WERKGROEP OPDRACHTEN
Vraag 1
a. Art. 7:366 BW. De woning behoort niet tot de nalatenschap.
Art. 4:28: of de woning is een goed van de nalatenschap of de erflater kon het gebruiken. De
echtgenoot van de erflater moet die woning bewonen. De echtgenoot is bevoegd jegens de
erfgenaam.
Het gaat hier om een recht van pacht. Een overeenkomst van pacht. Dit is agrarische huur.
Kan Anke in de woning voor zes maanden blijven?
Wie is gerechtigd tot de woning? De eigenaar, bijvoorbeeld X. Timmo had namelijk een recht
van pacht. Dit recht van pacht gaat over op het Scheepvaartmuseum.
Kan Anke de woning blijven gebruiken? Timmo had het recht de woning te gebruiken en hij
is overleden. De echtgenoot moet de woning bewonen. Daar is hier sprake van.
Jegens de erfgenaam? De erfgenaam is het Scheepvaartmuseum. Pacht eindigt niet bij
overlijden (art. 7:366). Het Scheepvaartmuseum is gerechtigd tot het recht van pacht. Dit
betekent dat Anke jegens de erfgenaam kan mededelen dat zij in het huis wilt blijven wonen.
Stel dat het pacht teniet zou gaan bij het overlijden, dan heeft de erfgenaam hier geen recht
van pacht meer. Anke kan dan jegens het Scheepvaartmuseum niks. X is dan de eigenaar en
Anke kan niet tegen hem zeggen dat ze in het huis wilt blijven wonen.
b. Timmo had nu een vruchtgebruik. Art. 3:203 BW. De vruchtgebruik van de woning eindigt
door het overlijden van Timmo. Dit vruchtgebruik is dus niet overgegaan op het
Scheepvaartmuseum. De erfgenaam is dus niet gerechtigd tot het huis, want het vruchtgebruik
is geëindigd bij Timo. Dit betekent dat Anke niet in het huis kan blijven wonen.
c. Erfpacht: is een zakelijk recht; meer specifiek een beperkt recht. Als op een goed een beperkt
recht is bevestigd, gaat dit beperkte recht mee als het goed wordt overgenomen door iemand.
Bij de overgang hier van het recht van erfpacht op de erfgenaam, is de erfgenaam hierop
gerechtigd. Anke kan dus jegens de erfgenaam zeggen dat zij in het huis wilt blijven wonen.
d. De woning staat door huur ter beschikking. In art. 4:28 staat krachtens anders dan huur. Het
kan hier dus niet. Anke kan niet in het huis blijven wonen, want zij kan geen beroep doen op
art. 4:28.
e. Art. 3:226. De regels van vruchtgebruik zijn overeenkomstig op een recht van gebruik en
woning. De erfgenaam heeft geen recht gekregen. Het gaat hier weer om een recht van
vruchtgebruik. De erfgenaam heeft deze niet gekregen. Anke kan niet in het huis blijven
wonen en dus geen beroep doen op art. 4:28.
Vraag 2
, a. D is onterfd en doet een beroep op zijn legitieme. Volgens de casus is zijn legitieme portie
12.000,-. D krijgt een vordering. Jegens wie? Wie is aansprakelijk voor die vordering? Art.
4:79. Hier sub a. B en C zijn de gezamenlijke erfgenamen. B en C zijn samen aansprakelijk.
b. In beginsel binnen zes maanden: art. 4:81 lid 1. Art. 4:81 lid 3: als de goederen KUNNEN
worden belast. Art. 4:31 lid 2: termijn: het gaat hier om art. 4:29 dus zes maanden. Het gaat
hier om art. 4:29, omdat het hier gaat om het huis. Het huis was het enige goed in de
nalatenschap. Wanneer verjaart die vordering? Art. 4:31 lid 3: een jaar en drie maanden (15
maanden).
Lid 2 gaat over het aanspraak maken op het vruchtgebruik, deze vervalt na zes maanden. Heb
je dit wel gedaan, dan krijg je een vordering. Deze verjaart na 15 maanden: lid 3. De
vordering heb je dus, maar deze zorgt niet meteen een vruchtgebruik, hiervoor moet je naar de
notaris. Als je dit dus niet gedaan hebt binnen 15 maanden, verjaart de vordering en komt je
vorderingsrecht op vruchtgebruik je niet meer toe.
Art. 4:81 lid 3 zegt dat het na 15 maanden opeisbaar is. Heeft B na zes maanden geen
aanspraak gedaan? Da is het ook opeisbaar.
Art. 81 lid 4: niet opeisbaar voor zover de echtgenoot daarvoor is verbonden. B is gerechtigd
tot het vruchtgebruik. Verbonden gaat over de aansprakelijkheid van de legitieme portie.
Zolang zij aansprakelijk is voor de legitieme portie (het gaat hier om deelbare prestatie: ¼), is
de vordering niet opeisbaar.
B is naar evenredigheid aansprakelijk. Dat betekent dat zij aansprakelijk is voor 3.000 van de
legitieme portie. De legitieme portie is opeisbaar na het moment het vruchtgebruik verdwijnt
(als de vruchtgebruiker overlijdt of afstand doet van het vruchtgebruik).
Lid 5: hier is de woning het enige goed. Op dat goed rust en vruchtgebruik op grond van art.
4:29. Ook voor zover C is verbonden is de legitieme portie niet opeisbaar. De overige 9.000 is
dus niet opeisbaar.
Vraag 3
a. A wilt is zijn eigen verzorging voorzien. Hij heeft een vruchtgebruik gevestigd op grond van
art. 4:30. Art. 4:31 lid 2: je hebt een jaar, en als je te laat bent heb je geen recht meer om
aanspraak te maken op andere goederen.
Art. 4:23 lid 2: bevoegdheden krijgen: gehele of gedeeltelijke vervreemding (overdragen) of
vertering (opmaken).
Art. 4:23 is van toepassing op wilsrechten. Waarom is hier sprake van een wilsrecht:
schakelbepaling art. 4:31.
b. Art. 4:30 lid 1: Max is verplicht mee te werken. Naar de rechter en nakoming vorderen. Hier
is dat afgifte van het vruchtgebruik.
Art. 3:300; uitspraak van de rechter kan gebruikt worden als een akte van vruchtgebruik; je
hoeft dan niet naar de rechter.
Art. 4:33 lid 2 sub a.
c. ?