(Jan-Wouter Zwart)
,Inhoud
Hoofdlijnen hoofdstuk 1 t/m 8 3
Samenvatting hoofdstuk 1 – Wat is syntaxis?
8
Samenvatting hoofdstuk 2 – Woordklassen
11
Samenvatting hoofdstuk 3 – Zinnen
16
Samenvatting hoofdstuk 4 – Hoofden en woordgroepen
21
Samenvatting hoofdstuk 5 – Hoe identifi ceer je constituenten?
25
Samenvatting hoofdstuk 6 – Onderlinge relaties in de zin
29
Samenvatting hoofdstuk 7 – Syntactische processen
32
Samenvatting hoofdstuk 8 – Iets over het taalvermogen
35
2
,Hoofdlijnen h. 1 t/m 8
Hoofdstuk 1 - Wat is syntaxis?
Er is een aantal universele kenmerken van taal:
o Een klasse van naamwoorden
o Een klasse van werkwoorden
o Glossen bevatten zowel lexicale als functionele
informatie; de functionele informatie wordt in
hoofdletters gegeven met een streepje 1- ) bij prefi xen
en affi xen en een dubbele punt (:) voor zaken die niet
aangewezen kunnen worden in een woord.
• • •
Hoofdstuk 2 - Woordklassen
Drie criteria voor het identifi ceren van woordklassen:
1. vorm
2. distributie
3. functie
Productieve woordklassen:
o Naamwoorden
o Werkwoorden
o Adjectieven
Gesloten woordklassen:
o Preposities (voorzetsels)
o Lidwoorden
o Conjuncties (nevenschikkende va.) pronomina
Drie subklassen van werkwoorden:
o Intransitieve werkwoorden (1 arg.)
o Transitieve werkwoorden (2 arg.)
o Ditransitieve werkwoorden (3 arg.)
Drie posities van het werkwoord:
o Direct achter het subject
o Direct voor het subject
o Helemaal achterin
Determinatoren komen alleen met naamwoorden voor.
Voorbeelden zijn:
o Lidwoorden
o Aanwijzend vnw.
o Vragend vnw.
o Bezittelijk vnw.
o Kwantoren (beide/alle/sommige/etc.)
3
, Eigenschappen van determinatoren:
o Staan aan het begin of eind van een NP, maar niet in
het midden.
o Hebben vaak agreement met bepaalde kenmerken van
een naamwoord.
Semantische rollen van een AP:
o Agens (subject
o Theme (direct object)
o Goal (indirect object)
o Experiencer
o Instrument
Syntactische rollen van een NP:
o Subject
o Object
Twee manieren om functionele informatie uit te drukken:
1. een element ondergaat een vormverandering.
2. naast het lexicale woord duikt een woord uit de
gesloten klasse op dat de functionele informatie
uitdrukt.
Twee functionele subcategorieën:
1. Inherent
2. niet-inherent
• • •
Hoofdstuk 3 - Zinnen
Twee soorten hulpwerkwoorden:
1. modale hulpwerkwoorden
2. aspectuele hulpwerkwoorden
Niet-fi niete werkwoorden:
o Infi nitieven
o Participia (onvoltooid/voltooid dan.)
Functies van ingebedde bijzinnen:
1. Object
2. Subject
3. Bijwoord (=adjunctzin)
4 tests om hoofd- en bijzinnen uit elkaar te houden:
1. Werkwoord positie
2. Finiet of infi niet werkwoord?
4