaptische knoop depolarisatie
2. Depolarisatie opent Ca2+-kanalen (inwaartse stroom)
3. [Ca] stijgt NT vrij in synaptische spleet
4. NT binden aan receptoren (post-synaps)
5. Ionenkanalen vd post-synaps open
6. 1; depolarisatie AP ontstaat in post-synaps
2; hyperpolarisatie inhibitie
, GPCR:
RER:
1. Cotranslationele translocatie (ribosoom tegen ER)
2. Kernglycolysering
3. Vorming disulfidebruggen
4. Vouwing peptideketen
5. Knippen door proteasen
6. Kwaliteitscontrole + exit uit ER
COTRANSLATIONEEL TRANSPORT:
1. Start translatie in cytosol (NH2-term = hydrofoob peptide signaal)
2. SRP bindt signaalpeptide + ribosoom (onderbreken translatie)
3. Binding SRP/ribosoom/peptide complex aan translocon RER-membraan
4. Translocon opent en ontvangt signaalpeptide (GTP)
5. Hervatten vd translatie
6. Import groeiende peptide keten
- Signaalpep. Blijft in translocon
- Peptideketen nr lumen
7. Signaalpeptidase klieft peptideketen aan C-term
8. Signaalpeptide wordt afgebroken; eiwitketen importeren in lumen
FAGOCYTOSE:
1. Binding bacterie aan PM v macrofagen/neutrofielen
2. Vorming pseudopodia = membraanuitsteeksel die gaan insluiten
3. Fusie pseudopodia en vorming fagosoom
4. Fusie met endosoom maturatie tot (fago)lysosoom = aanzuring via V-type H+-pomp
5. Afbraak bacterie in (fago)lysosoom
RECEPTOR-GEMEDIEERDE ENDOCYTOSE:
1. Opname extracellulaire molec. (eiwitten, lipiden, vitaminen, virussen, toxines, …)
2. Bidning aan receptor in PM (selectiviteit)
3. Instulping v PM en vorming coated pit = invaginatie
4. Afsnoering en vorming v endocytotische vesikel (door dynamine)
5. Ontmanteling v vesikel
- Depolymerisering v manteleiwitten
1. Ruw ER
2. Golgi complex
3. Secretorische vesikels
4. PM
5. Endolysosomaal compartiment
SGLT CYCLUS:
1. Binding Na+ en glucose (extracellulair) = coöperatief
2. Conformatiewijziging
3. Intracellulaire afgave Na+ en glucose = coöperatieve dissociatie
4. Conformatiewijziging
TRANSEPITHELIAAL GLUCOSE TRANSPORT:
1. Glucose opname apicale membraan (SGLT1: Na+-gekoppeld)
2. Passieve diffusie doorheen epitheelweefsel
3. Uitstoot door basolateraal membraan (in bloed door GLUT2: uniporter)
4. Opname doelcellen (GLUT4: spiercellen)
5. Na+/K+ ATPase Na+ terug uit epitheelweefsel
6. Basolat wordt + (door Na+ van lumen basolat)
Apicaal wordt –
7. Cl - door tight-junctions (lumen basolat)
ACTIEPOTENTIAAL:
1. rustconditie Na+ gesloten K+ gesloten Vm = -70mV
2. depolarisatie Na+ open K+ gesloten Vm = +40mV
3. repolarisatie Na+ inactief K+ open Vm = -70mV
4. hyperpolarisatie Na+ gesloten K+ open Vm = -80mV
5. rustconditie Na+ gesloten K+ gesloten Vm = -70mV
SYNAPTISCHE COMMUNICATIE:
1. AP in synaptische knoop depolarisatie
2. Depolarisatie opent Ca2+-kanalen (inwaartse stroom)
3. [Ca] stijgt NT vrij in synaptische spleet
4. NT binden aan receptoren (post-synaps)
5. Ionenkanalen vd post-synaps open
6. 1; depolarisatie AP ontstaat in post-synaps
2; hyperpolarisatie inhibitie
, GPCR:
RER:
1. Cotranslationele translocatie (ribosoom tegen ER)
2. Kernglycolysering
3. Vorming disulfidebruggen
4. Vouwing peptideketen
5. Knippen door proteasen
6. Kwaliteitscontrole + exit uit ER
COTRANSLATIONEEL TRANSPORT:
1. Start translatie in cytosol (NH2-term = hydrofoob peptide signaal)
2. SRP bindt signaalpeptide + ribosoom (onderbreken translatie)
3. Binding SRP/ribosoom/peptide complex aan translocon RER-membraan
4. Translocon opent en ontvangt signaalpeptide (GTP)
5. Hervatten vd translatie
6. Import groeiende peptide keten
- Signaalpep. Blijft in translocon
- Peptideketen nr lumen
7. Signaalpeptidase klieft peptideketen aan C-term
8. Signaalpeptide wordt afgebroken; eiwitketen importeren in lumen
FAGOCYTOSE:
1. Binding bacterie aan PM v macrofagen/neutrofielen
2. Vorming pseudopodia = membraanuitsteeksel die gaan insluiten
3. Fusie pseudopodia en vorming fagosoom
4. Fusie met endosoom maturatie tot (fago)lysosoom = aanzuring via V-type H+-pomp
5. Afbraak bacterie in (fago)lysosoom
RECEPTOR-GEMEDIEERDE ENDOCYTOSE:
1. Opname extracellulaire molec. (eiwitten, lipiden, vitaminen, virussen, toxines, …)
2. Bidning aan receptor in PM (selectiviteit)
3. Instulping v PM en vorming coated pit = invaginatie
4. Afsnoering en vorming v endocytotische vesikel (door dynamine)
5. Ontmanteling v vesikel
- Depolymerisering v manteleiwitten