1. Ouabaïne legt NKA stil door intracellulair te binden
FOUT, ouabaïne bindt extracellulair
2. Atropine is een natuurlijke inhibitor en komt van de plant …
JUIST, atropine is een antagonist/inhibitor van mAChR en komt van een plant
(wolfskers)`
3. De concentratieverhouding van kalium is 5 uit, 120 in
JUIST, de intracellulaire kalium concentratie is hoger in de cel dan erbuiten
4. LA heeft een hoge affiniteit voor open Kft kanalen
FOUT, LA heeft een hoge affiniteit voor open Na-kanalen
5. Therapeutische index is de verhouding TD50 op ED50
JUIST
6. Serotonine bindt enkel op ionotrope receptoren
FOUT, serotonine bindt op 5-HT receptoren, deze kunnen zowel metabotroop als
ionotroop zijn
7. Cocaïne heeft een lange werkingsduur
FOUT, een medium lange werking, namelijk enkele minuten tot maximum een uur
8. EPP hangt af van hoeveelheid Ach vrijgezet in de synaptische spleet
JUIST, EPP is een gegradeerde respons
9. Allosterische antagonisten zijn per definitie niet-competitief
JUIST, enkel reversibele actieve site antagonisten zijn competitief
10. Rad heeft een GTPase effect
JUIST, kan GTP omzetten naar GDP
11. IP3 zorgt voor de vrijzetting van Kft uit het ER
FOUT, het zorgt voor de vrijzetting van calcium uit het ER
12. Lipofiele hormonen diffuseren makkelijk door celmembranen
JUIST, lipofiel wil zeggen vetminnend, dus ze kunnen goed oplossen in het apolair
membraan
13. Alfa adrenerge receptor is altijd metabotroop
JUIST
14. Bupicavaine wordt bij de bevalling gebruikt als topicale anesthetica
FOUT, wordt wel gebruikt tijdens bevalling maar het is een epidurale injectie (centrale
zenuwblokkade), geen topisch anestheticum
15. Tijdens de relatieve refractaire periode is een AP onmogelijk
FOUT, het is mogelijk, maar er is een hogere impuls nodig dan bij de vorige
actiepotentiaal. Het is bij de absolute refractaire periode onmogelijk
16. K uitstroom zorgt voor inhibitie
, JUIST, want zorgt voor repolarisatie
17. TTX blokkeert de K-kanalen
FOUT, natrium kanalen
18. Een milieu van 250mOsm is hypertoon t.o.v. de cel
FOUT, hypotoon, normaal is ongeveer 290mOsm.
19. AchE inhibitoren verlengen de contractie
JUIST, acetylcholine wordt niet afgebroken en zullen de nAChR langer stimuleren
20. NO zorgt voor vasodilatatie
JUIST en voor spierrelaxatie
21. Het parasympatisch en sympatische ZS hebben invloed op speeksel en zweetklieren
FOUT, zweetklieren worden enkel sympatisch geïnnerveerd
22. Gladde spieren hebben geen T-tubuli
JUIST, ze hebben caveolae