Hoofdstuk 4 Samenvatting:
Bij intermediair verbruik gaat het om de producten die bedrijven van elkaar kopen om te
kunnen produceren, de zogenoemde onderlinge leveringen van bedrijven. (tabel 4.1 blz 77,
De vraagzijde van de economie, 2017) Steeds meer diensten worden tegenwoordig
uitbesteed door ondernemingen. De vraag vanuit het buitenland, de consumptie van
gezinnen, de overheidsconsumptie en de investeringen duidt men wel aan als finale
bestedingen. Het gaat daarbij om producten die geen verdere bewerking meer behoeven en
gereed zijn voor gebruik bij consumptie of productie.
4.2 Consumptie
De bestedingen van gezinnen noemen we consumptie. We noemen producten pas
consumptiegoederen als ze daadwerkelijk door de gezinnen gekocht zijn. In het
economische spraakgebruik bestaat de sector gezinnen uit alle ingezetenen van een land. De
belangrijkste functie van gezinnen is – behalve het ter beschikking stellen van
productiefactoren – het besteden van inkomen aan consumptiegoederen.
Gezinnen stellen een pakket goederen en diensten samen ter bevrediging van hun
behoeften. Dit is het consumptiepatroon. Het sommeren van al deze bestedingen van
individuele gezinnen levert een macro-economisch consumptiepatroon op. (tabel 4.2 blz 78,
Consumptiepatroon als percentage van de totale bestedingen van huishoudens)
Naarmate de welvaart toeneemt, consumeren gezinnen steeds meer diensten in verhouding
tot goederen. Daarvoor is een aantal oorzaken te noemen. Door de stijging van de inkomens
en de toename van vrije tijd is de behoefte aan grotere woningen, vervoer en recreatie sterk
toegenomen. Ook de vraag naar medische verzorging stijgt voortdurend, omdat een
verouderende bevolking een steeds groter beroep op de medische sector doet.
Op groeimarkten kunnen ondernemingen meestal zeer bevredigende winsten behalen,
omdat de concurrentie er niet zo hevig is. Ondernemingen kunnen hun afzet vergroten
zonder een toename van het marktaandeel. Op verzadigde markten is het veel moeilijker om
winstgevend te zijn. Ondernemingen proberen hun afzet te handhaven of te vergroten ten
koste van andere ondernemingen.
Inkomensontwikkeling, inkomensnivellering, Vermogenstoename en renteontwikkeling zijn
factoren van betekenis voor de groei van consumptie. (figuur 4.1 blz 80, Bepalende factoren
van de consumptie). De prijzen van consumptiegoederen kunnen van jaar tot jaar stijgen; dit
is inflatie. De verandering van het inkomen gecorrigeerd voor de inflatie is de verandering
van de koopkracht. De procentuele verandering van de koopkracht = de procentuele
verandering van de inkomens – de procentuele verandering van de prijzen.
(figuur 4.2 blz 81, Groei van de consumptie en van het bbp (1970-2019))
De mate waarin de afzet van een product profiteert van een inkomensstijging, is verder
afhankelijk van de inkomensgroep waar zich de stijging heeft voorgedaan. De marginale
inkomensquote geeft weer hoeveel van een extra euro inkomen wordt geconsumeerd. De
marginale consumptiequote is voor hoge inkomens beduidend lager dan voor lage
inkomens.
Bij intermediair verbruik gaat het om de producten die bedrijven van elkaar kopen om te
kunnen produceren, de zogenoemde onderlinge leveringen van bedrijven. (tabel 4.1 blz 77,
De vraagzijde van de economie, 2017) Steeds meer diensten worden tegenwoordig
uitbesteed door ondernemingen. De vraag vanuit het buitenland, de consumptie van
gezinnen, de overheidsconsumptie en de investeringen duidt men wel aan als finale
bestedingen. Het gaat daarbij om producten die geen verdere bewerking meer behoeven en
gereed zijn voor gebruik bij consumptie of productie.
4.2 Consumptie
De bestedingen van gezinnen noemen we consumptie. We noemen producten pas
consumptiegoederen als ze daadwerkelijk door de gezinnen gekocht zijn. In het
economische spraakgebruik bestaat de sector gezinnen uit alle ingezetenen van een land. De
belangrijkste functie van gezinnen is – behalve het ter beschikking stellen van
productiefactoren – het besteden van inkomen aan consumptiegoederen.
Gezinnen stellen een pakket goederen en diensten samen ter bevrediging van hun
behoeften. Dit is het consumptiepatroon. Het sommeren van al deze bestedingen van
individuele gezinnen levert een macro-economisch consumptiepatroon op. (tabel 4.2 blz 78,
Consumptiepatroon als percentage van de totale bestedingen van huishoudens)
Naarmate de welvaart toeneemt, consumeren gezinnen steeds meer diensten in verhouding
tot goederen. Daarvoor is een aantal oorzaken te noemen. Door de stijging van de inkomens
en de toename van vrije tijd is de behoefte aan grotere woningen, vervoer en recreatie sterk
toegenomen. Ook de vraag naar medische verzorging stijgt voortdurend, omdat een
verouderende bevolking een steeds groter beroep op de medische sector doet.
Op groeimarkten kunnen ondernemingen meestal zeer bevredigende winsten behalen,
omdat de concurrentie er niet zo hevig is. Ondernemingen kunnen hun afzet vergroten
zonder een toename van het marktaandeel. Op verzadigde markten is het veel moeilijker om
winstgevend te zijn. Ondernemingen proberen hun afzet te handhaven of te vergroten ten
koste van andere ondernemingen.
Inkomensontwikkeling, inkomensnivellering, Vermogenstoename en renteontwikkeling zijn
factoren van betekenis voor de groei van consumptie. (figuur 4.1 blz 80, Bepalende factoren
van de consumptie). De prijzen van consumptiegoederen kunnen van jaar tot jaar stijgen; dit
is inflatie. De verandering van het inkomen gecorrigeerd voor de inflatie is de verandering
van de koopkracht. De procentuele verandering van de koopkracht = de procentuele
verandering van de inkomens – de procentuele verandering van de prijzen.
(figuur 4.2 blz 81, Groei van de consumptie en van het bbp (1970-2019))
De mate waarin de afzet van een product profiteert van een inkomensstijging, is verder
afhankelijk van de inkomensgroep waar zich de stijging heeft voorgedaan. De marginale
inkomensquote geeft weer hoeveel van een extra euro inkomen wordt geconsumeerd. De
marginale consumptiequote is voor hoge inkomens beduidend lager dan voor lage
inkomens.