HOORCOLLEGE
OBV = testament en die heb je alleen maar als je naar de notaris bent geweest.
Ouderlijke boedelverdeling is een uiterste wilsbeschikking.
De wettelijke verdeling:
- Art. 4:13 BW
- Lid 2: verkrijging echtgenoot
- Lid 3: verkrijging kinderen
- Lid 3 en 5: opeisbaarheid vordering
- Lid 4: verhoging vordering (rente)
- Lid 6: scheiding van tafel en bed
Echtgenoot en kinderen als erfgenaam zowel bij versterf als testamentair erfgenaam.
Afwijkingen van wettelijke verdeling, rijtje 1 + 5:
Wijziging in erfopvolging +
1) art. 4:13 lid 3, slotzin
2) art. 4:13 lid 4
3) art. 4:17 lid 1
4) art. 4:25 lid 6
5) art. 4:27
Bij ongehuwden en niet geregistreerden kunnen geen wettelijke verdeling plaatsvinden.
Ongedaanmaking:
Art. 4:18
Lid 1: termijn -> 3 maanden
Lid 2: terugwerkende kracht, positie derden
Pas op met art. 4:30 lid 7
, WERKGROEP OPDRACHTEN
Vraag 1
a. Als je zuiver aanvaardt: kan een schuldeiser zich ook aanvaarden op je privé vermogen. Bij
beneficiair aanvaarden kan de schuldeiser zich alleen verhalen op de goederen die je krijgt uit
de nalatenschap. Als je beneficiair aanvaardt moet je de nalatenschap echter vereffenen en dat
kost tijd en geld.
De kinderen hebben een vordering op de langstlevende echtgenoot. De erfgenamen van Leo
zijn Maria en Katrina op grond van art. 4:10 lid 1 sub a. Art. 4:11 stelt dat M en K voor
gelijke delen erven. Ze krijgen beide ½. Maar er is iets bijzonders. K krijgt niet de helft van
de goederen van de nalatenschap, die krijgt M (art. 4:13 lid 2), want die leeft nog. Dit noemen
we de wettelijke verdeling. K krijgt een vordering op M op basis van art. 4:13 lid 3.
De nalatenschap is 100.000,- K krijgt de helft, dus 50.000,-. Dit is echter een vordering en
deze is niet direct opeisbaar. Deze vordering is pas opeisbaar in geval van art. 4:13 lid 3 sub a
en b.
K heeft dus een vordering op M van 50.000,- die opeisbaar wordt als M overlijdt.
Wettelijke rente: art. 4:13 lid 4.
Leo is overleden in 2011. Maria is overleden in 2021.
In de casus staat dat de wettelijke rente zeven procent is. Volgens art. 4:13 lid 4 moet je hier
nog zes procent van afhalen. Je komt dan op een procent uit.
Rekensom: 1% x 10 x 50.000,- = 55.000,-
Je berekent dus geen rente op rente. Tevens bereken je dit niet als het wettelijke
rentepercentage lager is dan 6% of als het precies 6% is. Stel het zou 5% zijn, dan zou K dus
gewoon 50.000,- krijgen.
b. Saldo bank en huis samen is samen 200.000,-. Schuld van 150.000,- plus nog de schuld op K
van 55.000,-. De nalatenschap van M is dus -5.000.
De wettelijke verdeling is in dit geval niet van toepassing omdat er nu geen echtgenoot meer
is. Art. 4:13 en 4:14 zijn hier dus niet van toepassing.
Schuld art. 4:7 lid 1 sub a. K en N zijn beide aansprakelijk art. 4:182 lid 2. K is zowel
schuldenaar als schuldeiser, maar dit is geen probleem.
K en N zijn schuldenaar art. 4:182 lid 2; de schuld is deelbaar. Er is een tekort van 5.000,- K
krijgt 55.000,- K en N delen samen de schuld. Dat is 2.500 per persoon. N moet dus 2.500
betalen op basis van art. 4:184 lid 1 en lid 2 sub a. en K krijgt 52.500 ipv 55.000,-
Art. 4:184 lid 2 sub a; art. 4:13 gaat hier sowieso niet op, want er is geen wettelijke verdeling.
Vraag 2
a. Art. 4:13 lid 2.
Aansprakelijkheid: degene die aansprakelijk is voor de schulden; wie kan je aanspreken/wie
heeft er een schuld
Draagplicht: degene die het in zijn portemonnee voelt. Degene die uiteindelijk moeten
betalen. Dit kan ook iemand zijn die in beginsel niet aansprakelijk was. Draagplicht is
onderling afgesproken in dat geval.
Verhaal: degene bij wie de schuldeiser geld kan gaan halen. Dit is degene die de schuld is
aangegaan.
Hoe werkt dit bij de wettelijke verdeling? Hiervoor gebruik je art. 4:13.