JURY: NATUURWETENSCHAPPEN 2026 - bedrijfswetenschappen
BIOLOGIE
De cel als basiseenheid
I. Celtypen en hun functie
1. Organisatieniveaus van het leven
• Van klein naar groot: molecuul → organel → cel → weefsel → orgaan → stelsel
(orgaanstelsel) → organisme → populatie → ecosysteem → biosfeer.
- Een weefsel is een groep gelijkaardige cellen met dezelfde functie.
- Een orgaan bestaat uit verschillende weefsels die samen één functie uitvoeren (bv. het hart
pompt bloed).
- Een stelsel is een groep organen die samen een grotere taak uitvoeren (bv.
bloedvatenstelsel, spijsverteringsstelsel)
2. Celtypen en organellen
• Prokaryote cellen:
• Hebben geen echte celkern; het
DNA ligt vrij in het cytoplasma.
• Hebben geen membraangebonden
organellen.
• Voorbeeld: bacteriën
• Eukaryote cellen:
• Hebben een echte celkern met een
kernmembraan.
• Hebben verschillende organellen
met membranen.
• Voorbeelden: plantaardige en
dierlijke cellen
Een organel: gespecialiseerde structuren in eukaryote cellen, vaak
omgeven door een membraan, die speci eke functies vervullen
zoals energieproductie, eiwitsynthese en transport
Belangrijke organellen (bouw + functie):
- Kern (nucleus): bevat DNA; regelt alle activiteiten van de cel
- Kernlichaampje (nucleolus): plaats waar ribosomen worden
gevormd
- Mitochondrion: plaats van celademhaling; maakt ATP, de energiemunt van de cel
- Lysosoom: bevat verteringsenzymen; breekt afvalsto en en oude organellen af
- Vacuole: met vocht gevulde blaas; bij planten groot en zorgt voor stevigheid en opslag
- Ruw endoplasmatisch reticulum (RER): met ribosomen; maakt en transporteert eiwitten
- Glad endoplasmatisch reticulum (SER): zonder ribosomen; maakt o.a. vetten en detoxi ceert
sto en
- Ribosomen: plaatsen waar eiwitten worden gemaakt
- Golgi‑apparaat: bewerkt, sorteert en verpakt eiwitten in blaasjes voor transport
- Transportblaasjes: vervoeren sto en binnen de cel of naar buiten
- Centrosoom met centriolen: speelt een rol bij celdeling (vooral typisch bij dierlijke cellen)
- Plastiden bij planten:
- Chloroplasten: bevatten chlorofyl; plaats van fotosynthese.
- Chromoplasten: geven kleur (bv. in bloemen, vruchten).
- Leukoplasten/amyloplasten: opslag van zetmeel
- Cytoskelet (microtubuli, micro lamenten, intermediaire lamenten): geeft vorm en zorgt voor
transport en beweging in de cel
ff fi ff fi ff fi fi
, 2
3. Celmembraan en celwand
• Celmembraan:
• Bestaat uit een fosfolipidendubbellaag met cholesterol en eiwitten (perifere en
transmembraaneiwitten).
• Is een semi‑permeabel membraan: sommige sto en kunnen door, andere niet.
• Functies: begrenst de cel, regelt transport van sto en, speelt een rol in
communicatie en herkenning
• membraancomponenten: fosfolipiden, cholesterol, perifere (herkennings-) eiwitten,
transmembraaneiwitten
• cellulose
• Celwand:
• Komt voor bij plantencellen en bacteriën, niet bij dierlijke cellen.
• Bestaat bij planten vooral uit cellulose.
• Zorgt voor stevigheid en bescherming; is wel poreus zodat water en opgeloste
sto en kunnen passeren
4. Weefsels en organen bij planten
• Huidweefsel (epidermis): buitenste laag; beschermt de plant.
• Epidermis met waslaag (cuticula) op bladeren en stengels tegen waterverlies.
• Rhizodermis met wortelharen voor opname van water en mineralen
• Transportweefsel:
• Xyleem: vervoert water en mineralen van wortel naar de rest van de plant (opwaarts
transport).
• Floëem: vervoert suikers en andere voedingssto en; transport kan opwaarts en
neerwaarts.
• Samen vormen ze vaatbundels
• Grondweefsel (schors/cortex, vulweefsel, steunweefsel):
• Opvulling, opslag en stevigheid
• Organen:
• Wortel: verankering, opname van water en mineralen.
• Stengel: transport, stevigheid.
• Blad: fotosynthese; huidmondjes (stomata) regelen gasuitwisseling en waterverlies
5. Weefsels en cellen bij dieren
• Epitheelweefsel: bedekt in‑ en uitwendige oppervlakken (huid, darmwand, luchtwegen);
zorgt voor bescherming, opname en afscheiding
• Spierweefsel: zorgt voor beweging (skeletspieren, hartspier, gladde spieren)
• Zenuwweefsel: geleidt zenuwimpulsen (neuronen en steuncellen)
• Transportweefsel (bv. bloed): vervoer van sto en en cellen door het lichaam
Typische cellen:
• Epitheelcellen, spiercellen, zenuwcellen, rode bloedcellen, eicellen, zaadcellen
II. Fotosynthese en celademhaling
Belangrijke begrippen:
• autotrofe organismen: maken zelf hun organische sto en uit anorganische sto en met
energie (bv. planten via fotosynthese).
• heterotrofe organismen: moeten organische sto en opnemen door andere organismen te
eten (dieren, schimmels, veel bacteriën)
• ATP (adenosinetrifosfaat): universele energiedrager van de cel; bij afbraak naar ADP + Pi
komt energie vrij voor processen zoals spiercontractie, zenuwimpulsgeleiding, biosynthese,
transport door membranen, celdeling
ff ff ffffff ff ff ff
, 3
Fotosynthese:
• Algemeen: in chloroplasten van plantencellen; zet lichtenergie om in chemische energie.
• Algemene reactievergelijking (moet je kunnen noteren): water + koolstofdioxide → glucose +
zuurstof (in de vak che als algemene vergelijking, exacte coë ciënten zie je in handboeken)
• Lichtreacties: op thylakoïdmembraan; lichtenergie wordt opgevangen door pigmenten
(chlorofyl), water wordt gesplitst, er ontstaan energierijke moleculen (ATP, NADPH) en
zuurstofgas
• Donkerreacties (Calvincyclus): in het stroma; CO₂ wordt vastgelegd en met behulp van ATP
en NADPH omgezet in glucose
Structuren bij planten die fotosynthese en transport helpen:
• Blad: groot oppervlak, veel chloroplasten, huidmondjes (huidmondjes) voor gasuitwisseling;
nerf met xyleem en oëem.
• Wortel: neemt water en mineralen op via wortelharen.
• Stengel: bevat vaatbundels met xyleem (opwaarts watertransport) en oëem (transport van
suikers naar andere delen en opslag in bv. wortels, zaden)
Aerobe celademhaling:
• Doel: glucose volledig afbreken met zuurstof, om ATP te maken.
• Algemene reactievergelijking: glucose + zuurstof → koolstofdioxide + water + energie (ATP)
• Glycolyse: in het cytoplasma, glucose wordt afgebroken tot pyrodruivenzuur (pyruvaat) en er
komt wat ATP vrij
• Reacties in mitochondrion: verdere afbraak van pyruvaat (citroenzuurcyclus,
elektronentransportketen); meeste ATP wordt hier gevormd
Gisting en spierverzuring:
• Melkzuurgisting: bij gebrek aan zuurstof (bv. in spieren bij intense inspanning); pyruvaat
wordt omgezet in melkzuur; minder ATP, melkzuurophoping geeft verzuring en spierpijn
• Alcoholische gisting: bij gisten; pyruvaat wordt omgezet in ethanol en CO₂; gebruikt bij bier,
brood
Bescherming en afweer tegen lichaamsvreemde sto en
Belangrijke begrippen:
• Aangeboren (niet‑speci eke) immuniteit
Werkt snel, tegen veel verschillende ziekteverwekkers, zonder speci ek onderscheid
Dit omvat:
- Eerste verdedigingslijn: fysische en chemische barrières
- Huid, talg, zuurmantel, microbioom op de huid.
- Slijmvliezen in luchtwegen en darm, slijm en trilharen.
- Lysozym in tranen en speeksel
- Tweede verdedigingslijn: cellen en sto en in het lichaam
- Fagocyten (macrofagen, neutro elen) die ziekteverwekkers opeten
(fagocytose).
- Natural killer‑cellen die geïnfecteerde cellen doden.
- Ontstekingsreactie: bloedvaten verwijden, roodheid, warmte, zwelling;
histamine en cytokinen spelen een rol
• Verworven (speci eke) immuniteit
Werkt trager bij eerste contact, maar heel gericht tegen één antigeen en met
geheugencellen.
- Derde verdedigingslijn: B‑ en T‑lymfocyten, antisto en, geheugenlymfocyten
fi fi fl fi fi ff ff ffi ff fi fl
, 4
Organen van het immuunsysteem
• Lymfevaten en lymfe: vervoeren lymfe met witte bloedcellen door het lichaam.
• Lymfeknopen/lymfeklieren: lteren lymfe en activeren lymfocyten bij infectie.
• Milt: ltert bloed, breekt oude rode bloedcellen af, bevat veel witte bloedcellen.
• Thymus: rijping van T‑lymfocyten.
• Beenmerg: vorming van alle bloedcellen, inclusief lymfocyten.
• Keelamandelen: verdediging tegen ziekteverwekkers die via mond/keel binnenkomen
Belangrijke celtypes: leukocyten, lymfocyten (B en T), granulocyten, macrofagen, dendritische
cellen, mestcellen, natural killer‑cellen, neutro elen
Speci eke immuunreactie in stappen als er een pathogeen binnenkomt:
1. Een pathogeen met antigenen komt het lichaam binnen.
2. Fagocyten (bv. macrofagen, dendritische cellen) nemen de ziekteverwekker op en
“presenteren” stukjes antigeen op hun oppervlak (antigeenpresentatie)
3. T‑helperlymfocyten herkennen dit antigeen en worden geactiveerd; zij sturen cytokinen uit
die B‑ en andere T‑cellen activeren
4. B‑lymfocyten vormen plasmacellen die antisto en (antilichamen) maken tegen dat
speci eke antigeen
5. Antisto en binden aan antigenen → ziekteverwekkers worden geneutraliseerd, gemerkt voor
fagocytose of vernietigd
6. Cytotoxische T‑lymfocyten doden geïnfecteerde lichaamscellen door celperforatie en
celdood te veroorzaken
7. Er ontstaan B‑geheugenlymfocyten en T‑geheugenlymfocyten → bij een tweede besmetting
reageert het lichaam sneller en sterker (secundaire immuunrespons)
Immunisatie: actief/passief, natuurlijk/kunstmatig
de vier combinaties:
• Actieve immunisatie
= Je lichaam maakt zelf antisto en en geheugencellen aan na contact met een antigeen.
• Natuurlijk actief: je wordt ziek, geneest, en je blijft beschermd (bv. na mazelen).
• Kunstmatig actief: vaccinatie – je krijgt een verzwakte of dode vorm van de
ziekteverwekker of alleen antigenen → je wordt niet (of weinig) ziek, maar je bouwt
wel immuniteit op
• Passieve immunisatie
= Je krijgt kant‑en‑klare antisto en, je lichaam maakt ze niet zelf.
• Natuurlijk passief: antisto en via de moeder, bv. via placenta tijdens zwangerschap
of via borstvoeding.
• Kunstmatig passief: serumtherapie – je krijgt een injectie met antisto en (bv. na beet
van een dier met mogelijke rabiës). Bescherming is snel, maar tijdelijk
Voortplanting bij de mens
I. Ontwikkeling embryo en foetus
Basisbegrippen:
• Geslachtsgemeenschap: seksueel contact waarbij sperma in de vagina komt.
• Bevruchting: gebeurt meestal in de eileider, rond dag 14 van de menstruatiecyclus (ovulatie)
Barrières voor sperma:
• Geel lichaam (corpus luteum) produceert progesteron.
• Corona radiata (cellen rond eicel).
• Zona pellucida (glashuid) met glycoproteïnen
fififi ff ff fi ff fiff ff